Collectief

Dit is een pagina uit The Illustrated London News van 20 april 1955. Een jongeman kijkt peinzend uit het raam naar een boom. In een gedachtenwolkje lees je dat hij zin heeft om buiten in de tuin naar die boom te gaan kijken. Maar eerst, denkt hij, moet ik een televisiefilmpje laten maken, waarop te zien is dat ik buiten naar een boom sta te kijken.

En dan, als ik mezelf zo op dat filmpje zie, zal ik werkelijk naar een boom in de tuin hebben gekeken. Is dit een teken dat er toen een nieuw tijdvak was aangebroken? De fotografie bestond al anderhalve eeuw, de film was ook al lang tot een onmisbaar medium geworden. Maar pas bij en door de televisie is de mens in de westelijke wereld wezenlijk veranderd.

Omstreeks de jaren vijftig is de televisie tot het meest gedemocratiseerde massamedium geworden en sindsdien is de westerse mens steeds dieper verslaafd geraakt aan zijn eigen beeld. De techniek heeft het proces bevorderd, de vakliteratuur van de sociologen, psychologen en filosofen heeft het bevestigd. Het standaardwerk van de Amerikaan Daniel Boorstin, The Image, is verschenen in 1962. Daarin staat de definitie van de nieuwe beroemdheid. Een beroemdheid is beroemd omdat hij beroemd is. Uit dezelfde periode dateert de uitspraak van Andy Warhol: ‘In the future everyone will be famous for fifteen minutes.’ En niet veel later hebben we onvermijdelijk ook de Bekende Nederlander gekregen; bekend omdat hij bekend is.

Andy Warhol heeft nog altijd gelijk. Bekend of beroemd zijn wordt hoe langer hoe meer gezien als een recht. En van dit recht maken we gebruik door een afbeelding van onszelf te maken of dat te laten doen. Terwijl dit recht nog in een vroeg stadium van bevestiging was, kwam de polaroidcamera in massaproductie, het apparaat dat zonder het gedoe met fotorolletjes, belichtingsproblemen, ontwikkelaars onmiddellijk het resultaat laat zien. De polaroid voorzag op die manier in een dringende internationale behoefte.

Maar het was een zeer tijdelijk succes. De digitale revolutie begon en het duurde niet lang of de vernieuwingen begonnen ook in de fotografie door te breken. Ik ben geen fotograaf, ik heb er geen verstand van. Maar toen ik een jaar of vier geleden een nieuwe laptop had gekocht, ontdekte ik thuis bij nadere bestudering van het wonder dat in de bovenlijst van het scherm ook een piepklein cameraatje was opgeborgen. Dat heb ik natuurlijk geprobeerd en vijf kleine zelfportretjes gemaakt.

‘Pfui über den Egoisten, der nur an sich denkt!’

Nu, meer dan een kwart eeuw nadat die revolutie begon, kunnen we ons de wereld zonder een nog steeds groeiende variatie van digitaal gereedschap niet meer voorstellen. Veel daarvan heeft één eigenschap gemeenschappelijk: de gebruiker kan zichzelf ermee vastleggen. Dat zien we al jaren in toenemende mate op de televisie. De Arabische lente, waarvan overigens niets gekomen is, was mede ontsproten aan de sociale media, de apparatuur waarmee de revolutionairen elkaar aanvuurden. En nu zien we hoe de strijders van Isis zich op dezelfde manier inspireren terwijl ze bezig zijn hun omgeving aan puin te schieten. Maar het zuiverste product in deze sfeer van picturale zelfconcentratie blijft de selfie, het zelfportretje dat je met zo’n digitaal wondertje kunt maken.

De vraag is of we dit alles kunnen rekenen tot een geweldige golf van collectief narcisme waardoor de wereld nu zou worden overspoeld. Het narcisme is een afwijking, zo benoemd en beschreven door Sigmund Freud, een erotisch getinte eigenliefde, genoemd naar Narcissus, zoon van een Griekse god. Hij versmaadde de liefde van de maagd Echo, zag zijn eigen spiegelbeeld in het heldere bronwater, werd verliefd en ging daaraan ten onder. En nu is het de vraag in hoeverre deze klassieke jongeman met onze eigentijdse selfiemaker overeenkomt.

Ik denk dat ze heel weinig gemeen hebben. Narcissus was behalve een beklagenswaardige jongeman ook een individualist. Hij deed niemand na. Onze selfisten vormen een collectief. Ze zijn zichzelf massaal aan het kieken, zoals ze ook massaal naar het voetballen kijken, naar dancefeesten gaan, in hun sociaal verkeer bezig zijn de moedertaal onherstelbaar te veranderen. De selfiemens is de nieuwste verschijningsvorm van een individu dat al meer dan een halve eeuw in ontwikkeling is, de vertegenwoordiger van een nieuw collectief.

Bij wijze van volstrekte tegenstelling citeer ik de eerste alinea uit Der Einzige und sein Eigentum van de absolute individualist Max Stirner (1844): ‘Was soll nicht alles meine Sache sein. Vor allem die gute Sache, dann die Sache Gottes, die Sache der Menschheit, der Wahrheit, der Freiheit, der Humanität, der Gerechtigkeit; ferner die Sache meines Volkes, meines Fürsten, meines Vaterlandes; endlich gar die Sache des Geistes und tausend andere Sachen. Nur meine Sache soll niemals meine Sache sein. Pfui über den Egoisten der nur an sich denkt!’ Aan Stirner denkt niemand meer.