Collectief brein

In klein gezelschap vierden we M’s verjaardag in een huisje op Texel. Er was een pan boerenkool, een volle magnumfles rode wijn die aan diggelen viel op de tegelvloer, een uit de hand lopende discussie, een verzoening, een strandwandeling in de storm.

Op de derde avond kwam B aanzetten met een spelletje. Het heette The Mind en het kwam erop neer dat je met z’n allen één brein moest zien te vormen. Iedereen won of iedereen verloor, er waren geen teams en geen individuele spelers. We hadden allemaal een paar kaartjes in onze hand met daarop nummers tussen de één en de honderd, het was zaak om ze in de juiste volgorde op te gooien zonder daarbij met elkaar te communiceren.

We moeten elkaar aanvoelen, zei B. Het gaat om wachten en voelen wanneer je lang genoeg gewacht hebt. En dan gaat het om actie ondernemen.

Het concept ‘wachten’ bleek aan subjectiviteit onderhevig.

Telkens opnieuw gooide M na drie seconden haar laagste nummer op, ook als dat achtendertig was. Ik word er niet goed van, zei ze, hoe langzaam jullie zijn.

We proberen de tijd te nemen om te voelen, zei B, maar daar krijgen we niet bepaald de kans voor.

Andere B, de broer van M, liep naar buiten om een sigaret te roken.

Het was niet verwonderlijk dat uitgerekend B was komen aanzetten met dit spel. Al jaren is zij aanhanger van een hoogstpersoonlijke variant van het transhumanisme. In de toekomst, zo stelt zij zich voor, zijn alle mensen aangesloten op een collectief brein.

Ik dacht, zei ze even later bij de open haard die door niemand van ons werd ontstoken, waarom al die losse breinen? En als je er even over nadenkt, waarom al die losse lichamen? Zouden wij als mens niet veel beter functioneren als collectief?

Maar, vroeg andere B, hoe moet het dan met seks?

Waarom al die losse lichamen? Zouden wij als mens niet veel beter functioneren als collectief?

Seks, zei B, is ook een aangelegenheid van het brein. Het kan daarbinnen heel sexy worden.

Andere B dacht hier even over na terwijl hij de tuindeur op een kier zette en een sigaret opstak. Wel mooi ja, zei hij, nooit meer dat domme kotsen van de drank.

Een gezamenlijk brein, verklaarde B, is geen nachtmerrie maar een zegen.

Het bleef even stil terwijl ons collectieve brein, dat kon niet anders, dacht aan alle manieren waarop zulks wel degelijk een absolute nachtmerrie zou zijn.

Thierry, Berlusconi en John de Mol, zei andere B uiteindelijk namens ons allen.

Het aantal mensen dat zich aansluit is in principe oneindig ja, zei B. Zo’n collectief brein neutraliseert ook.

Volgens mij, zei M, die tot aan dat moment leek te zijn verzonken in diverse conversaties met breinen die zich elders en toch ook allemaal in haar telefoon bevonden, wil jij gewoon af van de verantwoordelijkheid voor een eigen lichaam en geest. Verbaasd keek B haar aan. Dat wilde iedereen toch?

Later, in mijn smalle vakantiehuisbedje, moest ik denken aan het glanzende metalen object dat was gevonden in een woestijn in Utah; een drie meter hoge, rechthoekige plaat die als een monoliet uit de grond stak. Het ding was toevallig ontdekt door een helikopter van de Utah Division of Wildlife die bezig was met schapen tellen. Binnen de kortste keren werden de coördinaten achterhaald en het internet op geslingerd. De eerste pelgrims trokken naar de plek. De autoriteiten waarschuwden voor het gevaar van dergelijke reizen, de plek was zeer afgelegen. Via satellietfoto’s van Google Earth viel te achterhalen dat het ding er sinds 2016 stond. Een hommage aan de in 2011 overleden landschapskunstenaar John McCracken, wellicht. Of aliens.

Het vacuüm duurde een paar wonderschone dagen. Het object was van niemand en van iedereen, het was kunst en mysterie, aards en buitenaards, abstract en concreet. Het glanzende oppervlak weerkaatste vaag de rode aarde van de woestijn, en ongetwijfeld ook iedereen die de plek bereikte en hoopte op een epifanie. In zekere zin was het de verbeelding van B’s droom over het collectieve brein. Toen meldden de kranten dat het object weer was verdwenen. Weggehaald door iemand die de schoonheid van een ding in de ruimte niet kon verdragen en het per se moest bezitten. Of meegenomen in een ufo, op doorreis naar een volgende planeet.

Weer terug op het vasteland, teruggeworpen in onze eigen hoogst individuele levens en worstelingen, vroeg ik B of ik haar theorie van het collectieve brein de wereld in mocht helpen. Dat mocht. Hoe meer mensen zouden kennismaken met haar gedachtegoed, hoe beter. Al, appte ze even later, lag het gevaar op de loer om verkeerd begrepen te worden. Het was Nietzsche overkomen, en het was niet ondenkbaar dat men nu ook met haar ideeën aan de haal ging.