Collectieve creaties

In de sector toneel doken binnen het Internationaal Theaterschool Festival twee zogenaamde ‘collectieve creaties’ op, met grote gezamenlijke inzet gemaakte produkties: Bomen van de Antwerpse Studio Herman Teirlinck en Tevengebroed van de Amsterdamse Toneelschool.

Bomen werd gepresenteerd als een feestmaal waar elk der disgenoten de anderen iets presenteerde. Een zachtaardige zanger bleek een monster in zich te herbergen (deze running gag werd door de voorstelling heen met een goede timing een aantal keren herhaald); een jongen zong over zijn cruciale (zevende) kinderjaar; er werd met verve gescholden op de zuurgraad van geforceerde gezelligheid; in Vlaams dialect was een prachtig lied te horen over Het Spoor van den Artist - en ondertussen liep het feestmaal volstrekt uit de hand.
Er ging van Bomen een vreemde ontroering uit, ‘een weemoed die niemand kan verklaren’ (om een bekend landgenoot van de Teirlinck-studenten te citeren). Met een kolossaal vakmanschap sloegen de zes performers zich verrassend door een grote reeks nummers heen, die slechts een nadeel kende: ze was te lang. Het theater-adagium kill your darlings is aan dit collectief duidelijk nog niet besteed. Als het een poosje doorwerkt (onder het kritisch oog van een regisseur), kan Bomen het volgend seizoen wat mij betreft zo op tournee.
Dat geldt eveneens voor Tevengebroed, een toneelbewerking van Het dikke schrift, debuutroman van de Hongaarse schrijfster Agota Kristof. Het dikke schrift bevat het in 63 korte hoofdstukken opgetekende relaas van een naamloze tweeling, die leeft in een door oorlog verscheurd land. Om zich te handhaven in een omgeving waar geen wet meer telt, oefenen de twee jongens zich in gevoelloosheid, leren ze op niets en niemand meer te vertrouwen, behalve dan op elkaar en op zichzelf.
Acteur/regisseur Bart Klever begeleidde in deze (collectief geschreven) toneeladaptatie van het boek vier afzwaaiende acteurs aan de Amsterdamse Toneelschool, die de snel op elkaar gemonteerde scenes energiek speelden, slechts af en toe onderbroken door Bulgaarse, a capella gezongen liederen. Afwisselend speelden alle acteurs de tweeling, daarnaast namen ze ieder enkele bijrollen voor hun rekening: de grootmoeder, de officier, de pastoor, het dienstmeisje van de pastorie, het buurmeisje 'Hazelip’.
De vertolking van de tweeling was mooi strak, hard, vertellend - perfect aansluitend op de stijl van het boek. De antagonisten werden getoond via lichte fysieke vervormingen, door een bril op te zetten, een taalhandicap te simuleren. Het speelvlak was kaal, op een bed na (dat op zijn kant gezet als gevangeniscel diende). Locatieveranderingen werden gerealiseerd via sfeervolle licht-changementen.
Al deze ingredienten zijn dienstbaar gemaakt aan maar een ding: het gruwelijke verhaal van de twee jongens zo effectief mogelijk te vertellen. En dat lukte Daniel Boissevain, Casper Gimbrere, Ruben Lursen en Martijn Nieuwerf wonderlijk goed. Ze bewaarden een heilzame afstand tot de stof, vervielen niet in emotionele flauwekul of illustratief acteren. De a-capella-zang (die de voorstelling af en toe wel erg sacraal maakte) werkte op een plezierige manier vervreemdend, zette ons als toeschouwers evenzeer op afstand, schiep ruimte om niet zozeer nieuwsgierig te zijn naar de afloop, eerder naar het verloop van de handeling. Regisseur Bart Klever (dit is zijn tweede Toneelschool-regie, vorig seizoen begeleidde hij een paar van deze spelers in Giovanni’s Room, ook een romanbewerking) heeft het geheel bekwaam in banen van ritme, timing, muzikaliteit en een heldere mise-en-scene geleid. De vijf zoeken een producent om in het voorjaar van 1995 een korte tournee met Tevengebroed te maken. Dat moet te doen zijn. Deze volwaardige theaterproduktie verdient het door velen gezien te worden.