Fenomenologie van de Gutmensch

Colporteur van de juiste opvattingen

Waarom is de moderne uitvoering van de barmhartige Samaritaan verdacht? Omdat heiligheid, bij nadere inspectie, vaak ook schijnheiligheid inhoudt.

Medium 15 12 20gutmensch

Kan naastenliefde een verdachte deugd zijn? Ja, zeggen sommigen. Voor hen is de grootste plaag van deze tijd de Gutmensch: vleesgeworden pastiche op echte naastenliefde, voorzien van Duits substantief zodat niemand de pejoratieve betekenis ontschiet. Gutmensch! Alleen al de striemende, afgemeten klank van het woord verraadt dat het om iets lelijks gaat.

De belangrijkste afbakening is dat de Gutmensch meer een soort of een archetype is dan een echte mens. Voorzover iemand een Gutmensch genoemd kan worden moet zijn houding of gedrag overeenkomen met een abstractie; andersom werkt het niet. Gutmenschen zijn, met andere woorden, eerst en vooral het product van de verbeelding; ze zijn het zinnebeeld van een barmhartige Samaritaan wiens naastenliefde tot zo’n omvang is gezwollen dat de deugd niet langer deugdzaam is.

De Gutmensch is, volgens de mensen die het woord als veroordeling bedoelen, de drammerige wereldverbeteraar die uit naam van een schijnbaar humanistisch streven de kanker is in het lichaam van de samenleving. Het zijn mensen die uit naam van het goede het slechte doen, en die zich niet laten tegenspreken, omdat ze het monopolie denken te bezitten op de moraal. De Gutmensch is een verrader, een collaborateur en een huichelaar; het soort mens wiens klaarblijkelijke verhevenheid in werkelijkheid een soort morele degeneratie inhoudt.

Gutmensch is een schimpwoord dat afkomstig is uit het reactionaire en revanchistische vocabulaire – toehorend aan mensen die, zoals Casper Thomas recent opmerkte, geen wereldbeeld hebben, maar een vijandbeeld. De Gutmensch vertegenwoordigt voor hen alles wat er mis is met de politieke cultuur van een land. Zij vrezen de totale kladderadatsch, de ondergang ingeluid door – zoals een Duitse scribent zei – Verräter im Namen der Liebe. In de meest verschrikkelijke uitvoering zien Gutmenschen terroristen als slachtoffer, zijn ze te zacht tegen straattuig en vinden ze iedere minderheid eerst en vooral zielig.

De Gutmensch maakt sinds een klein decennium zijn opwachting in het Nederlandse taalgebruik, na over te zijn komen waaien uit Duitsland. Daar was het woord in de jaren negentig afgestoft, bedoeld als kritiek op wat door schrijver Klaus Bitterman ‘bezorgdheidjargon’ en ‘ethiek-kitsch’ werd genoemd. Het was Karl Heinz Bohrer die het woord tot leven wekte in een essay uit 1992 in Merkur, waarin hij voorstelde om een kritisch ‘woordenboek der Gutmenschen’ samen te stellen – als satire op het Wörterbuch des Unmenschen, waarin Dolf Sternberger het nazivocabulaire analyseerde.

De Gutmensch was, in andere woorden, een sociaal type dat ten tonele verscheen in het tijdperk van de politieke correctheid, het sensitiviteits-overschot dat al te klamme en verstikkende vormen begon aan te nemen in aanloop naar de millenniumwisseling.

Sinds dat moment van bevrijdend-kritische spotternij neemt het ongemak in Duitsland echter toe. Het klamme juk is afgeworpen, maar deugt het woord (nog)? Is het niet gekaapt door fanatici met ongure ideeën?

Wie nu nog iemand van gutmenscherei beschuldigt, verdient de volle laag, schreef Matthias Heine eerder dit jaar in Die Welt. Geen toerekeningsvatbaar mens, vond hij, zou het woord moeten gebruiken. Het is gaan behoren tot het vocabulaire van revanchistisch rechts, afgevuurd op iedereen die vraagtekens durft te plaatsen bij de daar gecultiveerde ‘paranoia’. Gutmensch, stelt Heine, zeggen nu nog ‘alleen nazi’s en idioten zonder talige verfijning’.

Of de echte nazi’s zich ook van het woord bedienden is onderwerp van discussie in Duitsland; hier en daar wordt gefluisterd dat Goebbels ermee op de proppen kwam om nazi-onvriendelijke preken vanaf de kansel onschadelijk te maken. Het woord ontbreekt echter in het Vokabular des Nationalsozialismus, dat gold als standaardwerk van naziterminologie. Maar zelfs als de term door de nazi’s zou zijn bedacht, dan nog moet voor de betekenis van nu eerder ergens anders worden gekeken – verder terug in het verleden, om te beginnen, maar ook in andere talen. Om meer grip te krijgen op de Gutmensch van nu is het denkelijk raadzaam om nog wat langer te kijken naar de Gutmensch uit de geschiedenis.

Het eerste hedendaagse (en gepopulariseerde) gebruik van het woord Gutmensch is te vinden bij Nietzsche. In zijn De genealogie van de moraal schrijft hij ergens over ‘guten Menschen’, die tot in het diepst van hun wezen door moralisme zijn verdord. Wat volgt is Nietzsche’s grote afrekening met de kreupele slavenmoraal – weg met de schapen, lang leve de adelaars!

De oorsprong van het woord ligt echter nog verder in het verleden, minstens in de achttiende eeuw. Het is moeilijk te zeggen wanneer, bij wie, en ten slotte in welk fragment de Gutmensch het eerst opduikt, maar men neemt aan dat Goethe er iets mee van doen heeft. In het komische rijm Gutmann und Gutweib duikt een soort oerversie van de Gutmensch voor het eerst op.

Goethe’s gedicht is vrij eenvoudig. Een echtpaar, Gutmann en Gutweib, ligt in bed als een hevig loeiende decemberwind de deur openrukt. Geen van beiden heeft zin de grendel voor de deur te schuiven, dus spreken ze af dat de eerste die praat de klus moet klaren.

Hij is evangelisch over zijn opvattingen en beschouwt ze als erfgoed dat is verworven door eeuwen van schade en schande

Niet lang daarna wandelen twee reizigers (verdwaald) het huis binnen, roepen of er iemand is, en doen zich, als het antwoord uitblijft, te goed aan de pudding die Gutweib eerder op de avond gemaakt heeft. Gutmann en Gutweib geven nog altijd geen kik. Als na de pudding de schnaps er echter aan dreigt te gaan, springt Gutmann uit bed en schreeuwt dat de twee reizigers daarvoor zullen moeten betalen. Gutweib, op haar beurt, kirt het uit van vreugde; ze hoeft de grendel niet voor de deur te schuiven.

Goethe’s Gutmenschen zijn dommig, lui en niet erg doortastend – en ze lijken maar weinig op de Gutmensch van nu. Het belangrijkste punt waarop ze verschillen van de moderne uitvoering is dat ze zich niet in het publieke domein begeven. Ze maken alleen passief deel uit van de gebeurtenissen (de verdwaalde wandelaars komen hun huis binnen), en wat ze doen raakt geen publiek belang; er is geen interactie met de wereld. Hun gutmenscherei komt neer op onbenulligheid waarmee ze slechts zichzelf tot last zijn, maar die verder zonder consequenties blijft. Goethe laat ons lachen – en dat is alles.

Precies daarin zit het grote verschil met nu. De Gutmensch van Goethe was een witz, zijn hedendaagse tegenhanger is een j’accuse. De belangrijkste eigenschap van de moderne Gutmensch is zijn betrokkenheid bij het publieke domein. Deze Gutmensch maakt deel uit van de collectieve ideeënstrijd van de democratie. Hij bevindt zich tussen de talloze beelden die worden aangeroepen ter rechtvaardiging van een of ander standpunt.

In tegenstelling tot Goethe’s Gutmann und Gutweib gaat het niet meer over een echtpaar in de beschutting van hun slaapkamer, maar om een type dat symbool staat voor een complex van ideeën en morele keuzes in de publieke ruimte.

Dat publieke element is relevant. Goethe’s Gutmann en Gutweib zouden tegenwoordig nooit van gutmenscherei worden beschuldigd. Voor een deel komt dat doordat ze niet aan het platoonse ideaal voldoen, maar belangrijker is dat het bereik van hun handeling niet van invloed is op anderen. Dat is de crux. De geboorte van de Gutmensch in zijn moderne verschijning is onlosmakelijk verbonden met het ontstaan van een ruimte waarin de waarden en de cultuur van een politieke gemeenschap (de stad, de natie) betwist kunnen worden door citoyens die de betreffende ruimte constitueerden. De moderne Gutmensch verschilt, met andere woorden, van Goethe’s sullige echtpaar in de zin dat hij een politiek wezen is.

Het maakt de Gutmensch tot bijverschijnsel van de moderne democratie, die langzaam ontstaat in de tweede helft van de negentiende eeuw. Gutmenschen doen zich gelden als lid van de polis. Ze zijn citoyens, ontevreden met het comfort van de eigen leefwereld alléén, en met het verlangen de wereld buiten zijn directe invloedssfeer te kunnen vormen. De moderne Gutmensch is niet langer uitsluitend privé-persoon. Hij maakt zichzelf, zijn ideeën, zijn standpunten, en ten slotte zijn waarden onderdeel van de publieke ruimte, waarin het ook kan voorkomen dat ze worden aangevallen.

Maar de Gutmensch is zelfs nog iets meer dan alleen iemand die zich als actieve burger in de publieke ruimte begeeft. Naast de geboorte van de moderne democratie was er een tweede verschijnsel dat de geboorte van de Gutmensch begeleidde. De Gutmensch moet bestreden worden niet alleen omdat hij er onuitstaanbare politieke opvattingen op nahoudt, maar omdat hij op de een of andere manier invloedrijk is. Achter de aanklacht gaat de angst schuil dat een Gutmensch die niet wordt aangevallen schade kan aanrichten die verder reikt dan het uitbrengen van zijn stem tijdens verkiezingen, of een ingezonden brief naar de krant.

Meestal is de Gutmensch een lid van een zekere maatschappelijke elite, breed gedefinieerd. Hij is, hoe klein ook, iemand die een podium zoekt – een politicus of pamflettist, een journalist of een clown, een columnist of een prediker – iemand met een zekere maatschappelijke status, die uit naam van die status een grotere stem in het publieke debat opeist (of min of meer vanzelf wordt toegekend) dan de eerste de beste heeft.

In de klassieke studie Birth of the Intellectuals (recent voor het eerst verschenen in Engelse vertaling) analyseerde de historicus Christophe Charle hoe, aan het einde van de negentiende eeuw in Frankrijk, een nieuw type ten tonele verschijnt: dat van de (publieke) intellectueel. Het was de Dreyfus-affaire die de directe aanleiding creëerde voor het opstaan van die figuur. De oorzaken voor het feit dat de intellectueel op precies dat moment zijn opwachting maakte, duidt op een aantal dieperliggende redenen. De belangrijkste voorwaarde was een crisis in de legitimiteit van oude elites.

De geboorte en opkomst van de moderne intellectuel in Frankrijk, schrijft Charle, ‘was het resultaat van een nieuwe vorm van werving van maatschappelijke elites’. Die nieuwe elite kwam tot wasdom in een periode waarin het gezag van de oude, gesloten elites langzaam afbrokkelde.

De methoden die de intellectuelen gebruikten waren weliswaar niet nieuw (pamfletten verschenen sinds lang voor de Franse Revolutie, en ook het publieke schandaal was een beproefd middel), de noviteit in het debat over de Dreyfus-affaire was de bijzondere status die door de intellectuelen werd opgeëist, en die, zoals Charle schrijft, meteen inzet werd van een hevig debat, niet alleen over de visie en de overtuigingen van de dreyfusards, die de strijd waren begonnen, maar ook over hun bevoorrechte status als elite met politieke macht (de intellectueel, moet worden opgemerkt, is in deze context politiek onzijdig: hij kan zowel links als rechts zijn). Charle beschrijft hoe een permanente strijd ontstond om wie recht van spreken had, en waarop dat recht was gebaseerd.

Paradoxaal genoeg zorgde het nieuwe ideaal van de intellectuele elite ook voor het eerst voor de moderne dichotomie tussen de bestuurdersklasse enerzijds, en de (Charle benadrukt: zelf-gerekruteerde) intellectuelen aan de andere kant. Zij die zich opwierpen als hoeders van de publieke moraal, de intellectuelen, raakten op afstand van de werkelijke macht. In het vervolg was de intellectueel eeuwig de horzel op de kont van de gemeenschap, altijd de buitenstaander. Zijn metier is het publieke debat, zijn instrument de megafoon die hij omhoog houdt, en waardoor hij spreekt tot iedereen die luisteren wil.

Hij is te klein om zelfstandig op het podium te staan maar maakt zich groot genoeg om ook niet volledig onopgemerkt te blijven

De nieuwe status aparte van de intellectuelen en hun aspiratie om een elite te vormen, veroorzaakte meteen strijd over het bijna onvermijdelijke conformisme dat ook meteen de kop opsteekt als een nieuwe elite wordt gevormd. In die context ontstond ook de Franse pendant van het Duitse Gutmensch: de bien-pensant.

Het is Georges Bernanos die in enkele decennia na de Dreyfus-affaire het Franse equivalent van de Gutmensch munt. Bernanos publiceerde in 1931 La grande peur des bien-pensants, een pamflet dat het midden hield tussen een aanklacht tegen wat hij beschouwde als verstikkend conformisme onder de intellectuelen, en een hagiografie van de door hem hevig bewonderde Edouard Drumont. Drumont was een overtuigd antisemiet en de fanatiekste van de anti-dreyfusards. Bernanos bewonderde hem, niet alleen om zijn standvastigheid, maar ook als leermeester. Drumont voorzag Bernanos van de bouwstenen voor zijn eigen antikapitalistische en antimoderne antisemitisme.

In zijn jeugd was Bernanos actief bij de reactionaire politieke beweging Action Française, onder leiding van Charles Maurras. Bernanos was een doctrinaire katholiek die zijn geloofsgenoten de maat nam als hij vond dat ze compromissen sloten met de moderne wereld. La grande peur des bien-pensants is een oefening in de kitscherige nostalgie naar de Middeleeuwen, en een uitstorting van diepgeworteld ressentiment tegen de ‘progressieve’ elite van bien-pensants. Bernanos hield hen verantwoordelijk voor de morele en spirituele degeneratie van Frankrijk, onder meer door voortdurende collaboratie met het geestelijke jodendom.

Bernanos realiseerde zich op tijd het gevaar van het fascisme en nationaal-socialisme en verruilde Frankrijk aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voor Brazilië, van waar hij het Vichy-regime bekritiseerde. Hij vond echter ook dat Hitler het antisemitisme ‘een slechte naam had bezorgd’, en bleef tot aan zijn dood vasthouden aan zijn overtuigingen.

Afgezien van zijn antisemitisme is het register waarin Bernanos schrijft eenvoudig herkenbaar – ressentiment tegen bien-pensants is steeds salonfähiger.

Geen democratie zonder elite die zich opwerpt als spreekbuis van een of andere politieke beweging, geen democratie zonder bien-pensants en Gutmenschen. Zoals de Gutmensch in Duitsland terugkeerde in het politieke taalgebruik, zo duikt de bien-pensant in Frankrijk ook op, in de eerste plaats bij het Front National. Wat het gebruik van Gutmensch in Nederland betreft: dat is schatplichtig aan zowel de Franse en de Duitse traditie.

Waarom is de moderne uitvoering van de barmhartige Samaritaan verdacht? Omdat hij niet alleen hulpvaardig is, maar ook stichtelijk? Gutmenschen zijn noch volledig anoniem, noch volledig publiek. Het is een menstype dat onlosmakelijk verbonden is met de democratie – zeker de democratie aan het begin van de 21ste eeuw, die de drempel om ergens publiekelijk een mening over te verkondigen volledig heeft weggenomen.

Dat juist nu de Gutmensch zich weer opricht is niet toevallig. Door de democratisering van de media zijn de oude bastions van de elite opengegooid; er is een nieuwe publieke ruimte ontstaan buiten de journalistieke media die nog altijd werken met poortwachters. Alle rollen moeten opnieuw onderhandeld worden – die van de elite allereerst, maar ook die van de citoyen, als consequentie van het feit dat als hij zichzelf voortdurend kan uitspreken in een publieke ruimte ook zichzelf ineens kan aantreffen in het midden van controverse.

De Gutmensch is een figurant in tijden van grote beroering. Niet voor niets schrijft Charle in de nieuwe conclusie voor de Engelstalige editie dat de rol van de intellectueel vis-à-vis de samenleving sinds de vroege jaren negentig een haast universeel vraagstuk is geworden, waarvan het fanatisme in de tegenstellingen duidt op een gelijksoortige existentiële crisis als in het fin de siècle in Frankrijk.

Heeft een woord met een voorgeschiedenis als bien-pensants (het moderne Gutmensch betekent vrijwel hetzelfde) bruikbaarheid? Waarom duikt het voortdurend op in de meest radicale kringen? Waarom wordt hij met de energie van de Spaanse inquisitie vervolgd? Is er überhaupt iets te zeggen voor het antoniem van de Gutmensch – het menstype dat voor de oplossing van welk probleem dan ook het liefst naar de politieknuppel grijpt?

De schrijver Max Scharnigg stelde in de Süddeutsche Zeitung dat het wonderlijk was dat de grote ‘crisis van het Avondland’ op het conto van hen wordt geschoven die hun best doen om hulpvaardig te zijn. ‘Probeer een kind maar eens uit te leggen waarom de Gutmensch als verdachte geldt.’

En toch, de verdediging van Scharnigg ten spijt, is er iets buitengewoon onaantrekkelijks aan de Gutmensch. De moderne Gutmensch combineert de gestalte van de kleine burger met de clichés van de bien-pensant – het is het ultieme zinnebeeld van de niet-oorspronkelijke (maar daarom niet minder van zichzelf overtuigde) colporteur van de juiste opvattingen. Hij is te klein om zelfstandig op het podium te staan en een stempel achter te laten op zijn tijd, maar maakt zich groot genoeg om ook niet volledig onopgemerkt te blijven. Hij is evangelisch over zijn opvattingen – de juiste opvattingen – en beschouwt ze als erfgoed dat is verworven door eeuwen van schade en schande en geronnen bloed. Het is aan hem om het te beschermen.

Tegenover zijn tegendeel wordt de Gutmensch bijna sympathiek – bijna. Want hoe weerzinwekkend zijn revanchistische lasteraar ook is, de Gutmensch bezit eveneens iets afstotelijks. Wellicht is dat het onaantrekkelijke besef dat heiligheid, bij nadere inspectie, vaak ook schijnheiligheid inhoudt, en dat naastenliefde die steeds weer publiekelijk wordt beleden soms een dun masker is voor individuele schraapzucht.

Tegelijkertijd, en dat is de tragedie, is in de politiek de hoogst haalbare luxe vaak hoogstens te mogen kiezen tussen twee bijna even afstotelijke opties, waarbij de net iets minder afstotelijke optie het dan maar moet worden. Gutmensch! Zijn door haat geïnfecteerde tegendeel blijft, uiteindelijk, toch minder aantrekkelijk.