Hofland, de observator (1927-2016)

Columnist met twee harten

H.J.A. Hofland krijgt op 16 mei de P.C. Hooftprijs uitgereikt. Na decennia van hoogtepunten zien we hem nu nog steeds elke week: de welingelichte columnist, in wie zowel een klassieke commentator huist als een aangebonden ziel.

Medium hh 02239465

Vlak voordat Henk Hofland de Gouden Ganzenveer ‘achter het oor gestoken’ kreeg, halverwege de jaren negentig, schreef toenmalig hoofdredacteur Martin van Amerongen in De Groene Amsterdammer een profiel over hem, 'H.J.A Hofland, courantier’. Het artikel begon met een gedicht, geciteerd uit Martin Veldmans De zaken en de Dood (1980):

'Soms, vroeger, in cafés trof ik hem aan.

Maar een discours heb ik nooit opgedrongen.

Integendeel, wij gaven onomwonden elkaar het een en ander te verstaan.

Toch, wonderlijkerwijs, wanneer spontaan

de stad hem ophoest uit haar grijze longen,

voel ik de adem van een nooit bedongen

verbond etherisch door de avond gaan.’

Zo ging het nog iets verder. Een onuitgesproken band tussen rivaliserende mannen, die zich, older and wiser, 'verheffen boven een oud zeer van hanige tweedracht’ - om met eindrijm te besluiten: 'Fraterniserend ruist de goede nacht’ - en in het aangezicht van de dood, tot elkaar komen. Het was niet zo'n lief profiel als het gedichtje zou doen vermoeden. Jawel, Van Amerongen noemde Hofland 'een levend monument in de vaderlandse journalistiek’, maar besteedde de rest van het stuk aan zijn tekortkomingen, hoe zijn hoofdredacteurschap van het Algemeen Handelsblad onder zijn voeten vandaan was gegleden, zijn ruzies en ruzietjes met vakbroeders, bijvoorbeeld met Renate Rubinstein en Jan Tromp, zijn turbulente vriendschap met Willem Oltmans. Hij speelde de rol van zelfverkozen outsider, een journalist onder literatoren en omgekeerd, 'de lone wolf van de Nieuwezijds’, maar wanneer er hommeles was en er een affaire door 'journalistiek/ en of boekenschrijvend Nederland’ jaagde, schreef Van Amerongen, verstopte hij zich in de coulissen.

Casus was een stuk dat Hofland had geschreven toen een fusie dreigde tussen de Perscombinatie (nu PCM) en de Nederlandse Dagblad Unie, tot grote onrust van de meeste hierbij betrokken journalisten. Zijn betoog was opgemaakt als Zola’s J'accuse!, paginagroot op het omslag van het Zaterdagbijvoegsel, onder de kop 'Er wordt met ons gesold’. Bij teruglezing trof Van Amerongen 'formuleringen van elastiek’ die de vermaledijde directie slechts met handschoenen aanpakte, om tot de conclusie te komen: 'Op dit soort momenten kiest Hofland instinctmatig voor de Welingelichte Kringen of voor de man die zijn declaraties tekent.’

Inmiddels is Martin van Amerongen overleden, volgend jaar mei tien jaar terug, maar H.J.A. Hofland blijft het een onzinstuk vinden: 'Een stinkstuk.’ Elke maandagochtend komt hij bij De Groene over de vloer, in een vers gesteven overhemd en een blauw jasje, makkelijke schoenen. 'Dag jongens en meisjes.’ Er is altijd wel iemand die met plezier voor hem het espressoapparaat en de melkschuimklopper bedient. Hij neemt met gemak, of 'kwiek’, de trappen naar de hoofdredactrice, waar, in theorie, alleen hij mag roken, en bespreekt zijn column voor die week. Hij startte die column toen Van Amerongen al ziek was, begin van dit millennium, en Sander Pleij en Joeri Boom plaatsvervangend de hoofdredactie op zich namen.

Voor die tijd liep hij Van Amerongen wel eens tegen het lijf. Van Amerongen had hem er zelfs van tevoren op geattendeerd dat hij een omslagverhaal aan hem zou wijden. De vileine toon had hem overvallen. De opmerkingen over 'Er wordt met ons gesold’ waren onder de gordel, omdat Van Amerongen zich bewust niet in Hoflands positie had verdiept. Natuurlijk was zijn stijl ingetogen, want als hij 'de rode vlag had uitgedaan en met granaten was gaan gooien’ was de vertrouwensband met de directie finaal geploft. Kort daarna kwam hij Van Amerongen tegen op straat: 'Je neemt het me toch niet kwalijk, hè Henk?’

Wat een verschil met de wereld van nu, waarin je nog bijna uitsluitend hagiografieën over Hofland leest. Eind vorig jaar werd bekendgemaakt dat Hendrik Johannes Adrianus Hofland de prestigieuze P.C. Hooftprijs krijgt voor zijn essayistiek. Uit het juryrapport: 'Niemand hier te lande heeft de afgelopen zestig jaar zo nauwlettend en tegelijk zo gedistantieerd, zo scrupuleus en tegelijk met zoveel sprezzatura, én met een van ijzeren discipline getuigende volharding en continuïteit de maatschappelijke toestand gepeild.’ Op 16 mei wordt de prijs aan hem overhandigd. Bij de bekendmaking haastten de commentatoren zich om te zeggen dat inderdaad, al stond hij niet boven aan het bookmakerslijstje (Geert Mak, Willem-Jan Otten), hij hem al lang had moeten krijgen. Kort daarna schreef literair criticus Arjen Fortuin in NRC Handelsblad dat elke journalist van de krant het moment tegenkomt dat hij of zij oog in oog staat met de 'Journalist van de eeuw, de auteur van het legendarische Tegels lichten, en dan blijkt de “eminente analyticus” onder collega’s met groot genoegen een heel andere rol te spelen: die van vriendelijke ouwe gek’.

Fortuin ging nog verder door uit te leggen dat Hofland het als zijn voornaamste taak leek te zien om iedereen op het verkeerde been te zetten, door op kantoor een luchtbuks af te schieten, of een van zijn zelfgeknutselde machines te tonen.

Hofland als onaangepaste wijsgeer, 'bijna 84 maar nooit opgegroeid’. Zoiets. Het is een rol die hij met verve speelt, in interviews en op televisie. Maar het is precies dat: een rol.

Want: 'Vriendelijk’? Zeker. 'Oud’? Nou en of! 'Gek’? Dan lees je zijn columns niet.

De biografische gegevens mogen bekend worden verondersteld. Geboren in 1927, inderdaad, net als Jan Blokker en Harry Mulisch, het triumviraat dat de naoorlogse Nederlandse letteren vormgaf, en elk kroonjaar prominent werd geïnterviewd in Vrij Nederland. Opgegroeid in Rotterdam. Keurige familie. Hij zag het bombardement op de havenstad en groeide op tussen de puinhopen. Dat gegeven, de Bildungsjaren in de bezetting, is nog steeds de inzet van vrijwel alle interviews die je met hem leest, zoals de media er ook geen genoeg van konden krijgen om Mulisch te horen zeggen hoe hij 'de oorlog was’. Het is Hoflands eigen schuld; hij legt nu eenmaal duidelijk uit hoe de oorlog zijn denkraam werd, laatst nog in Vrij Nederland: 'Jan, Harry en ik hebben dat voortdurend geprobeerd het Nederlandse volk aan het verstand te brengen; als je je puberteit in de oorlog hebt meegemaakt, heb je principieel een andere opvoeding dan wanneer je ouder was of jonger. Ga maar na wat het met je doet als je tussen je twaalfde en je zeventiende de hele maatschappij uit mekaar ziet vallen, met als apotheose de Hongerwinter, als het werkelijk chaos is. En dan getuige ervan te zijn dat de oudere generatie de restauratie probeert te vestigen; dat gaat er niet meer in. We lieten ons niet langer belazeren.’

Na de oorlog studeerde hij aan Nyenrode, ging in militaire dienst, diende in Indonesië, en ging in 1953 aan de slag bij van het Algemeen Handelsblad, waar hij het eind jaren zestig zelfs tot hoofdredacteur schopte. Waar die oorlog zijn denkraam was, zo kun je je voorstellen dat die jaren vijftig zijn schrijverschap bepaalden. In 1955 ging Hofland voor het eerst het Oostblok in, op uitnodiging van de Tsjechoslowaakse Volksrepubliek. Een jaar later brak de opstand in Hongarije uit, en vertrok Hofland per Volkswagen richting Boedapest. Na duizend kilometer stopte hij in München, moe, hongerig. Hij haalde een 'bibob mit brötchen’ in een restaurant, dat aan een filmtheatertje vastzat. Hij ging de bioscoopzaal en zag voor het eerst Bertolt Brechts Dreigroschenoper en was verkocht. De dag daarna reed hij door richting Boedapest en keek in een buitenwijk eerst eens voorzichtig rond. Trams lagen op hun kop, straten lagen open - net de oorlog in Nederland. Tot zijn verbazing kwam een autootje met Nederlands kenteken aangereden. Cees Nooteboom stapte uit. 'Waar ga jij naartoe?’ vroeg Nooteboom. 'Naar Boedapest!’ antwoordde Hofland. 'Zou je dat wel doen?’ Natuurlijk. Hofland bleef tot de Russen weer de baas werden, begin november.

Je ontkomt toch bijna niet aan de gedachte dat dat eerste naoorlogse decennium hem net zo goed heeft gevormd. Wat zijn stukken uit die tijd kenmerkt is een enorm besef van vrijheid, van een vanzelfsprekende bewegingsruimte in een nieuw Europa. De artikelen en reportages (veelvuldig gebundeld) zijn een aaneenschakeling van ontmoetingen en avonturen, vaak op geluk begonnen. Het is het Europa waarin, in de woorden van Harold Macmillan, 'most of our people have never had it so good’. De economie trekt aan, supermarkten liggen weer vol, er wordt meer gereisd dan ooit en kranten investeren met correspondenten en reisreportages in de enorme interesse voor het buitenland. Het is het Europa dat weer begint te verschuiven, politiek en cultureel, zich klaarmaakt voor de jaren zestig.

Dit was ook de periode dat hij bevriend raakte met Vijftigers als Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Remco Campert; zijn meest vileine essays verschenen niet in het Algemeen Handelsblad, maar in Tirade of Podium. Zoals Europa van haar vrijheid begon te genieten, uit de culturele dwangorde stapte, zo begon Hofland meer buiten het journalistieke genre te schrijven. (In de kerstbijlage van Het Parool, vorig jaar: 'Ik ben kort na de oorlog begonnen als romancier. Ik had De avonden gelezen, een prachtig meeslepend boek. Ik dacht: weet je wat, ik ga ook zo'n roman schrijven. Dat heb ik gedaan. Mijn vader was ontzettend trots en heeft het manuscript laten inbinden. De eerste druk verscheen in een oplage van twee exemplaren: één voor de auteur, en één voor zijn vader. Sinds het overlijden van mijn vader heb ik beide exemplaren bij mij thuis in de boekenkast staan.’) Ondanks een handvol romans (De Alibicentrale (1990) wordt als zijn beste gezien) blijft de non-fictie zijn vakgebied, waarbij hij de grenzen van het genre opzoekt. Het meest voorbeeldige is waarschijnlijk Het kruiend wereldbeeld, uit 1987, een lang reisverslag van een paar weken in het Oostblok: Oost-Berlijn, Praag, Warschau, Moskou. Hofland bezoekt hoogleraren en schrijvers, bakkeleit met grensbewakers, staat in de rij bij het mausoleum van Lenin aan het Rode plein, waar een soldaat hem sommeert zijn jas dicht te knopen, respect! - 'Ik ging de trap af, het schemerdonker in, nog twee trappen - na het scherpe voorjaarslicht bijna duisternis - en toen: de felverlichte glazen kist met het stoffelijk overschot van de man die de wereld heeft veranderd. Zijn onmiddellijk herkenbare gezicht, donker pak en das, de handen naast het lichaam, kleiner dan ik me had voorgesteld en onwaarschijnlijk bleek. Geen dode, dacht ik. Een abstractie uit de wereldgeschiedenis.’

Het kruiend wereldbeeld is van de hoogste literaire kwaliteit die je in de non-fictie kunt vinden. Het overstijgt de reisreportage door de eerstehands beelden en de bevindingen steeds te spiegelen aan de ontwikkelingen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn, uit actuele boeken en documentaires over de Amerikaanse politiek en cultuur; het overstijgt de journalistiek door literair, humanistisch de staatsdiscipline bij grensposten tegenover de normale menselijke omstandigheden te zetten ('Ook in het Warschau Pact genieten mensen van twee vrije dagen’); het overstijgt de literatuur doordat het ook nog eens een voorschot neemt op de naderende implosie van de Sovjet-Unie.

Zelf noemt Hofland drie schrijfvoorbeelden: Menno ter Braak, W.F. Hermans en Louis-Ferdinand Céline. Maar invloed werkt niet op de mimetische of de overdrachtelijke manier zoals critici vaak denken. Hofland heeft nooit de harde, kale, bijna botte oneliners van Hermans nagestreefd. In plaats daarvan lees je, zeker in zijn langere essays over politici & voorlichters, schrijvers & uitgevers, een hermansiaanse aandacht voor menselijke onhandigheid, voor plannen die van meet af aan gedoemd zijn te mislukken. Ter Braak oefent zijn invloed nog het meest op intellectueel niveau uit, en hoewel Hofland niet gelooft dat het populisme van de PVV en op nujij.nl een intrinsiek fascistisch karakter heeft (in Vrij Nederland: 'Een Wildersjugend? Verplicht lidmaatschap van de Hero Brinkmanjeugd?’), is een van de boeken die hij het meest noemt Ter Braaks Het nationaal-socialisme als rancuneleer (1937).

Meer direct dringt zich bij lezing van zijn essayistiek de vergelijking met Rudy Kousbroek op. De twee kenden elkaar, in de jaren zestig waren ze kind aan huis bij hetzelfde café, Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Beiden hanteren een stijl die wisselt tussen intellectuele ironie en satirische bravoure, waarin de Grote Onderwerpen (oorlog, kampen) even aandachtig worden behandeld en ontleed als de kleinere zaken, bijvoorbeeld stront (Hofland), de aaibaarheid van een poes (Kousbroek), of het genoegen van een vrouw om door een zwarte man te worden nagefloten (Hofland). Daarbij hadden de twee graag uitstapjes naar speelse technische verhandelingen, Hofland met zijn doe-het-zelf-knutselboeken, Kousbroek met zijn theoretische bouwmodellen voor het ultieme dier.

(De vriendschap met Kousbroek hield geen stand. Toen Kousbroek ziek werd (en uiteindelijk vorig jaar april overleed) belde Hofland hem nog op:

'Hallo?’

'Met Henk.’

'Je weet dat jij en ik ruzie hebben, Henk. Courage!’ - en Rudy hing op.

'Courage? Wat nou courage? Jij courage! Maar het intens droevige is, dat ik tot de dag van vandaag nog steeds niet weet waar die ruzie over ging.’)

Met die speelsheid waren Hofland en Kousbroek kinderen van hun tijd, die van de democratisering van het nieuws, de ontwikkeling dat de krant (en het tijdschrift) zich minder ging opstellen als Meneer, die keurig en hiërarchisch het nieuws overzag, maar juist zijn eigen onderwerpen ging zoeken en zijn auteurs ook losliet buiten de urgente actualiteit. In de jaren zeventig, toen Hofland hoofdredacteur-af was (en hij de bestseller Tegels lichten op zijn naam had), ontwikkelde de column zich tot populaire buitencategorie in de krant, met mensen als J.L. Heldring en Jan Blokker die van de 'kwaliteitscolumn’ spraken. Dat is de Hofland die we nu nog steeds zien, elke week, in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad: de welingelichte columnist, waarin twee harten kloppen. De ene is van de klassieke commentator, die de wereld overziet en een analyse geeft. De ander is van de aangebonden ziel, die net zo makkelijk over de Nieuwezijds Voorburgwal als door Central Park zwerft en welwillend de kleine, dagelijkse dingen observeert - 'het plankton van de geschiedenis’ in de woorden van Geert Mak.

Die democratisering is nooit popularisering, of trivialisering geworden. In tegenstelling tot de recentste lichting columnisten gebruikt Hofland de column zelden voor ik-doeleinden. Je kunt, denk ik, Hofland decennia gelezen hebben, volledig vertrouwd met hem zijn, en hem toch niet kennen. Juist het persoonlijk sentimentele vermijdt hij, er komen weliswaar vaker oud-collega’s voorbij, long gone, maar er zijn weinig zijpassages waarin familie of geliefden worden gememoreerd - het is wat dat betreft veelzeggend dat zijn 'Overpeinzingen’ nog altijd gesigneerd zijn met zijn pseudoniem, S. Montag. Zijn columns zijn onderzoekend, betrokken, maar houden een gepaste afstand.

Hij geeft er een mooi beeld voor, in 'Overpeinzingen 1019’ (11 december 1999): 'De columnisten blaffen, maar de karavaan trekt verder. Je ziet het voor je, de stoet kamelen in de eindeloosheid van de Sahara verdwijnend.’

Zelf heeft Hofland een andere lievelingszin in zijn oeuvre, de slotzin van zijn roman Man van zijn eeuw (1993): 'En rijdend heb ik mij altijd het beste gevoeld.’ Over vrijheidsdrang gesproken.


H.J.A. Hofland, De kronieken van S. Montag Nederland 1975-2010, € 19,90
H.J.A. Hofland, Rederij Hofland, € 17,50