Hoofdcommentaar

Columns zijn politiek

De feministische leuze «het persoonlijke is politiek» is definitief omgedraaid. Het politieke is persoonlijk geworden. Wie geen verhalen uit de eigen doos kan opdissen om zijn argumenten te versterken, heeft niets. De ouderwetse trits feit-analyse-mening is vervangen door een tweeluik: ervaring is opinie.

Ook Paul Cliteur, filosoof en rechtshistoricus, is door deze nieuwe dubbelslag bevangen. Om de week spreekt hij zondags via Buitenhof de kijkers toe. Cliteur neemt zijn taak als columnist serieus. Hij zoekt de nuance bij voorkeur niet maar gebruikt liever een vergrootglas. Het genre eist dat. Het debat, een woord dat vaker te onpas dan te pas wordt aangeroepen, ook.

Afgelopen zondag bereikte Cliteur een hoogtepunt. «Jaren geleden heb ik een maand college gegeven aan een universiteit in Ghana», begon hij zijn gesproken column. Waarna hij refereerde aan gesprekken met «Ghanese vrienden» over de Nederlandse normen en waarden in de omgang met criminelen. In Ghana wordt de dief van een mand mango’s met naam en toenaam in de krant gezet. Cliteur vond dat toen in strijd met de privacy van de delinquent.

Zijn Ghanese vrienden moesten daarom lachen. En bleven lachen, ook nadat Cliteur hun in «opperste wanhoop» had voorgehouden dat «onze minister Donner van Justitie en ook de Groningse burgemeester Wallage ertegen zijn dat hele groepen mensen worden gemarginaliseerd». Ter wille van de nuance moeten we even letterlijk citeren. «Burgemeester Wallage stond zelfs in Ghana bekend vanwege stiekeme briefjes met het logo van de stad Groningen aan de liberale fractievoorzitter Van Aartsen. En minister Donner was volgens mijn vrienden de man die telkens als er iets goeds op het terrein van de criminaliteitsbestrijding werd voorgesteld een gezicht trok alsof hij net een hap in een citroen had genomen», aldus Cliteur.

De rechtsfilosoof herinnerde zich zijn korte verblijf in Ghana wegens het voorstel van de Utrechtse korpschef Vogelzang om foto’s van veelplegers publiek te maken. Waarna de slotclaus volgde. «Mijn Ghanese vrienden zouden die korpschef onmiddellijk tot minister van Justitie hebben benoemd. En nu, vele jaren later, ben ik geneigd te denken: daar hebben mijn Ghanese vrienden gelijk in.»

Geen misverstand. De interventie van Wallage was buiten de orde en de inhoud ervan ook anderszins potsierlijk. De fysionomie van Donner heeft eveneens iets weg van een allergische reactie op een citrusvrucht. Maar voor het overige kletste Cliteur uit zijn nek. Enkele jaren geleden was Donner nog geen minister en schreef Wallage geen klikbriefjes aan Van Aartsen die toen bovendien evenmin liberaal fractieleider was. Er is maar één argument tegen de kwalificatie dat Cliteur afgelopen zondag zwetste: namelijk dat zijn Ghanese vrienden enkele jaren geleden al wisten wat er rond de jaarwisseling 2003/2004 in Nederland zou gaan gebeuren. Zo ja, dan wachten we in spanning op een column of liever nog publicatie van Cliteur over de paranormale en profetische gaven van de academische wereld in West-Afrika. Zo nee, dan is Cliteur simpelweg een leugenaar.

Meningsvorming is scherts geworden. «We» weten toch wel wat er aan de hand is. Andere stemmen, die op de rem proberen te trappen, zijn niet meer serieus.

Als het bij geinige parabels zou blijven, zou er weinig aan de hand zijn. Maar sinds een week heeft ook de Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk er zich door laten meeslepen. Als lokaal politicus met landelijke aspiraties heeft hij meegedaan aan het Nationaal Dictee, samen met andere Bekende Nederlanders als schrijfster Heleen van Royen. Wat er na afloop van dit potje spelvaardigheid voor het oog van de natie is gebeurd, weten we. Als bekende vaderlanders onder elkaar hebben ze een glas gedronken en heeft Oudkerk tegenover een geestverwant zijn hart gelucht over de keerzijde van diens publieke bekendheid. Trefwoorden: pornosites, hookers en coke. Ze werden lekker gecondenseerd in een column op zaterdag 10 januari plus bericht op de voorpagina van Het Parool. Want sinds het politieke persoonlijk is, zijn columns nieuws en spelen ze een hoofdrol in het publieke debat.

Vanaf dat moment was Oudkerk, toch al vaak argeloos en roekeloos, de regie kwijt. Zwijgen of spreken, ontkennen noch bevestigen: er was geen touw aan vast te knopen. Dinsdag 12 januari sprak hij uiteindelijk het verlossende woord in een briefje aan burgemeester Cohen. Die had hem aangesproken op zijn hobby om op de gemeentecomputer wandelngetjes te maken langs www.hookers.nl. Pornografische en racistische sites zijn namelijk verboden gebied voor Amsterdamse politici en ambtenaren. Op zichzelf is dat overigens zot. In de Stopera wil men kennelijk niet weten wat er in de krochten van de stad leeft. Het verbod verklaart achteraf waarom het college van burgemeester en wethouders zich een paar jaar geleden liet overrompelen door de taxioorlog. De bestuurders kenden hun vijand niet omdat ze die niet mochten leren kennen en liepen daarom kennelijk permanent achter de feiten aan.

In zijn brief aan Cohen hekelde Oudkerk echter niet deze bepaling, maar verklaarde hij nooit cocaïne te hebben gebruikt, omdat «mensen er recht op hebben te weten dat ik mij als wethouder aan de wet houd». Goed om te weten. Cocaïne is geen onschuldig tijdverdrijf, al denken massa’s er helaas anders over. Maar nog beter zou het zijn te weten of het nog wat wordt met de sociale dienst en het onderwijs in Amsterdam, waarover Oudkerk de scepter zwaait. Dat Oudkerk zich, al kwebbelend met een columniste en rommelend met verklaringen naderhand, naar de rand van het politieke speelveld manoeuvreert, stemt dan ook weinig hoopvol over zijn portefeuille. Weer een paar maanden weggespoeld. De gekte dendert nog even door.