De pelgrimsroute van Santiago de Compostela naar Kaap Finisterre

Comeback kid op de camino

Geen ander christelijk arrangement wist zich zo virtuoos aan te passen aan de wisselende geloofs- en gemoedsstemmingen in de westerse wereld als de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. Maar nu doemt een bedreiging op die zich niet eerder voordeed.

Medium hh 69348093
De kathedraal in Santiago de Compostela, eindpunt van de pelgrimstocht naar het graf van Sint Jacobus, Spanje © Astrid Huis / HH

Rúa dos Concheiros heet de straat waarop ik uitkijk vanuit mijn hotelkamer in Santiago. ‘Schelpverkopersstraat’. Sinds jaar en dag lopen de pelgrims langs deze route de stad binnen. Vroeger stond het er vol kraampjes waar je een Sint-Jacobsschelp kon aanschaffen, het felbegeerde symbool dat je de tocht naar het graf van de heilige had volbracht.

Het is eind september, ik heb expres gewacht tot het naseizoen om de grote drukte te vermijden. Maar dat had ik gedacht. Vanuit mijn raam zie ik een haast ononderbroken stoet de stad binnentrekken. In 1989, toen ik zelf de camino liep, arriveerden er zesduizend pelgrims in Santiago. Onderweg sprak ik in de legendarische pleisterplaats Cebreiro de plaatselijke pastoor don Elias Valiña, die zich een jaar herinnerde waarin niet één pelgrim voorbijkwam. Maar in 2006 kwamen er al honderdduizend pelgrims in Santiago aan. In 2013 werd de tweehonderdduizend gepasseerd, in 2017 de driehonderdduizend. De stijging gaat dus steeds sneller. De camino verenigt jong en oud, ketter en zeloot, tofferik en asceet. En ongetwijfeld zal de stroom blijven wassen: naar Santiago gaan is een ‘zinkend cultuurgoed’ op een globale markt.

Niet al die honderdduizenden zijn overigens ‘unieke bezoekers’, zoals dat tegenwoordig heet. Ik ken nogal wat camino-verslaafden, die jaar in jaar uit de pelgrimswegen bevolken. Mij leek dat niks. Bij alle veranderingen die de Compostela-pelgrimage door de eeuwen heen onderging, bleef immers één punt overeind: het afleggen van de pelgrimsweg betekent een verandering. Een metamorfose, die je maar eenmaal in je leven kunt ondergaan. Dat gold ook voor mij, vond ik, ook al maakte ik mijn pelgrimage in omgekeerde richting en noemde ik mijn boek daarover Pelgrim zonder God (1990).

Maar dit vrome voornemen werd geleidelijk aan door dringende besognes doorkruist. Zo ben ik nu, in september 2017, terug om van Santiago naar Kaap Finisterre te lopen. Inspiratie opdoen voor de nieuwe inleiding van mijn boek. Deze negentig kilometer lange uitbreiding van de traditionele camino heb ik ook in 2007 al een keer verkend ten behoeve van een tv-documentaire. Zodoende ben ik misschien de enige pelgrim die drie keer uit Santiago vertrok maar er nooit is aangekomen.

Ook ik kon dus de lokroep niet weerstaan en werd een comeback kid op de camino. Niet erg consequent, maar die herhaalde bezoeken hebben me wel een goed inzicht opgeleverd in de ongelooflijke veranderingen die de Santiago-pelgrimage de afgelopen tientallen jaren heeft doorgemaakt.

Voor het Oficina del Peregrino, waar je je ‘compostela’ krijgt, het officiële bewijs dat je het hebt gehaald, staat een lange rij. Veel Amerikaans hoor ik en ik zie veel Japanse gezichten. Toen ik in 1989 bij het Oficina aanklopte om mijn pelgrimspaspoort af te halen, werd ik verwelkomd door een strenge kanunnik die me vorsend aankeek of ik de kluit niet belazerde. Nu zit in het achttiende-eeuwse klooster waar het Oficina sinds twee jaar gehuisvest is een batterij meisjes druk te tikken achter beeldschermen en duurt het soms wel drie uur voor je de balie bereikt.

De grote toeloop inspireerde de Nederlandse pelgrimsvereniging om in 2012 een ‘Huiskamer van de Lage Landen’ te openen. Nederlandse vrijwilligers bieden aankomende landgenoten en Belgen daar een warm onthaal. En informeren naar hun beweegredenen.

Ook mij werd in 1989 gevraagd naar mijn motief om de tocht te ondernemen. Niet in de Huiskamer, die bestond nog niet, maar in het klooster van Roncesvalles, hoog in de Pyreneeën op de Frans-Spaanse grens. Toen ik verklaarde de tocht te maken om redenen van spiritualiteit zonder godsdienstig te zijn, sloeg de pater wanhopig zijn ogen ten hemel. Dat paste niet in de multiple choice categorieën van zijn grote boek. Uiteindelijk schreef hij, zijn hokjes veronachtzamend, het woord met een diepe zucht neer.

Dertig jaar later is spiritualiteit de grootste categorie: de paters van Roncesvalles noteren nu een derde ‘spiritueel’ gemotiveerde pelgrims, een derde ‘cultureel’, twintig procent ‘religieus’ en ruim tien procent ‘sportief’.

In de Huiskamer turven vrijwilligers Ed en Mariëlle Jansen uit Sassenheim soortgelijke percentages: zo’n veertig procent spiritueel, twintig procent religieus, twintig procent sportief en vijf procent cultureel. De cijfers lopen uiteen door verschillen in vraagstelling, maar laten wel twee conclusies toe. Het sportieve element is opgerukt, maar wordt nog altijd verre overtroffen door geestelijke motieven. En binnen die laatste categorie is het religieuze motief ruimschoots voorbijgestreefd door minder uitgesproken en meer persoonlijke beweegredenen.

Van Ed en Mariëlle mag ik een blik werpen in het gastenboek. Ook nu blijken er pelgrims te zijn die zich niet in hokjes laten persen. Ze noteerden een wijde waaier van persoonlijke beweegredenen: ‘Nadenken.’ ‘Dank je God.’ ‘Kaleidoscoop.’ ‘??’ ‘Onbekend.’ ‘Wandelen met m’n vader.’ ‘Afsluiting.’ ‘Stilte’ en éénmaal ‘Ikke’.

Op 22 juli 2013 was de twintigjarige Beaudiene de Kruiff uit Amsterdam, die in haar eentje van Vézelay naar Santiago was gelopen, de duizendste bezoeker van de Huiskamer. Maar daar liet ze het niet bij. In haar reisblog kondigde ze aan te zullen dóórlopen naar Kaap Finisterre: ‘Dat ligt aan zee en lijkt mij een betere afsluiting dan een stad vol met dagjestoeristen.’

Steeds meer pelgrims volgen haar voorbeeld en beëindigen hun tocht niet in Compostela’s kathedraal maar in Fisterra, zoals Finisterre in het Galicisch heet. Daar, aan het eind van de wereld, met zicht op de westelijke horizon, vinden ze het decor voor een meer persoonlijk ritueel, met als enige parafernalia de branding, nevelflarden boven de oceaan en stilte.

Als ik zelf de stad uitloop voor mijn eerste etappe naar Negreira gaan de heuveltoppen ook schuil achter een wit-grijze waas. Brumas de mañana. Het wordt herfst, de bladeren kleuren al. In de verte klinkt een cirkelzaag, de bevestiging van het diep-in-het-Europese-woudgevoel. Roodkapje revisited met, als je geluk hebt, zo’n krakend neervallende boom erachteraan.

Het is wonderlijk hoe snel ik, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, ben ondergedompeld in een heel ander levensgevoel. Genietend van de simpelste genoegens, zonder belevenisprogramma of attracties. De simpelste voortbewegingsmethode. De simpelste besognes: wat is het weer, waar is water, waar eet en slaap ik vanavond?

Ik ben misschien de enige pelgrim die drie keer uit Santiago vertrok maar er nooit is aangekomen

Het gefluit van een merel, in de middag het verre speeldoosgeluid van een koekoek. De prikkelende geur van een houtfornuis. Kinderstemmen en pannengekletter, aandrijvend over de velden. De kruidige lucht na een regenbui. Allemaal zintuiglijke indrukken die soms, maar lang niet altijd, resulteren in een gedachte. Dit zijn momenten van geluk.

Ook is, nu ik me als bij proclamatie tijdelijk tot dak- en thuisloze heb uitgeroepen, ergens in mijn achterhoofd een haarscherpe ontvankelijkheid herleefd voor de verlokkingen van de semi-openbare ruimte. Les amoureux qui s’bécotent sur les bancs publics… bankjes, bushokjes, openstaande schuren, schaduwrijke binnenplaatsen zonder hond, of muren zoals die waarachter de oude Vitalis uit Alleen op de wereld beschutting zocht. Mijn tijdelijke staat van ontheemdheid geeft me het gevoel een zeker gewoonterecht te kunnen doen gelden op al wat door de gezeten burgerman onbeheerd wordt gelaten of verlaten is en in deze contreien kalmpjes blijft staan, afbrokkelend en gaandeweg overwoekerd, tot genoegen van zwaluwen, ratten en pelgrims.

Vier uur. Ik koester me in het strijklicht over een verstild landschap van diepgroene landerijen, afgezoomd met alle denkbare bloemen des velds en wijnranken met gul overhangende druiventrossen. Nergens meer een pelgrim te bekennen – het peloton, al degenen die vanochtend vroeg op pad zijn gegaan, zit nu al achter de tapas in Negreira. Alleen langslapers en hinkepoten zijn nog onderweg en hebben het rijk alleen.

Bij het bedwingen van een onverwacht steile helling tref ik toch nog een lotgenoot als ik puffend neerplof op een bankje. Een man die nog harder hijgt dan ik zit er zijn blaren te inspecteren. Tien minuten later is hij een oude bekende: Sid, een gepensioneerde joodse sigarenwinkelier uit Kaapstad… wanneer ontmoet je nou een gepensioneerde joodse sigarenwinkelier uit Kaapstad met kramp in zijn voeten en in zijn jonge jaren een voorliefde voor Javaanse vriendinnetjes? Want die heb je in Zuid-Afrika – wij hebben ze daarheen gebracht. Mooie meisjes zijn dat, vertelt Sid, maar ja, moslims. Voor die meisjes was dat geen probleem, een joodse sigarenhandelaar-in-spe, maar voor hun vaders wel; daarom werd het uiteindelijk nooit wat.

Welke sigarenhandelaar op jaren vertelt je na vijf minuten over de vriendinnetjes van zijn jeugd? Dat kan alleen op de camino, dat wonderlijke elixer van intimiteit en anonimiteit. Deze keer wacht er ook een dame op hem, in Fisterra, en daarom moet-ie ondanks zijn blaren doorstappen; verder, verder, naar de horizon, want een bus is hier niet en bellen kan ook niet – hij heeft z’n mobiel expres in Kaapstad achtergelaten om helemaal te onthaasten op de camino.

De Santiago-pelgrimage is ook een reis naar het verleden. Terug naar eenvoud, onopgesmuktheid en authenticiteit – dat is al zo sinds de herleving van de camino in de jaren negentig. Vooral Galicië, aan de rafelrand van Europa, is pastoraal en onthaast avant la lettre. Verstilde holle wegen bega ik, met prachtig overwoekerde oermuren erlangs en Marten Toonder-bomen. Op de erven staan eeuwenoude, met een kruis bekroonde hórreos te pronken; traditionele opslagplaatsen voor maïs en graan.

Juist dat archaïsche Galicië beantwoordt haarfijn aan de behoeften van de geplaagde stresskip, echtscheidingsvluchteling of reli-twijfelaar van onze tijd. Wat niet zo vreemd is als het lijkt. De pelgrimsroute naar Santiago is een kat met negen levens. Geen ander christelijk arrangement wist zich door de eeuwen heen zo virtuoos aan te passen bij de wisselende geloofs- en gemoedsstemmingen in de westerse wereld.

Maar deze keer doemt een bedreiging op die zich niet eerder voordeed. De massale toeloop tijdens de Middeleeuwen deed geen afbreuk aan de collectieve geloofsbeelden en -behoeften van die tijd. Integendeel eerder. Maar de hernieuwde populariteit van de camino in onze dagen staat wél op gespannen voet met die eigentijdse drang naar authenticiteit en een individuele, eigenzinnige geloofsbeleving.

Compostela is een wereldmerk geworden, en een verlokkelijke cash cow. Het aantal pelgrimspaden schiet omhoog, Spanje is er al haast mee bedekt. Zo heet het traject dat ik nu loop officieel Camino de Fisterra y Muxía, omdat je onderweg kunt afslaan naar Muxía, een kustplaatsje dat zich ook tot pelgrimsbestemming heeft uitgeroepen. Kwam Sint-Jacobus himself daar niet naartoe om de dorpelingen te bekeren, waar hij niet in slaagde, zodat hij door de maagd Maria moest worden getroost? Doorloopbestemmingen als Fisterra en Muxía reiken tegenwoordig ook hun eigen pelgrimsoorkonde uit, naar men zegt nog mooier dan die van Compostela zelf.

Intussen dringt ook de EU steeds verder op. De conische hooioppertjes die zo grappig correspondeerden met de vorm van de plaatselijke kaasjes hebben plaatsgemaakt voor bassins met kuilgras en autobanden. Ook het pelgrimstoerisme wordt op moderne leest geschoeid. Zandpaden worden geasfalteerd, boompjes geplant om de pelgrims te behoeden voor de brandende zon. En overal word je doodgegooid met afstandsbordjes en kilometerstenen, wat zeg ik, meterstenen: op dit traject geven ze aan hoeveel meter het nog is naar Fisterra!

Het is goed bedoeld, allemaal. Spanje wil meetellen in de wereld van doelgerichtheid en efficiëntie; verdwalen op een zandweg past daar niet bij. Laten we die lui uit Europa helpen de apostel zo snel mogelijk te bereiken, zullen ze redeneren, de apparatsjiks van het pelgrimstoerisme. Alleen lopen ze daarmee een ronde achter. Doelgerichtheid en efficiëntie? We gaan juist op pad om daarvan eens een keer bevrijd te zijn. Een pelgrimage gaat niet meer over voleinding of beloning, maar over zelfinzicht en harmonie met je omgeving. Het laatste wat daarbij telt, is het volgen van de kortste weg.

Maar ook hier komt de camino wel weer overheen door zijn fameuze aanpassingsvermogen. Straks worden die bordjes verhangen of weggehaald, de boompjes omgezaagd en het asfalt weer weggehakt, zodat pelgrims de geest weer in alle vrijheid kunnen laten dwalen. Of lopen ze de tocht via de satelliet op basis van een app die je kunt programmeren volgens uiteenlopende vrijheidsgraden, met een persoonlijk ingestelde dwaalfactor.

Negreira kondigt zich aan met een rij billboards van refugios en albergues, allemaal ‘met pelgrimsmenu’. In 2007 sliep ik hier in het enige onderkomen dat het stadje rijk was, een stuk of wat kamertjes boven een bar. Nu overnacht ik in een betonnen hotel met tientallen kamers, helemaal gericht op pelgrims.

Begrijpelijk, die drukte, want wie doorloopt naar Fisterra slaat drie vliegen in één klap. Hij vindt aan de boorden van de oceaan een onmetelijk altaar voor een meer eigengereide spiritualiteit. Hij krijgt een laatste mogelijkheid om nog iets van dat oude arcadische Galicië te ervaren. Hier, waar het land bijna in zee tuimelt, kom je ze met een beetje geluk nog tegen, de in het zwart geklede mannetjes en vrouwtjes, niet meer achter het ossenspan of voorovergebogen in een minuscuul veldje, maar nog wel rondscharrelend met een stok op een boerenerf.

Maar de belangrijkste reden om die laatste paar dagen eraan vast te knopen, is het uitstel. Nog even… nog even verwijlen op de grazige weiden van het pelgrimsparadijs. Een paradijs dat geen bestemming is, maar een steeds wijkende horizon.

Je groet elkaar, neemt notie van elkaar. Da’s waar ook, zo konden we óók met elkaar omgaan

En het zijn niet alleen die groene weiden die lokken, maar ook de mensen die je er tegenkomt, de peragrini: degenen die door de velden trekken. Een pelgrimage is een heilzame herhalingsoefening in aardigheid. Die haast vergeten deugd wordt hier enthousiast en volop beoefend. In de gewone wereld vaak gesmaad en als sukkelig afgedaan, maar heimelijk gekoesterd als een verloren goudstuk dat je hier in de voering van je pelgrimsmantel terugvindt.

‘¡Buen camino! Gaat-ie goed? Hulp nodig?’ Vrienden van een uur of van een dag. Je groet elkaar, neemt notie van elkaar, deelt water met elkaar, de ander blijft niet onopgemerkt. Da’s waar ook, zo konden we óók met elkaar omgaan. Als dat een beetje beklijft, heb je volgens mij de moderne versie te pakken van die metamorfose die de pelgrim van oudsher hoorde te ondergaan.

Voor middeleeuwse pelgrims ging het daarbij om een metafysische transformatie: een loutering voor de overgang naar gene zijde, met als bonus een ‘aflaat’, een flinke korting op het vagevuur. Ook hedendaagse pelgrims streven naar loutering, maar dan down to earth. Als het goed is, kom je als een ‘ander mens’ terug – nou ja, hopelijk een beetje aardiger, wat nederiger en iets ontvankelijker voor anderen.

Medium gettyimages 91921459
De voettocht is ook een reis terug naar eenvoud © Xurxo Lobato/ Cover / Getty Images

Na Negreira is Olveiroa de tweede niet te vermijden overnachtingsplek. Ieder die je overdag bent tegengekomen, tref je weer in dit gehucht te midden van verlaten bossen en heuvels. Mijn vriend Sid heeft het ook gehaald en is zelfs eerder gearriveerd dan ik. Ook andere wandelaars begroet ik als oude bekenden.

Toch is er ook iemand die ontbreekt. Dat is de Australische jongen die ik vanmiddag in een cafeetje langs de route ontmoette. Hij wilde er een ‘fourty kilometer day’ van maken, vertelde hij. Even verderop kwam hij me achterop lopen en haalde me in, zij aan zij met het leukste meisje in ons peloton. Hé… respect! Maar nog even later zag ik hoe hij zich van haar losmaakte en de spatten erin zette. In z’n eentje verder, op naar die veertig kilometer!

Het was een treffende illustratie van een van de meest opmerkelijke en minst opgemerkte veranderingen die zich de afgelopen decennia op de camino hebben voorgedaan: niet alleen het aantal pelgrims is ingrijpend veranderd, maar ook de samenstelling van de stroom. In ’89 liepen bijna alle pelgrims in grotere of kleinere groepjes. Ik kon dat met zekerheid vaststellen doordat ik zelf de verkeerde kant op liep en dus veel pelgrims tegenkwam. Als eenling was ik toen beslist een uitzondering.

Tegenwoordig is het bijna andersom. Mariëlle en Ed Jansen van de Huiskamer horen steeds vaker van aankomende pelgrims dat ze onderweg vooral alleenlopers hebben ontmoet. Ook volgens mijn eigen waarneming stapt nu al bijna de helft van de pelgrims in z’n eentje voort. Op sommige plekken lijkt het wel een optocht met een vaste voorgeschreven tussenruimte. Ongeveer zoals meeuwen op het dak een bepaalde afstand tot elkaar in acht nemen, waarvan de spanwijdte afhangt van het aantal vogels.

Over het aandeel groeps- en alleenlopers worden geen statistieken bijgehouden en dat is vreemd, want hier voltrekt zich een revolutie. Bijna duizend jaar lang trokken pelgrims groepsgewijs naar Compostela; nu komt daar razendsnel verandering in. De Bewust Alleenlopende Pelgrim komt eraan. In Compostela dan. In Lourdes, Rome of Medjugorje zul je hem niet zien.

De opkomst van de bap hangt samen met de ontwikkeling naar een meer ‘bevindelijke’ pelgrimage: een persoonlijk getinte spirituele onderneming met een neiging tot zelfonderzoek. Vroeger volgde ieder dezelfde route met hetzelfde doel en verrichtte dezelfde rituelen. Dat verdroeg zich goed met een groepsgewijze aanpak. Veiligheid onderweg was een andere reden. Allebei die redenen zijn nu niet meer van belang. Ook vrouwen lopen massaal in hun eentje, onbevreesd. Op de weg naar Compostela weten ze zich omringd door louter oppassende mensen.

De camino is een schoolvoorbeeld van wat in marketingtermen ‘massaindividualisering’ heet: aanzwellende massaliteit, gecombineerd met toenemende individualiteit. Steeds meer mensen denken ieder voor zich op een goede dag: hé, dat Santiago, da’s nou echt iets voor mij! Ieder met zijn eigen individuele motivatie. Daarna trekken ze allemaal hetzelfde pakje aan, gorden zich dezelfde uitrusting om en vangen massaal dezelfde route aan. Het ziet er misschien uit als confectie, maar het is maatwerk. Dat is de paradox van de nieuwe drukte op de camino.

De volgende ochtend regent het pijpenstelen, Atlantisch Galicië doet zijn reputatie eer aan. Ik draai me nog eens om en ga pas op pad als het wat opklaart. Sid blijkt al weg. De zeemeermin in Fisterra, die hem voortdrijft met zijn blaren en zijn zere voeten, heeft gemaakt dat hij om zes uur in de regen is vertrokken. Ik haal hem vandaag niet meer in.

Tot diep in de middag loop ik te worstelen met lots of weather, regen en droog, warm en koud, wind en stil. En dan hebben we: een trui, een jack, een regencape en een stuk of wat T-shirts. Zoek het aantal mogelijke permutaties, ik blíjf aan- en uittrekken.

Na het gehucht Hospital volgt vijftien kilometer niks. Ik raak er de weg kwijt – toch nog verdwaald? Nee, want dan is er Google Maps, dat zelfs hier ieder zijweggetje en zandpaadje getrouwelijk te voorschijn tovert. En daarna uiteindelijk… thalassa! Een streepje blauw in de verte. Afdalen, de bergen zorgen nu voor luwte, niet meer de verraderlijke wind op mijn bezwete rug. De zon breekt door en gaat vandaag niet meer uit.

Als ik een paar uur later aankom bij de vuurtoren van Fisterra, ben ik precies op tijd voor de gebeurtenis die de opvolgster is van de hoogmis met pelgrimszegen in Compostela’s kathedraal: de zonsondergang aan deze nevelige kust. Overal zitten mensen op rotspunten, uitsteeksels en richels, in plukjes en in paren, maar ook veel in hun eentje. Het doet denken aan een apenrots.

Waar ligt de grens tussen kerk en niet-kerk, tussen geloof en niet-geloof en tussen God en niet-God?

Alle nieuwe ontwikkelingen op de camino lijken hier samen te vloeien. De zee is geen erkende sacrale plek zoals de kathedraal van Santiago, after all gewoon een stadje ergens in een dal. De zee is groots en dynamisch, ze staat voor eindeloze deining. De zee komt nooit aan, ze blijft altijd onderweg en beantwoordt daarmee ten volle aan het sentiment dat hedendaags Compostela onderscheidt van andere pelgrimsbestemmingen: de aankomst is van onbelang, het is de weg die telt.

De opkomst van sacrale plekken buiten het vertrouwde domein van kerkelijk erkende gewijde plaatsen wordt niet door iedereen toegejuicht. Zo hekelt de Tilburgse hoogleraar rituele studies Paul Post de verering van plekken die hun populariteit ontlenen aan een postmoderne mix van instant sacraliteit en plat consumentisme. Met een fraai begrip, ontleend aan de Duitse cultuurwetenschapper Gottfried Korff, noemt hij dat ‘topolatrie’: verafgoding, niet van beelden, zoals idolatrie, maar van plekken. Als voorbeelden noemt hij, naast het grave yard tourism naar de slagvelden van de Eerste en de concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog, de wildgroei van nieuwe Sint-Jacobsroutes.

Maar Fisterra staat eerder voor het omgekeerde. Wat pelgrims hier zoeken, is niet een bepaalde topos. De geografische begrenzing van sacrale plekken is hier juist weggevallen. Het is niet een gewijde ruimte die pelgrims in Fisterra willen ervaren. Beter dan waar ook is hier te zien hoe de gewijde ruimte plaatsmaakt voor de wijde ruimte. En wie dat wil, kan aan die ervaring van ruimtelijkheid het attribuut van transcendentie of sacraliteit verbinden.

Zo wordt het tegendeel bereikt van de beslotenheid die traditionele liturgische plekken kenmerkte. Spirituele en religieuze ervaringen worden daarmee bevrijd, niet alleen van de gedachte dat zulke ervaringen plaatsgebonden zouden zijn, maar ook uit het keurslijf van regels en voorschriften die dicteren waar, wanneer en hoe je God kunt ontmoeten.

In Fisterra blijkt dat Santiago-pelgrims ook nu voorlopers zijn in actuele veranderingen, want deze grensvervaging staat niet op zichzelf. Het wegvallen van het verschil tussen heilige en niet-heilige plekken is de topografische weerslag van een veel algemener proces van religieuze grensvervaging.

Ik weet niet of ik mijn boek tegenwoordig nog Pelgrim zonder God zou noemen. Niet omdat ik meer in God ben gaan geloven, maar omdat ik me afvraag of het onderscheid nog wel iets zegt. Waar ligt de grens tussen kerk en niet-kerk, tussen geloof en niet-geloof en tussen God en niet-God? De camino lijkt zelfs de paus aan het denken te zetten over deze vragen. Naar aanleiding van het Heilig Jaar 2010 in Santiago roemde Benedictus XVI, naast de religieuze en spirituele betekenis, de historische en culturele waarde van de camino en onderstreepte dat de pelgrimage ook niet-gelovigen de kans biedt over de zin van het leven na te denken en nieuwe horizonten te verkennen.

Op de rotspunt van Fisterra is het stil als de zon de horizon raakt, hoogstens wordt er wat gefluisterd en gelachen, door een voorbij scherende meeuw. Pas als de schijf daadwerkelijk onder de kim schuift, wordt er gepraat. Er klinkt applaus en gejoel. ‘Bon voyage! God bless you!’

‘Herman!’ klinkt het achter me in een straatje bij de haven als ik wat rondkuier in afwachting van de bus terug naar Santiago. Daar zit op een terrasje mijn Zuid-Afrikaanse vriend Sid, tegenover zijn zeemeermin. Ze ziet er best lekker uit voor haar leeftijd, perfect gesoigneerd maar ook behoorlijk zwijgzaam. Er lijkt iets ongemakkelijks aan hun samenzijn, merk ik als ik ben aangeschoven. ‘Weet je wel wat hij allemaal voor je heeft doorstaan?’ vraag ik haar als Sid even naar de wc is, om mijn vriend een kontje te geven. Maar ze trekt een zuur mondje en snibt: ‘Nou, hij heeft me anders twee uur laten wachten! En hij was m’n naam vergeten!’

Als ik terug in Santiago nog een keer op bezoek ga bij Ed en Mariëlle in hun Huiskamer, blijkt dat ik net de aankomst heb gemist van Johan Swinnen, de onderdirecteur van het Leuvense Kankerinstituut (lki). Toen zijn eigen zoon kanker kreeg, beloofde hij ‘iets zots’ te zullen doen als hij hem over vijf jaar nog bij zich zou hebben. Dat geluk was hem beschoren. Nu deed hij zijn gelofte gestand, in een mengsel van fundraising – je kon een dagetappe sponsoren – en votiefgeschenk: een dankbetuiging na verhoring van een bede, helemaal volgens het middeleeuwse katholieke boekje.

Ik ben ook de aankomst misgelopen van een groepje wandelaars met een nieuwe nier, stralend na het volbrengen van de camino. Er was een jonge vrouw bij, met een stok waarin ze als eerbetoon de namen had gegraveerd van de drie donoren die haar tijdens haar leven een nieuwe nier schonken; een van hen was haar sindsdien overleden vader.

Het zijn blijken van onbestemde, min of meer religieuze gevoelens die goed aansluiten bij het beeld van de camino als domein van grensvervaging tussen religie en humanisme. Zo’n nieuw orgaan dat je zomaar ten deel valt is toch een soort deus ex machina. Zo kunnen persoonlijke motieven om de camino te ondernemen, vaak voortkomend uit relaties met andere mensen, overlopen in vage, misschien zelfs onbewuste religieuze drijfveren.

Deze kwaliteit van het christendom, waarbij de aanwezigheid van God steeds meer in andere mensen wordt gezocht, blijkt ook het hoofdmotief van de pelgrimsmis in de kathedraal die ik ’s middags bijwoon. Natuurlijk zwiept als vanouds de Botafumeiro, het grote wierookvat, heen en weer, maar in zijn preek rept de pastoor niet van aflaat, niet van vroomheid of verlichting van schuld en zelfs nauwelijks van God. Over vriendelijkheid heeft hij het, over compassie, zorg voor elkaar en solidariteit.

‘Solidariteit’ – lang niet gehoord, dat woord, en zeker niet uit de mond van een katholieke priester. Het herinnert aan de linkse bevrijdingstheologie van Dom Hélder Câmara in de jaren zestig, maar nu klinkt het tijdens een pontificale mis in een van de meest orthodoxe bastions van de katholieke kerk. ¡Milagro del camino!

Mijn laatste avond, afscheid van de stad. Santiago is sinds mijn eerste bezoek in 1989 veranderd in een aaneenschakeling van souvenirwinkels, cafés en restaurants. Huis aan huis barretjes, eetkeldertjes, terrassen vol vrolijke, druk pratende mensen. Van alle talen thuis, net als in Amsterdam, maar dan zonder het geschreeuw en de totale verbierworsting. Het is hier in één woord: beschaafd.

Er zijn ook veel groepen met gids. Zelfs nu, eind september. Maar ondanks die drukte is het rustig op straat. De gidsen doen ernstig en toegewijd hun verhaal, zonder het volume en de strapatsen van hun collega’s in de Amsterdamse binnenstad. Geen lawaai, geen muzak, in de verste verte geen agressie, iedereen is vriendelijk en hoffelijk. Terwijl de statistieken toch leren dat de grootste groep pelgrims Spaanse studenten zijn. Later hoor ik dat de gemeente alle uitgaansgelegenheden naar buiten het centrum heeft verplaatst.

Pelgrims zijn bevrijd van hun alledaagse besognes maar ook vrij van de lamlendigheid, verveeldheid en wanhoop die vakantievierders aankleeft. Hier is tussen vraag en aanbod een weldadig evenwicht bereikt: vooral nette mensen komen naar Santiago en wat de stad biedt, is daarop afgestemd. Pelgrims zijn ‘kwaliteitstoeristen’, je ziet het aan hun koppen: benevolente, doorleefde tronies, gegroefd door de zon, niet door alcoholgebruik. Ik wil ook weer zo’n kop. M’n rugzak weer omhangen en de camino op, dondert niet in welke richting. De camino, zo leert de geschiedenis, kende toppen en inzinkingen maar komt altijd weer terug. En eenmaal pelgrim kom jij, als je niet oppast, altijd weer terug op de camino.


De nieuwe uitgave van Pelgrim zonder God, met een uitgebreide geactualiseerde inleiding, is nu verkrijgbaar in de boekhandel