Het sovjetcommunisme in retrospectief

Communisme had bést succes

Tien jaar voor de val van de Muur vierde het communisme over de hele wereld successen. Dat het niet lang daarna ineenstortte, terwijl het kapitalisme overeind bleef, is een van spectaculairste wendingen van de twintigste-eeuwse geschiedenis.

HET IS ALTIJD VERLEIDELIJK een beeld van het verleden te creëren dat onvermijdelijk uitmondt in het heden. Zo is het ook verleidelijk het sovjetcommunisme te zien als een historische aberratie die onherroepelijk afstevende op haar ondergang. Zo redenerend was de Sovjet-Unie, zeker gedurende de laatste decennia van zijn bestaan, een anachronisme geworden dat zich niet meer kon handhaven in de dynamische wereldeconomie. Het globaliserende liberale kapitalisme van vandaag is daarentegen de enige logische uitkomst van de menselijke geschiedenis.
Onder historici heet het bekijken van de geschiedenis als doelgerichte, onontkoombare ontwikkeling ‘teleologisch’, en teleologische visies op het verleden zijn om verschillende redenen altijd aanvechtbaar. Afgezien van alle theoretische bedenkingen die op te werpen zijn tegen een teleologische visie op het communisme, gaan ze voorbij aan de opvallende successen die het sovjetblok nog midden jaren zeventig wist te behalen. Indertijd stond de Sovjet-Unie er immers, ook in vele westerse ogen, goed voor. De détente tussen Oost en West had de internationale status van de Sovjet-Unie versterkt. Bovendien werden de economische relaties tussen Oost en West geïntensiveerd. Westerse banken verleenden de Oostbloklanden omvangrijke kredieten, die zouden moeten worden terugbetaald door de voorgenomen uitbreiding van de handelsbetrekkingen tussen Oost en West.
De oliecrisis en de sterk gestegen olieprijzen kwamen de Sovjet-Unie als grootexporteur van aardolie ten goede. De groeicijfers in het sovjetblok waren nog alleszins redelijk. In de meeste Oost-Europese landen steeg de materiële welvaart. Het ‘sociaal contract’, zo schrijft bijvoorbeeld historicus Willem Melching over de DDR, leek te werken. Op grond daarvan kon zelfs worden verondersteld dat het sovjetblok de wereldwijde economische crisis die in 1973 was uitgebroken wellicht beter zou doorstaan dan het Westen.
De Sovjet-Unie kon in deze jaren weliswaar niet op veel sympathie rekenen in het Westen, maar er heerste midden jaren zeventig wel een breed gedragen streven naar wapenbeheersing, ontspanning en toenadering. De angst voor het sovjetgevaar behoorde tot het verleden. Dat gold natuurlijk vooral voor de progressieve partijen, die zich in Nederland, net als elders, onder meer profileerden als voorstanders van erkenning van de DDR en Noord-Vietnam. Ook het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), en vooral de IKV-achterban, legden zich in deze jaren nog toe op het opbouwen van contacten in Oost-Europa en het overwinnen van ‘vijandbeelden’.
In West-Europa, zo kon men in Moskou vaststellen, waren zelfs de oude, door de Koude Oorlog gemarginaliseerde communistische partijen weer in opmars. Hoewel het Kremlin de opkomst van het eurocommunisme met gemengde gevoelens gadesloeg, was de groei van de communistische electorale aanhang in West-Europa toch een teken aan de wand. Het was bovendien als gevolg van de Portugese Anjerrevolutie merkwaardig genoeg de orthodoxe Portugese communistische partij die in mei 1974 een zetel in de regering verwierf. De in Moskou woonachtige Álvaro Cunhal werd met gezwinde spoed overgevlogen naar Lissabon om als minister zonder portefeuille te worden ingezworen.

HET SOVJETCOMMUNISME was midden jaren zeventig bovendien populair in de niet-westerse wereld. In de loop van de jaren zeventig kwamen in een reeks van niet-westerse landen regimes aan de macht die zich publiekelijk bekenden tot het wetenschappelijk socialisme of het marxisme-leninisme. Het meest spectaculaire voorbeeld daarvan vormde Vietnam, dat na de val van de Zuid-Vietnamese hoofdstad Saigon in april 1975 werd herenigd onder leiding van het communistische noorden. Maar ook in Afrika vond een reeks van communistische revoluties en staatsgrepen plaats. Daar kwamen onder meer in Somalië, Benin, Madagascar, Congo (Brazzaville), Ethiopië, en in Angola, Mozambique en de andere voormalige Portugese koloniën, militairen aan de macht die een opvallende sympathie voor het sovjetcommunisme tentoonspreidden. De meeste van deze regimes en bewegingen wendden zich dan ook tot Moskou voor economische en militaire steun. Moskou verleende deze steun in eerste instantie met een zekere aarzeling, maar kon de verleiding toch niet weerstaan om zijn invloedssfeer aanzienlijk uit te breiden.
Deze machtsuitbreiding betekent niet dat de communistische statenwereld, en de Sovjet-Unie, niet gehinderd werden door ernstige problemen. Economische vernieuwing bleef uit. De stagnatie in de landbouw nam zulke vormen aan dat de Sovjet-Unie zich zelfs genoodzaakt zag Amerikaans graan te importeren. Ook in politiek opzicht heerste een grimmig conservatisme. De jaren van de bloedige stalinistische terreur waren weliswaar voorbij, maar de machthebbers in Oost-Europa bleken – in weerwil van de internationale ontspanning en de Slotakte van Helsinki – nauwelijks bereid de politieke teugels te laten vieren, al moet daar aan worden toegevoegd dat de politieke oppositie zich meer dan voorheen publiekelijk begon te manifesteren. Ook in de internationale politiek werd Moskou met moeilijkheden geconfronteerd. Het conflict met de Volksrepubliek China was daarvan het belangrijkste voorbeeld.
Maar dat alles stond successen in de wereldpolitiek in eerste instantie niet in de weg. De politieke en morele status van het Westen en vooral van de Verenigde Staten had midden jaren zeventig een naoorlogs dieptepunt bereikt. De Vietnamoorlog was daarvan een hoofdoorzaak, en het Watergate-schandaal en het aftreden van president Nixon in augustus 1974 deden de twijfels over het Amerikaanse leiderschap groeien. De betrekkingen tussen de Verenigde Staten en West-Europa waren in deze jaren buitengewoon moeizaam. Het aantreden van de stuntelige Gerald Ford maakte dat er niet veel beter op. Verschillende gebeurtenissen, zoals het zelfbewuste optreden van de Arabische olieproducerende landen tijdens de oliecrisis van 1973-1974 en de val van Saigon in april 1975 leken een nieuw tijdperk in te luiden: het Westen was in de wereldpolitiek in het defensief geraakt.
In eerste instantie reageerden de westerse landen, en met name de Verenigde Staten, terughoudend op het verlies aan invloedssfeer. Deze terughoudendheid vloeide mede voort uit alle kritiek en oppositie die de Amerikaanse oorlogvoering in Vietnam had opgewekt. Conservatieve en nieuw-rechtse critici, zoals het Committee on the Present Danger dat later 33 leden zou leveren aan de regering-Reagan, ergerden zich in toenemende mate aan de Amerikaanse onmacht en besluiteloosheid. Niettemin kondigde de nieuw aangetreden president Jimmy Carter nog in januari 1977 expliciet aan de détentepolitiek te willen handhaven en een einde te willen maken aan internationale machtspolitiek en militair interventionisme.
De 1-meiviering van 1975 vormde wellicht het meest opvallende moment van triomf voor de sovjetleiders. De dag tevoren was Saigon ingenomen. In Angola tekende zich een overwinning af voor de communistische Movimento Popular de Libertação de Angola. Enkele maanden tevoren had het Internationaal Olympisch Comité besloten de Spelen van 1980 toe te wijzen aan Moskou. Deze gebeurtenissen, zo schrijft de Noorse historicus Odd Arne Westad in The Global Cold War, deden in Moskou zelfs een sfeer van optimisme en ambitie ontstaan. Er leken zich historische veranderingen te voltrekken in de wereldpolitiek. Zoals het marxistisch-leninisme dat decreteerde, leek de geschiedenis inderdaad de zijde van het sovjetcommunisme te kiezen.
MAAR DAAR VERGISTEN de oude mannen van het Kremlin zich in. Slechts enkele jaren later, begin jaren tachtig, zag het er al een stuk minder rooskleurig uit voor de Sovjet-Unie. De ontspanning tussen Oost en West was omgeslagen in een nieuwe periode van dreiging. De sovjeteconomieën begonnen te stagneren en de groeicijfers waren gedaald. De noodzakelijke besparingen maakten in Oost-Europa een einde aan een fase van materiële groei en sociale rust. Het zou al snel buitengewoon moeilijk blijken de politieke onvrede die daardoor werd gestimuleerd nog onder controle te houden.
Begin jaren tachtig werd ook de stemming in het Kremlin minder optimistisch. De sovjetleiders begonnen zich te realiseren dat de nieuwe protégés in de niet-westerse wereld, zoals Ethiopië, Angola en Mozambique, een blok aan het been van de Sovjet-Unie begonnen te vormen. De sovjetinvloed had zich vooral uitgebreid in arme en door aanhoudende conflicten en oorlog geteisterde landen. En de betrokkenheid van de Sovjet-Unie bij de burgeroorlog in Afghanistan leverde steeds ernstiger politieke problemen op.
Inmiddels was ook de politieke stemming in de westerse wereld omgeslagen. In verschillende landen regeerden conservatief-liberale regeringen. Onder leiding van de Amerikaanse president Reagan streefden de Verenigde Staten naar een herstel van de Amerikaanse en westerse dominantie in de wereldpolitiek. Daartoe werd de Amerikaanse defensiebegroting aanzienlijk opgeschroefd. De jaren van détente waren voorbij. Op militante wijze ging de Reagan-regering de confrontatie aan met de al dan niet vermeende steunpunten van Moskou in de niet-westerse wereld. En dat werkte. Verschillende communistische experimenten raakten vanaf het einde van de jaren zeventig in ernstige moeilijkheden, niet in de laatste plaats door aanhoudend geweld dat soms door westerse landen werd aangewakkerd.
Deze omslag van de sovjetsuccessen in het begin en midden van de jaren zeventig naar het herstel van de westerse dominantie van begin jaren tachtig vormt een van de meest spectaculaire wendingen van de twintigste-eeuwse geschiedenis. Structurele langetermijnontwikkelingen speelden zonder twijfel een belangrijke rol bij de problemen waarmee de Sovjet-Unie zich begin jaren tachtig geconfronteerd zag. Maar politieke keuzes, inschattingsfouten, zelfoverschatting van de sovjetleiders, alsmede een effectief westers tegenoffensief en niet in de laatste plaats de groeiende binnenlandse oppositie in het sovjetblok zelf waren van even grote betekenis als we willen begrijpen hoe de positie van de Sovjet-Unie binnen een tijdsbestek van vijf jaar zo snel kon verzwakken.
Het zou gratuite speculatie zijn om te suggereren dat het allemaal anders had kunnen lopen. We moeten, om communistisch jargon te gebruiken, niet vervallen in voluntarisme. Maar de ineenstorting van het sovjetcommunisme, en van de communistische experimenten die in de jaren zeventig in de niet-westerse wereld in gang werden gezet, werd mede bepaald door menselijke beslissingen, door idealen, fouten en illusies. Ze waren geen onherroepelijk gevolg van historische bewegingswetten. Dat gold voor de successen van de Sovjet-Unie in de jaren zeventig, het gold voor de ineenstorting van het sovjetblok in de jaren tachtig, en het geldt voor de hedendaagse verhoudingen in de wereld. De mensheid marcheert niet als vanzelfsprekend op naar een liberaal-kapitalistische toekomst. Zo ontwikkelen zich in de voormalige communistische grootmachten China en Rusland veeleer repressieve en centralistische vormen van kapitalisme. De toekomst is, zoals altijd, ongewis.

Duco Hellema is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit Utrecht