Economie

Complex

Enkele weken geleden was ik op een conferentie over complexiteit. Als er een paradigmaverandering in de economie aankomt, zou ik mijn kaarten hierop zetten. Waarom? Een voorbeeld. In 2010 gingen we ons plotseling zorgen maken over onze hoge schulden.

Tot dan was het vrijwel geen issue, sindsdien verschenen boekjes en blogs over hypotheekvrij leven, onder water staan werd een erkend verschijnsel en hypotheekrenteaftrek werd daadwerkelijk beperkt, er werd harder gespaard en afbetaald. Misschien zaten (zitten?) we daardoor in een ‘schulddeflatie’: de economie stagneerde uitzonderlijk lang omdat we ons geld niet uitgaven maar naar de bank brachten. Premier Rutte riep ons in 2013 op om weer te spenderen.

Aan alle voorwaarden voor schulddeflatie leek vanaf 2008 voldaan, maar pas in 2010 kantelde ons schuldbesef. Waarom toen? Omdat miljoenen mensen in korte tijd hun financiële risico’s en toekomstverwachtingen drastisch bijstelden. Niet omdat ze ieder voor zich toevallig op hetzelfde moment hetzelfde sommetje maakten, maar omdat ze met hun sombere verwachtingen elkaar aanstaken. Het was een ‘kantelpunt’ in het complexe systeem dat onze economie is. Een systeem is ‘complex’ als zijn onderdelen elkaar beïnvloeden. Het gedrag van het systeem is daardoor niet te herleiden tot het gedrag van de onderdelen.

Het vreemde is nu dat de economische wetenschap dat juist wel doet. In het standaardmodel wordt de macro-economie beschreven door één consument en één producent. Die neemt alle beslissingen op basis van sommetjes (maximaliseren van winst of consumptie). De uitkomst voor de macro-economie is dan hetzelfde, maal zoveel miljoen. In aanmerking genomen hoe simpel deze basisgedachte is, kunnen zulke modellen nog verbazingwekkend ingewikkeld worden, maar ‘complexe’ modellen worden het nooit. Want in dit standaardmodel hebben mijn beslissingen nooit invloed op andermans gedrag. Er zijn immers geen anderen! Alsof je een watermolecuul bestudeert om het weer te voorspellen.

Staan we op een kantelpunt in de economische wetenschap?

Ik denk niet dat Gerrit Hiemstra het zou durven. Economen wel, en al heel lang. Want dit is al zo’n dertig jaar de toonaangevende manier van denken in de macro-economie. Al net zo lang probeert een kleine minderheid van economen dit paradigma te doorbreken. Ze hebben de wind in de rug sinds 2008, toen aan (bijna) iedereen duidelijk werd hoe jammerlijk macro-economische modellen faalden in het helpen voorzien van de crisis. De vergeten ideeën van economen als Schumpeter, Keynes en Minsky staan weer in de belangstelling.

Krediet en schuld zijn minstens zo belangrijk voor de loop van de economie als factoren in de ‘reële’ sector, benadrukte Schumpeter – sterker nog, je moet ze niet willen scheiden. Keynes beargumenteerde dat veel van ons handelen door emoties en optimistische opwellingen bepaald wordt, niet door berekening. Minsky combineerde beide ideeën. De markteconomie tendeert niet naar evenwicht, maar naar bubbels en crises. Door kredietverlening kunnen we in korte tijd grote hoeveelheden geld in een markt pompen. En door ons aanstekelijk optimisme doen we dat dan massaal en steeds sneller, tot de crash komt en we met de schulden achterblijven, tenzij de overheid tijdig stabiliserend ingrijpt. De theorie is bijna een halve eeuw oud, maar werd overvleugeld door de evenwichtsmodellen waarin individuele ratio, rekenkunde en stabiliserende marktwerking centraal staan.

Hoog tijd voor verandering dus. Sinds Minsky is er wel iets veranderd. De ontwikkeling van de complexiteitstheorie maakte het mogelijk verschijnselen als fractals, vlinderslag-effecten, en, inderdaad, kantelpunten te modelleren, simuleren, en zo te toetsen aan de werkelijkheid. Een nieuwe generatie economen (vaak met een achtergrond als statisticus of natuurkundige) heeft zich op economische toepassingen geworpen, samen met enkele oudere volhouders.

Terwijl ik op de conferentie over complexiteit naar hun verhalen zat te luisteren, drongen zich de parallellen op met de vorige paradigmaverandering in de economische wetenschap. De wereldwijde depressie die op de crash van 1929 volgde was voor de toen heersende neoklassieke economie onverklaarbaar. Politici stonden machteloos. De malaise veroorzaakte een instroom van studenten uit andere wetenschappen in de economie. In 1936, zeven jaar na de crisis, verscheen Keynes’ boek dat het nieuwe paradigma van de macro-economie introduceerde. Zijn centrale idee van effectieve vraag stoelde op het inzicht dat het geheel meer is dan de som der delen.

Er is vooruitgang in de economie – maar ook regressie. Sommige ideeën zijn en blijven goed. Ze moeten soms herontdekt worden en met nieuwe methoden toegepast op nieuwe omstandigheden. Staan we zeven jaar na de crisis van 2008 op een kantelpunt in de economische wetenschap?