Ger Groot

Complot

De korte hype met complottheorieën rond de mysteries van 9/11 lijkt alweer te zijn overgewaaid, al zullen op het internet de stormpjes nog wel even doorrazen. Het net leent zich goed voor de gesloten communities die iedere tegenspraak weten om te buigen tot een bewijs teméér. Complottheorieën hebben baat bij een versmald bewustzijn, vooral als het zichzelf als het enige verlichte ziet.

Die gesloten zekerheid vormt de sterkte en daarmee de aantrekkelijkheid ervan. Met het inzicht in een voor anderen onzichtbare machinatie staat ze vanzelf op een hoger plan en dat besef verleent een bijna onschokbare daadkracht. Menig revolutionair project doet er dan ook, al dan niet terloops, een beroep op. De samenzwering der kapitalisten was een vervaarlijk thema in de communistische retoriek, zoals de mythe van het ‘glazen plafond’, in stand gehouden door een sinister old boys-netwerk, dat nu in het feminisme is. Eurocommissaris Neelie Kroes doet er, in haar persoonlijke lobby voor een toekomstig voorzitterschap van de Europese Commissie, graag een beroep op.

En wie zou het haar kwalijk nemen dat zij met de ene complottheorie de andere tracht af te weren: die van de hardnekkige maffiose mist die rond haar imago maar niet lijkt te willen optrekken? Toegegeven, haar boude bewering dat ‘vrouwen meer dan mannen geneigd zijn tot transparantie’ (NRC Handelsblad, 17 oktober) klinkt tegen die achtergrond al snel als een gotspe, maar gebrek aan brutaliteit valt haar in ieder geval niet te verwijten.

In de politiek is dat laatste even onverslaanbaar als een goede complottheorie – en samen zijn ze bijna onoverwinnelijk, zolang ze niet bij name worden genoemd. Want daadkracht oogt plots een stuk minder aantrekkelijk wanneer die eenmaal als bruutheid is bestempeld en de term ‘complottheorie’ diskwalificeert zichzelf. Over die laatste praten we alleen wanneer wij haar al weerlegd weten: haar argwaan overklast door ónze argwaan tegen zoveel hermetisch inzicht in het kwaad.

Daarom heet De Protocollen van de wijzen van Sion een complottheorie te bevatten, maar noemen wij de samenzwering van tsaristische officieren die het boek lieten schrijven en ‘onthullen’ niet zo. Samenzweringen bestaan, tenslotte, en niet elke theorie erover is bij voorbaat onjuist. De argwaan die ons op hun spoor zet geldt in de moderne tijd zelfs als een grote menselijke deugd. Wij laten ons niet bedotten door de oppervlakte; we geloven niet zomaar dat de dingen zijn zoals ze lijken. Wellicht, ja zelfs vermoedelijk verbergt zich onder hen een andere werkelijkheid: onheilspellend, want waarom zou ze zich anders schuilhouden?

Die geest van wantrouwen heeft ons de wetenschap opgeleverd, die achter de verschijnselen inderdaad een heel andere wereld blootlegde. Kleuren werden lichtfrequenties, gevoelens hormonen en moedertje aarde een zwerfkei in het heelal. Dat alles ontdekten we omdat we niet langer wilden geloven wat we zagen en daarmee doordrongen in wat soms zelfs onzegbaar leek, bijna opzettelijk voor ons verborgen.

Ironisch genoeg was het hetzelfde wantrouwen dat ook die laatste stap nog durfde zetten. De wereld achter de wereld wortelde inderdaad in een opzet, die de godsdienst wist te ontraadselen als de wil van God. Over de vraag of Hij de mens ook graag zijn eigen geheimen liet ontdekken lopen de theologische meningen nog steeds uiteen – maar onmiskenbaar putten geloof en wetenschap uit dezelfde argwaan. Wat het één en wat de ander is, bepaalt in het licht van die laatste minder een onderscheid van wezen dan van overtuiging. Beider argwaan bestempelt de ander tot een vorm van (bij)geloof, waardoor hij zichzelf uiteraard niet laat bedotten.

Zo vormen geloof en complottheorie een eeneiige tweeling, die zichzelf echter het privilege van de hogere kennis toeschrijft. Het is altijd de ander die gelooft in het complot, een misleiding waarvoor de argwaan jegens de argwaan ons behoedt. Van hetzelfde laken een pak, staan wij tegenover elkaar als in het kwadraat verheven wantrouwen dat wij zelf als nuchterheid beschouwen. Geen dupe zijn wij, maar verlichte wezens, door onze achterdocht bevrijd van onze eigen paranoia.

In deze double bind is er alleen nog maar het zwaard van het gezond verstand dat doorhakt wat daarin gordiaans verknoopt is. Wat wij aanvaarden als plausibel, waar of zelfs bewezen, kan tegenover een eeuwige verdenking nooit tot aan de laatste snik worden gegrondvest, en daarom moet de woordkeus maar het werk doen. De complottheorie van de één is de helderziende twijfel van de ander; diens inzicht stuit af op de lichtgelovigheid van de één. Beide denken hetzelfde, maar in tegengestelde termen, en prijzen zichzelf gelukkig om de eigen argwaan, al dan niet in het kwadraat.