25 jaar Schönberg-kwartet

Componeren tot in de hel

Vijftig jaar na zijn dood is de omstreden muziek van Arnold Schönberg bij een aanzienlijk publiek acceptabel. Dit komt mede door de inzet van het Schönberg-kwartet, dat momenteel zijn 25-jarig jubileum viert.

Arnold Schönberg is dit jaar vijftig jaar dood, maar van een herdenking of jubileum is nauwelijks sprake. Vergeten is hij echter allerminst: elk jaar verschijnen vele cd’s, en de stroom wetenschappelijke publicaties pro houdt aan, evenals de stroom onwetenschappelijke geschriften contra. Sterker nog, iedereen rekent hem tot de vier of vijf belangrijkste componisten van de vorige eeuw. Populair, laat staan geliefd, is Schönberg echter nooit geweest en dat zal hij ook nooit worden. Zijn persoon belichaamt de perfecte paradox, en zijn muziek stelt zelfs zijn bewonderaars niet op hun gemak.

De oorzaak van zijn geringe populariteit is even duidelijk als controversieel. Die is niet, zoals velen denken, dat hij rond 1910 brak met het systeem van de tonaliteit dat drie eeuwen lang de basis legde voor intens muziekgenot voor velen die oprecht niet houden van muziek van voor 1600 en na 1920. Schönbergs creatieve proces is slechts de druppel die deze destructieve emmer deed overlopen. De oorzaak is evenmin, wat men graag roept, dat hij circa tien jaar na die vernietiging kwam met een eigen componeersysteem, de twaalftoonstechniek, waarmee hij in ernst meende de superioriteit van de Duitse muziek voor de eerstvolgende honderd jaar te hebben veiliggesteld; twaalf jaar later vluchtte hij als jood het land uit.

Uitgerekend in zijn twaalftoonsfase (de werken vanaf Opus 24) schreef hij zijn meest conservatieve stukken, zoals suites, variaties en concerten. Toen hij in Amerika toe was aan een nieuwe hond, noemde hij het beest zelfs Franz-Josef, naar de voormalige keizer van Oostenrijk-Hongarije, niet bepaald een vriend van welke avant-garde ook.

De oorzaak van Schönbergs geringe populariteit is zijn houding, als mens en in zijn muziek. Hij koos resoluut voor de weg van de meeste weerstand, joeg zelfs zijn pleit bezorgers tegen zich in het harnas, had als een van zijn lijfspreuken: «Waarom makkelijk als het ook moeilijk kan», en reageerde op miskenning even paranoïde als op erkenning.

Reeds naar aanleiding van zijn nog net tonale Eerste strijkkwartet uit 1907 schreef zijn leerling (beter: dweper) Alban Berg een artikel onder de titel «Waarom is Schönbergs muziek zo moeilijk te begrijpen?» Het antwoord kan gelden voor Schönbergs gehele oeuvre. Schönberg, de grootste kenner en pedagoog van het klassiek-romantische repertoire, negeert vrijwel voortdurend en stelselmatig de klassieke afwisseling van spanning en ontspanning. Evenals zijn idool Gustav Mahler koestert hij de permanente hoogspanning en hangt hij graag de lijdende kunstenaar uit. Maar terwijl Mahler de hel slechts indringend bekijkt, springt Schönberg er doodgemoedereerd in. Burgerlijke deugden kende hij vrijwel niet — als componist wel te verstaan! Zijn vroegste atonale compositie, zijn Tweede strijkkwartet, heeft als vierde deel een lied voor sopraan waarvan de tekst begint met: «Ich fühle Luft von anderen Planeten». Die planeten staan voor zowel de atonaliteit als de volstrekte machteloosheid tegenover onburgerlijke onvermijdelijkheden als de angst, de dood, het geweld en de seksualiteit.

Schönbergs vroegste atonale composities werden neergesabeld door zijn Weense medeburgers (ongetwijfeld allen grote bewonderaars van Franz-Josef). Zowel tijdens als na het Derde Rijk gold zijn muziek onder brave Duitse burgers als ontaard, alleen zei men dat na 1945 niet zo hard — buiten Duitsland vond en vindt iedereen zijn muziek vooral zeer Duits. De composities uit zijn atonale fase (1910-1920), met name Erwartung, bewegen zich solide op de rand van het delirium. Zijn kunst is de volstrekte beheersing vlak voor de afgrond. Nooit neemt hij de tijd of zit hij even achterover. En al brak hij snel met de muzikale romantiek van zijn jeugd, in zijn gestiek bleef hij zijn stijl van herkomst altijd trouw.

Nadat Schönberg in 1951 in Amerika was overleden, was de aandacht voor zijn werk onderdeel van de Wiedergutmachung. Dat was niet van harte. Slechts enkelen speelden zijn werk, en dan vaak bewust antiromantisch, want zo speelde iedereen van 1950 tot 1965 alles uit elke periode. In de brave jaren vijftig was Schönbergs zeer Teutoonse muziek zonder opperhuid dan ook op zijn zachtst gezegd omstreden. Pas in 1958 speelde het Concertgebouworkest voor het eerst zijn Orkestvariaties opus 31, een van zijn meest conservatieve composities, en wel onder leiding van een goede Duitser, Hans Rosbaud. Toen hetzelfde orkest hetzelfde werk negen jaar later speelde onder leiding van Pierre Boulez, schreef de Volkskrant: «De Duitse propaganda moge op velen wederom een overweldigende indruk maken, toch zal ook in Amsterdam de wal het schip keren.»

Sindsdien is er veel veranderd. De expliciete romantiek in het musiceren en later ook in het componeren werd bon ton. De jaren zestig en zeventig brachten veel belangstelling voor nieuwe muziek, haalden veel zaken uit de taboesfeer en zetten de avant-garde van vóór 1940 in het zonnetje. Het ideale klimaat kortom voor het Schönberg-ensemble, waaruit het Schönberg-kwartet voortkwam dat dit jaar 25 jaar bestaat. Het jubileumboek Lucht van een andere planeet: 25 jaar Schönberg-kwartet (uitgeverij Uniepers) en een cd-collectie met Schönbergs complete kamermuziek (Chandos 9939) zijn slechts enkele van de cadeaus.

Het kwartet heeft de muziek van Schönberg en zijn belangrijkste twee leerlingen Berg en Webern bij een betrekkelijk groot publiek acceptabel gemaakt door haar ongevaarlijker en behaaglijker te maken dan ze is. Vergelijk de uitvoeringen van de kwartetten van Schönberg c.s. door het Schönberg-, Lasalle-, Juilliard-, Arditti- en Alban Berg-kwartet en de teneur is duidelijk. De buitenlanders zijn libertijnse kinderen van de pre-provo-emotionaliteit, terwijl het Schönberg-kwartet en ook het recente Leipziger Quartett veeleer representanten zijn van een alles besprekende openheid, zachtaardigheid en informalisering.

Die aanpak staat overigens los van het niveau. De buitenlandse collega’s van het Schönberg-kwartet hebben aanmerkelijk meer respect voor de Nederlanders dan de Hollandse subsidiegevers soms toonden. Het jubileumboek, geschreven door een stoet van ingewijden en kenners, geeft geen verrassende maar wel schrijnende illustraties van ambtenaren die geen benul hebben van de kwaliteiten van de musici en van het prijskaartje dat daarbij hoort.

Gelukkig gaan de auteurs van het boek niet in op de verwijdering tussen het Schönberg-kwartet van Henk Guittart en het Schönberg-ensemble van Reinbert de Leeuw; zulke conflicten zijn op het moment dat ze spelen alleen van belang voor de betrokkenen en pas later voor historici. Men vraagt tenslotte aan een componist ook niet hoe zijn recente scheiding doorwerkt in zijn mensbeeld en in zijn meest recente composities; het effect van kunst zit immers in de kunst, niet in de intentie of de achtergrond.

Het boek geeft gelukkig wel een goed beeld van de artistieke idealen van het kwartet, zoals die onder meer tot uiting komen in de programmering, waarin op zinvolle wijze bekende en onbekende werken naast elkaar worden gezet, zodat men ertoe wordt aangezet op een andere manier naar oude en nieuwe muziek te luisteren.

Ondanks de breuk tussen het Schönberg-kwartet en het Schönberg-ensemble is het opmerkelijk hoeveel de beide groepen qua repertoire en speelwijze op elkaar lijken. Ze delen een neiging tot het missionaire die soms karikaturale vormen aanneemt en waarover men ook grappen zou kunnen maken, ware het niet dat het kwartet daarvoor te goed is.

Niek Nelissen e.a. (red.), Lucht van een andere planeet: 25 jaar Schönberg -kwartet

Uitg. Uniepers, 120 blz., ƒ25.- De jubileum-cd-doos verscheen op Chandos 9939