Profiel: Robert Schumann

Componist tussen licht en duisternis

Op 28 oktober 1853, nu anderhalve eeuw geleden, schreef de Duitse componist Robert Schumann (1810-1856) in zijn blad Neue Zeitschrift für Musik (nummer 18) dat hij na tien jaar eindelijk weer eens een toptalent kon aankondigen: Johannes Brahms, afkomstig uit Hamburg. Hij had Brahms op 30 september 1853 voor het eerst in zijn huis in Düsseldorf ontvangen, hem op de piano horen spelen en zijn composities bekeken. Brahms’ muziek klonk als het geluid van jubelende stemmen. In diezelfde tijd raakte Schumanns carrière in het slop. Hij leed aan terugkerende psychosen. In oktober 1853 nam hij onder druk van het orkestbestuur ontslag als dirigent. Het was het begin van zijn noodlottige einde.

Even na twaalf uur ’s middags op 27 februari 1854 verschijnt in de deuropening van een huis in de Bilkerstrasse in Düsseldorf een nerveuze gestalte, die haastig linksaf slaat, de met keien beslagen straatweg in. Hoewel het een koude regenachtige dag is, draagt de man alleen een dunne kamerjas en pantoffels. Zijn gezicht is bleek, zijn ogen zijn neergeslagen en hij snikt.

Met ingehouden pas, alsof hij geen geluid wil maken, loopt hij in de richting van de Rijn, die maar vier huizenblokken verwijderd is. Daar, op de westelijke oever aan de kant van het raadhuis, blijft hij staan. Een smalle pontonbrug leidt naar de overkant, en om die te bereiken moet hij een tolhek passeren. Afwezig tast hij in zijn zakken naar geld. Wanneer hij dat niet vindt, glimlacht hij verontschuldigend naar de tolbeambte en biedt in plaats van geld zijn zakdoek aan. Onmiddellijk daarna, zonder dat iemand hem kan tegenhouden, rent hij de helling naar de brug af. In het midden van de brug aangekomen, werpt hij zich, na nog een ogenblik te zijn blijven staan, met zijn hoofd vooruit in de ijskoude kolkende rivier. De man is Robert Schumann. Zijn zelfmoordpoging mislukt.

In Schumanns familie kwamen meer psychiatrische gevallen voor. Robert groeide op in Zwickau in Saksen Thüringen als jongste in een gezin met vijf kinderen. Evenals een neef van vaderskant pleegde zijn oudste zuster Emilie zelfmoord. Ze sprong in psychotische toestand uit het raam. Schumanns vader August (1773-1826), uitgever en boekhandelaar, was manisch-depressief. In het geboortejaar van Robert kreeg hij een zenuwinzinking die hij nooit meer helemaal te boven kwam. Schumanns moeder Christiane Schnabel (1767-1836) leed aan depressies, waarin zij stil was en tot niets kwam. Van de acht kinderen van Robert Schumann verbleef Ludwig dertig jaar in een gesticht; Ferdinand was verslaafd aan morfine. Zijn vier dochters, van wie er twee pianolerares waren, bleven gevrijwaard van psychiatrische aandoeningen.

Toen Robert zestien was stierf zijn vader. Twee jaar later ging de jonge Schumann rechten studeren in Leipzig, waar hij pianoles nam bij Friedrich Wieck, zijn latere schoonvader. Het optreden van de pianist Moscheles en de violist Paganini bracht hem op het idee van een muzikale loopbaan. Schumanns leven werd al vroeg overschaduwd door somberheid, hoogtevrees en angst voor krankzinnigheid. Als achttienjarige schreef hij: «Vaak voel ik mij of ik dood ben, alsof ik gek word.» Het jaar daarop werd hij enorm actief, zijn gedachten verliepen ineens razendsnel, zoals voorkomt bij manische patiënten. Hij zat boordevol muziek, met materiaal voor wel honderd symfonieën.

In de loop der jaren kreeg hij vaker last van stemmingswisselingen en angst. Zo noteerde hij in 1833 in zijn dagboek: «De angst kreeg mij zo in de greep, dat troost, gebed of afleiding niet meer hielpen. Nergens hield ik het thuis meer uit. Mijn adem stokte als ik bedacht hoe mijn hersenen verlamd raakten. Ik was bang een eind aan mijn leven te zullen maken.» Begin 1845 schreef hij aan zijn vriend en collega Felix Mendelssohn: «Wat een akelige winter heb ik achter de rug, met gedachten die me op de rand van wanhoop brachten.»

In 1840 trouwde Schumann met Clara Wieck, de negen jaar jongere pianovirtuoze, zeer tegen de zin van haar vader. Tien jaar later verhuisden ze met hun gezin naar Düsseldorf, waar Schumann dirigent werd. Het zou een ramp worden. Begin 1851 ontstonden er al problemen tussen Schumann en het orkest. Met zijn veel te zachte stem en bedeesde houding miste hij overwicht. Zijn gehoor liet hem steeds vaker in de steek. Hij kon de partituur niet van een afstand lezen en de snelle tempi niet volgen. In het najaar van 1853 nam hij ontslag.

Begin 1854 ging het definitief mis. Volgens Clara veranderden de engelen die hem in een februarinacht nog vriendelijk toezongen tegen de ochtend in duivels die hem de afschuwelijkste muziek lieten horen, schreeuwend dat hij een zondaar was die in de hel moest worden geworpen. Schumann gilde het uit van angst voor de monsters die hem wilden verslinden. Hij zei zijn vrouw te willen verlaten omdat hij bang was dat hij haar iets zou aandoen. Clara, zwanger van haar jongste zoon Felix, klampte zich aan hem vast. Er waren twee verplegers nodig om de zieke componist in toom te houden.

De dagen daarna ging het bergafwaarts met Schumann. Op 24 februari nam concertmeester Ruppert Becker de componist mee uit wandelen. In een visioen was Franz Schubert (1797-1828) aan hem verschenen, vertelde Schumann, en had hem een prachtige melodie laten horen, die hij had opgeschreven en waarop hij variaties had gecomponeerd. Drie dagen later sprong hij in de Rijn, en wisten een paar vissers Schumann uit het water te redden. Vanuit hun roeiboot probeerde hij nog eens in het water te springen, maar de vissers hielden hem tegen. Schumann werd door acht mannen door een feestvierende menigte geleid — het was carnaval in Düsseldorf — en naar zijn huis gebracht.

Na een kort verblijf in het plaatselijke ziekenhuis werd hij op 4 maart naar de privé- kliniek van dr. Richarz in Endenich gebracht. Op 14 september schreef Schumann vanuit de kliniek aan Clara: «Was het een droom dat we de vorige winter in Holland waren en dat je overal zo overweldigend werd ontvangen, vooral in Rotterdam, en dat er speciaal voor ons een fakkeloptocht werd gehouden? Je speelde er zo prachtig Beet hovens Concert in E majeur en zijn Sonates in C majeur en F mineur, en ook de Études van Chopin, de Lieder ohne Worte van Mendelssohn en mijn eigen nieuwe concert in D. Herinner je je nog het thema in E majeur dat ik ’s nachts hoorde en waarop ik variaties heb geschreven?»

Schumann zou nimmer beter worden. Hij verbleef bijna tweeënhalf jaar in Endenich, waar hij achterdochtig was, vreesde vergiftigd te zullen worden, en zich impulsief en agressief gedroeg jegens de oppasser. «Gisterenavond en vanochtend verbrandde hij de brieven van zijn vrouw», vermeldt zijn gedeeltelijk bewaard gebleven medisch dossier op 16 april 1856. Op 9 juni kreeg hij bezoek van Johannes Brahms, die hem met zijn verjaardag feliciteerde. Schumann gedroeg zich opstandig en nors, zei dat de chocola die werd geserveerd vergiftigd was. Verder sprak hij geen woord en hield zich alleen met zijn atlas bezig.

In de zomer van 1856 ging het steeds slechter met hem. Hij sprak nog minder, verloor de controle over zijn ledematen en werd door krampen gepijnigd. Hij weigerde voedsel, vermagerde en had oedeem aan zijn voeten. Op 23 juli 1856 werd Clara per telegram naar Endenich geroepen. Zij ging meteen, in gezelschap van Brahms. Volgens het dossier van 26 juli had Schumann krampachtige vertrekkingen van gezichtsspieren en ledematen, gepaard gaand met hoesten en een reutelende ademhaling. Op 27 juli vond het weerzien tussen de echtelieden plaats. Met moeite legde hij een arm om Clara heen en glimlachte; hij leek haar te herkennen en sprak met half verlamde tong een paar woorden. Zij gaf hem iets te eten. De volgende twee dagen bezocht zij hem nog eens samen met Brahms. Op dinsdag 29 juli 1856, ’s middags om vier uur, stierf Robert Schumann.

Over zijn diagnose zijn psychiaters het niet eens. Zelf dacht Schumann dat zijn psychische ziekte het gevolg was van syfilis. Hij had dat opgelopen in 1831 en zou behandeld zijn met arseen of kwik, wat volgens sommigen zijn merkwaardige functiestoornis van de rechter wijs- en middelvinger zou kunnen verklaren. De arseen zou een beschadigende werking hebben uitgeoefend op zenuwen en spieren. Dat is echter onwaarschijnlijk, aangezien men dan beiderzijds afwijkingen zou verwachten, en eerder aan de benen dan aan de handen.

Er is vaak gezegd dat Schumann vanwege een door hemzelf veroorzaakte aandoening aan de rechterringvinger ervan afzag concertpianist te worden. Dat klopt ook niet met de feiten. Het ging om de andere twee vingers van zijn rechterhand, en hij had al veel eerder besloten om geen pianist maar componist te worden. Schumann meende dat de pijn in de vingers door overbelas ting kwam, omdat hij al vroeg in zijn leven veel piano speelde. Volgens moderne neurologische inzichten zou dat heel goed kunnen als we aannemen dat er sprake was van dystonie: een veranderde stand van de gewrichten door een disbalans van de spieren gepaard gaand met pijn. Dystonie is het best te vergelijken met schrijfkramp. Dat Schumann al vroeg besloot om geen pianist te worden, heeft meer te maken met zijn wat teruggetrokken en schuwe persoonlijkheid. Daarom is het onbegrijpelijk dat Schumann later wel besloot om dirigent te worden.

Of Schumann, net als Franz Schubert en Hugo Wolff, te gronde ging aan dementia paralytica (hersensyfilis) is geen uitgemaakte zaak. De voor die ziekte zo typische grootheidsideeën had hij nimmer. En over de vraag of er sprake was van schizofrenie (die gepaard gaat met het horen van stemmen en psychische teloorgang) of manisch-depressieve ziekte (nu veelal bipolaire stoornis genoemd) verschillen psychiaters van mening. De psychiaters E. Slater en A. Meyer zetten in een grafiek het aantal composities van Schumann per jaar af tegen zijn stemmingswisselingen. Op grond daarvan is de diagnose manisch-depressief waarschijnlijk. Zowel eind 1833 als in 1844 had Schumann een depressie, waardoor hij in die jaren (bijna) niets produceerde. In 1840 en 1849 componeerde hij extreem veel, wat past bij langdurige hypomane (licht manische) episoden. In 1840, het jaar waarin hij met Clara trouwde, componeerde hij meer dan 150 liederen, een aantal dat waarschijnlijk alleen door Schubert is overtroffen in diens Wunderjahr (1815).

Boze tongen beweren dat Schumanns tragische deconfiture het gevolg was van zijn mislukte dirigentschap én de opkomst van de 23 jaar jongere Brahms, die een verhouding had met Clara. Nu kun je overal wel een soap van maken. Tenslotte was het Schumann zelf die als eerste Brahms’ uitzonderlijke talent inzag. Hij noemde hem «de apostel van de nieuwe muziek». Schumanns ziekte was niet het gevolg van een «relatieprobleem» en evenmin een manier om zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken, en al helemaal niet de schuld van de maatschappij of van zijn vrouw, ook al zocht ze hem, behalve kort voor zijn dood, in de kliniek nooit op. Nee, het zat anders. Schumanns bange droom dat hij gek zou worden is uitgekomen. Het zat in de familie.

Ten slotte blijft de lastige vraag over of Schumanns ziekte weerspiegeld wordt in zijn muziek. Volgens de psychiater Van der Drift is de psychose wel degelijk van invloed geweest op Schumanns composities. Veel van zijn werk zou een onrustige, gejaagde, angstige ondertoon bezitten; zelfs in feestelijke stukken suggereert Schumann een griezelige leegte achter het feestgedruis. Latere composities zouden volgens kenners al defecten vertonen, schrijft Van der Drift in Existentie in licht en duister (1970).

Persoonlijk denk ik dat je Schumanns ziekte en muziek maar het beste los van elkaar kunt zien. Hoewel het elfde lied uit de Kerner Lieder (1840) de vraag opwerpt: «Wer machte dich so krank?» — een dagelijks terugkerende vraag in de psychiatrie. De schrijver van de liederen, Justinus Kerner (1786-1862), was behalve dichter ook arts, met een gigantisch drankprobleem. Ook Schumann was vooral in zijn studententijd een stevige drinker. In zijn lied oppert Kerner een paar mogelijkheden waardoor je ziek kunt worden: een koele wind uit het noorden, een schaduw onder bomen of een bange droom. Maar de dichter kiest uiteindelijk een andere mogelijkheid: doods wonden — «Daß ich trag’ Todeswunden,/ Das ist der menschen Tun;/ Natur ließ mich gesunden,/ Sie lassen mich nicht ruhn.» Ach ja, dat waren we bijna vergeten. We zitten hier in de vroege Romantiek.

Ondanks zijn ernstige psychiatrische aandoening heeft Robert Schumann de schitterendste muziek gecomponeerd. Van symfonieën en pianosonates tot een opera. Neem bijvoorbeeld de «Rheinische» Symfonie opus 97, de Études symphoniques opus 13, de Kinderszenen opus 15 of de Kreisleriana opus 16, gespeeld door pianisten uit onze tijd, zoals Klára Würtz of Evgeny Kissin. Het is slechts een fractie van een overweldigend mooi oeuvre.