Compromisloze overgave

De moderne fysica moge redelijk exact kunnen uitrekenen wat licht doet, hoe het werkt, hoe het zich verhoudt tot verschijnselen als protonen en elektronen, toch heeft ze geen antwoord op de vraag wat het is, laat staan dat ze kan verklaren waarom het ons zo mateloos fascineert.

Zoals de kaarsvlam insecten naar zich toe lokt en koplampen het konijn betoveren, trekt vrijwel iedere lichtbron onze aandacht. Als dagdieren vrezen we de duisternis, het licht maakt het mogelijk schoonheid te zien, en willen we iets zeggen over God, dan doen we dat doorgaans in lichtmetaforen. Maar wat ís licht?

De dertiende-eeuwse filosoof Robert Grosseteste, bisschop van Lincoln, schreef in De luce ‘dat het licht als primaire materie het universum beheerst,/ zich voortplant en verspreidt in het heelal’, aldus H.C. ten Berge in zijn nieuwe bundel, die Splendor (schittering) heet. Ten Berge (1938) noemde zijn eerste verzamelbundel Materia prima (1993). Is licht dus een vorm van poëzie? Of geven gedichten licht? Dit is wat licht voor Grosseteste betekende:

Vlamde ’s nachts de noorderhemel voor zijn ogen op,

woeien sluiers van licht langs de kim,

werd de goddelijke zon op een zomerse dag

een vuurspuwend lichaam, gevoed door onkenbare kracht,

door een eeuwige bron die onzichtbaar, achter de zon,

het uitspansel van sterren en kometen voorzag.

De filosoof was als kerkvorst een gevreesd man, bijna niemand las zijn werk, ‘zijn boeken verspreidden zich niet/ als het licht dat hij zo minutieus had beschreven’. Is het een vreemde gedachte dat Ten Berge zich tot op zekere hoogte met Robert ‘Groothoofd’ identificeert?

Kenmerkend voor de poëzie van Ten Berge is dat hij tegen de klippen op blijft zoeken naar de ‘onkenbare kracht’ die het heelal in beweging houdt, terwijl hij als post-christen doordrongen is van het feit dat God, of hoe je zo’n kracht ook zou moeten noemen, een fictie is. Anders dan Ezra Pound, die het fascisme omarmde, en T.S. Eliot, die toetrad tot de Anglicaanse kerk, is Ten Berge als modernist consequent gebleven. De kosmische orde is een stuurloze chaos gebleken, politieke idealen zijn verdampt, alleen het verlangen is gebleven.

In deze bundel richt dat verlangen zich op het licht, in al zijn verschijningsvormen. Typerend voor Ten Berge is dat hij zijn zoektocht beleeft via de teksten van anderen, alsof zij die nog echt geloofden hem kunnen helpen om het vertrouwen in zijn project niet te verliezen. Afgezien daarvan weet deze dichter dat hij, zoals een twaalfde-eeuwse denker het uitdrukte, als dwerg op de schouders van reuzen staat. Hij eert zijn illustere voorgangers, zelfs in die mate dat in sommige gedichten het onderscheid tussen poëzie en essayistiek fluïde wordt: het is heftige, hier en daar aangrijpende lyriek, die er geen been in ziet zichzelf nuchter te becommentariëren.

Het eerste, acht pagina’s tellende, gedicht, Ik vlieg door de dertiende eeuw, opent met een verwijzing naar Genesis én Eliots The Waste Land:

Scherend over onland en woesting, de zandzee van de ziel

die onbenoemd en onbekend in al zijn naaktheid

op het vuur van de verlossing verleiding wacht,

overstraalt de magere taal der mystiek

mijn schraal bekleed gebeente.

God is verdwenen, wat rest is slechts leegte, maar ‘het braakland van de ziel’ slaagt er toch nog in zichzelf aan te vuren tot hartstocht en extase. De dichter voert ons met nauw verholen ontzetting langs een rariteitenkabinet van geschifte mystici en weerzinwekkende asceten, maar wat vooral doorklinkt is bewondering voor de compromisloze overgave aan iets wat de meesten van ons onmogelijk kunnen meevoelen. Christina von Hane, Margareta van Ieper en Marie d’Oignies hebben een licht gezien dat voor hen volstrekt reëel is geweest. Met opgeschort nonnenkleed ligt Adelheid in een stal te wachten op haar hemelse minnaar, ‘je dijen fors, je heupen breed’, tot Hij haar neemt als een beest. Daar kan geen geletterde twintigste-eeuwer tegenop.

Niet alle gedichten in Splendor getuigen van mystieke vervoering. Aardse erotiek lijkt een meer haalbaar substituut. Ook dat is een constante in het werk van Ten Berge. Er is een min of meer allegorische reeks waarin zijn alter ego de Oude Specht zichzelf niet spaart. ‘Afgesneden van het leven zoekt hij/ steeds de mythe, maar de mythe trapt hem/ als een beest weer naar beneden’. Hij is graag alleen, maar ‘o hoe onweerstaanbaar/ de vrouwen, de volslanke wijven’ in wier tred en lach hij zich op afstand verlustigt, vanzelfsprekend zonder dat zij iets in hem zien. Seks is voor hem vooral herinnering.

In enkele gedichten kijkt hij ook terug op zijn dichterschap, dat van meet af aan uitzonderlijk ambitieus is geweest. Toen hij ondervonden had dat hij het wiskundig talent ontbeerde om sterrenkundige te worden en al evenmin een begenadigd musicus bleek te zijn, stortte hij zich op de poëzie, die het ijskoude heelal zou moeten belichamen: ‘kometen kromden hun baan in de woorden’. Maar kan taal ooit meer zijn dan een zwakke weergave van wat er is? ‘Wanhoop sloop geruisloos in de zinnen’ en het heelal was te groot. ‘Het leven bespotte onnozele dromers.’

Een dromer is Ten Berge, gelukkig, altijd gebleven, maar dan wel een intellectueel doortastende dromer. Splendor is een fonkelende, vlammende bundel van een vitaal dichter, naar wiens volgende bundels ik al weer halsreikend uitzie.


AUGUSTUS

Door licht overmeesterd

schieten ogen vol

met morgenrood –

een gloed die regen brengt

maar ook het bloed geneest

van aangestoken dromen.

Even zijn jouw ogen net als die van mij

verblind, ze lijken bloeddoorlopen.

Je wendt je af, maar raakt niet uitgekeken.

Er is alleen maar dit:

de zon klimt hoger op, haar rode schijn

verzwakt al in de ruiten.

Eerste pluimen aan de hemel.

Wit. Nog zonder smet.