H.J.A. Hofland

Concentratiekamp Guantánamo

«Er moet iets veranderen in de Amerikaanse mentaliteit», zei de Luxemburgse minister Jean Asselborn na de drie zelfmoorden in Guantánamo. Eerder hadden premier Blair, bondskanselier Merkel en nog een paar leidende politici, evenwel geen Nederlander, op sluiting van het concentratiekamp op Cuba aangedrongen. Vergeefs. De Luxemburger heeft eindelijk eens bescheiden maar ondubbelzinnig laten weten waar het op staat. In Guantánamo zijn al meer dan vier jaar 460 «enemy combatants» – levende oorlogsbuit uit Afghanistan – opgesloten, zonder uitzicht op een proces volgens de regels van het recht. Een enkele keer zie je op een met een telelens gemaakte foto hoe ze het daar hebben. Tussen twee bewakers wordt een vijandelijke strijder van a naar b gebracht. Uitzicht op verandering is er niet.

Er zijn hongerstakingen geweest. Opstanden zijn neergeslagen. Er zijn tientallen pogingen tot zelfmoord gedaan. Drie gevangenen is het nu gelukt. Ze waren opgeborgen in afzonderlijke cellen in kamp 1, de afdeling waar de scherpste regels gelden. Schout bij nacht Harry Harris, de kampcommandant, reageerde onmiddellijk. «Ze hebben zichzelf niet gedood uit wanhoop. Dit is een daad van asymmetrische oorlogvoering, tegen ons gericht. Ze zijn slim, ze zijn creatief, ze zijn toegewijd.» Toen bleek dat een van de drie op de nominatie stond om te worden vrijgelaten. Die had daar dus vier jaar voor niets gezeten. President Bush toonde zich «ernstig bezorgd». Het was ook van het grootste belang dat de lichamen «menselijk, met respect en culturele gepastheid» werden behandeld.

Als je niet beter wist, zou je denken dat je hier te maken had met een coproductie van Franz Kafka en Eugène Ionesco, door George Orwell van een politieke inhoud voorzien. Maar dit is al meer dan vier jaar onderdeel van de penitentiaire praktijk zoals die door de hypermacht onder goedkeuring van de machtigste man ter wereld unverfroren dagelijks wordt toegepast. Minister Asselborn vergist zich gedeeltelijk. Het is niet de Amerikaanse mentaliteit, maar de mentaliteit van de Amerikanen die in George W. Bush hun leider zien, of zagen. Het is één geval in een reeks van varianten, maar in laatste aanleg altijd onversneden het recht van de sterkste, die weet dat hij de sterkste is en die er daardoor van overtuigd is dat hij het recht van anderen aan zijn laars kan lappen als hem dat uitkomt.

Zo was het al voor 9_/11 toen de president aankondigde dat Amerika het verdrag van Kyoto opzegde, zich aan het Internationaal Strafhof onttrok, de betekenis van internationale organisaties devalueerde. Hij bewees het opnieuw toen hij tegen de internationale wil de oorlog tegen de Taliban voerde. Volgende bevestigingen kwamen met de neoconservatieve abracadabra over Mars en Venus, de Amerikanen als koks in de keuken en de Europeanen die de afwas deden. De krijgskundige theorieën van minister Rumsfeld gaven Amerika _carte blanche in de hele wereld. Denk aan de Nuclear Posture Review, het verzinsel van Rumsfeld dat de Amerikanen het recht gaf preventief te interveniëren, desnoods met kernwapens.

Dus hadden Bush en de zijnen het volste recht hun oorlog tegen Irak te beginnen. En daar kwamen de volgende rampen, onvermijdelijk: de plunderingen, Abu Ghraib, de zuivering van Fallujah, en nu onlangs de moordpartij in Haditha en de rellen in Kaboel. Onopgelost is het raadsel van de renditions, het geheime vervoer van gevangenen door de cia naar landen waar mag worden gemarteld. Grote politiek en «incidenten», alles past in het patroon van de zichzelf overschattende, contactgestoorde machtigste man ter wereld.

Daarmee wil ik niet zeggen dat het fundamentalistische terrorisme geen levensgevaar voor het hele Westen zou zijn. Natuurlijk moeten we ons ertegen verweren. En natuurlijk hadden de Amerikanen na 9_/11 het volste recht de schuldigen op te sporen, buiten gevecht te stellen en zo mogelijk te straffen. In Europa is dat niet bestreden. Wij zijn allen Amerikanen, schreef _Le Monde de volgende dag. Dat aanbod van solidariteit – dat was het – is door Bush c.s. onmiddellijk verworpen. Vervolgens hebben zich onder zijn leiderschap de mondiale catastrofes ontwikkeld, de strategische waarvan Irak het grote voorbeeld is, met Afghanistan opnieuw in ontwikkeling, en de juridische, van Abu Ghraib tot Guantánamo.

Nu is in Irak de terroristenleider al-Zarqawi gedood, door Bush c.s. lang geadverteerd als het brein achter alle ellende in dit land. Overheersend is de conclusie dat met het uitschakelen van al-Zarqawi de oorlog niet is afgelopen, misschien integendeel. Langzamerhand onder de indruk van de puinhoop die ze in drie jaar democratisering hebben aangericht, worden de militaire leiders in Washington bescheidener. Dat zou tijd worden, maar het helpt niet. De chaos daar duurt voort. En tot verbazing van de bondgenoten is in Afghanistan na vier jaar democratisering van dat land de Taliban ook weer overeind gekrabbeld.

Er moet iets veranderen in de Amerikaanse mentaliteit, zei de Luxemburgse minister. Nee, in de mentaliteit van dit Washington. Genoeg Amerikanen hebben bij het eerste aantreden van Bush de catastrofe zien aankomen. Maar ze verloren, ze werden systematisch overschreeuwd. Daarna is het hele Westen met propaganda en leugens een strategie verkocht die ons in een steeg heeft gebracht. Met medewerking van de ministers Balkenende, Bot en Kamp en politieke leiders als Van Baalen en Verhagen. Volgende week komt Bush bij de EU op bezoek. Daar zal hem worden gevraagd Guantánamo te sluiten. Te laat, dames en heren. En het helpt niet. Het wachten is op de volgende president, met de andere mentaliteit. Nog tweeënhalf jaar.