Condoom over de banaan

Juist in de overgeseksualiseerde samenleving, zo klinkt het van alle kanten, kun je kinderen niet vroeg genoeg uitleggen hoe ‘het’ allemaal werkt. Maar wát moet je uitleggen als seks ‘overal’ is – op internet, abri’s, televisie – en tegelijk eigenlijk nergens over gaat?

Dat de overheid seksuele voorlichting héél belangrijk vindt blijkt uit het gisteren verschenen rapport Seksuele gezondheid en allochtonen. Kennelijk is er aanleiding geweest om allochtonen apart te benaderen. Volgens de onderzoekers van de Rutgers Nisso Groep en Soa Aids Nederland zijn ‘allochtonen oververtegenwoordigd als het gaat om seksueel overdraagbare aandoeningen en onbedoelde zwangerschappen. Bovendien zijn zij vaker slachtoffer en dader van seksueel geweld.’ Hier ligt een probleem: gebrek aan kennis over het condoom als bescherming tegen geslachtsziekten en spermatozoïden, en geen goed besef van wat de grenzen zijn tussen lust en liefde en tussen dwang en vrijwilligheid. Campagnes in de media en seksuele voorlichting op scholen moeten dit gapende gat nu gaan vullen.

Het doel hiervan is natuurlijk prima. Maar belangrijker zijn de oorzaken van het gesignaleerde probleem. De onderzoekers formuleren die wel érg eufemistisch: ‘een losse levensstijl van een deel van de allochtonen, die te maken heeft met een laag zelfbeeld en een negatief toekomstbeeld, uitend in een achteloze houding ten aanzien van seks’. En: dat ‘een deel van de beschreven groep seksueel erg actief is en relatief veel vluchtige seksuele contacten heeft’.

Sinds wanneer is ‘een losse levensstijl’ en ‘seksueel erg actief’ typisch voor allochtonen? Wat is seksueel érg actief eigenlijk? Er bestaat een groot verschil tussen rukken achter het internet, wippen met het buurmeisje in het fietsenhok of met je makkers een meisje gangbangen.

Wat zij hier zeggen is iets anders: allochtone jongeren experimenteren, net als alle pubers, maar doen dat anders dan hun autochtone generatiegenoten: onverantwoord, seksistisch, soms grof en zonder het besef dat daar kinderen en ziektes van kunnen komen. En dat zou ‘cultuurbepaald’ zijn. Wat dat inhoudt, ligt echter veel gecompliceerder. Een laag zelfbeeld? Wat een flauwekul. En ‘allochtonen’ is een onbruikbaar containerbegrip. Bij Turken en Marokkanen heeft ‘cultuur’ eerder te maken met een verstikkend sociaal klimaat binnen de gemeenschap. Een gebrek aan openheid en individuele vrijheid, dat het gevolg is van een combinatie van het geloof en een conservatieve, rurale mentaliteit. Dat komt bij uitstek tot uiting in een krampachtige houding ten aanzien van seksualiteit. De cultus van het maagdenvlies, de patriarchale verhoudingen, machogedrag en de controlerende roddelcultuur binnen de eigen gemeenschap trekken een zware wissel op meisjes. Bij jongens vindt het sociaal onderdrukken van gierende hormonen een onbeholpen en soms grove uitweg. Bij Surinamers en Antillianen zijn vaders veelal de grote afwezigen en worden kinderen opgevoed in een sister-cultuur. Over een lekkere wip wordt niet moeilijk gedaan, maar jongens krijgen tegelijkertijd geen goede voorbeelden van huis mee.

Het onderzoek trekt als het ware een condoom over het echte probleem heen. Ja, voorlichting beoogt ‘een mentaliteitsverandering’ teweeg te brengen. Dat is in het licht van de oorzaken wel erg ambitieus. Je redt het dan ook niet met de seksuele voorlichting zoals die in de tijd van de seksuele revolutie werd gegeven. De biologieleraar die het gebruik van een condoom uitlegde door het onder luid gegiechel over een banaan te schuiven. Bij de beoogde doelgroep moet die seksuele bevrijding – die gaat over keuzevrijheid, lichamelijke soevereiniteit, seksegelijkheid en seksuele voorkeur – thuis eerst nog uitbreken.