Conflict

Er was in de jaren zestig een ‘generatieconflict’. De linkse, moderne jeugd kwam in opstand tegen de vooroorlogse generatie. Je was in 1968 in de twintig, je was het kind van vlak na de oorlog, je keek om je heen en je zag dat je ouders de draad van 1940 hadden opgepakt; het was alsof ze niks van die rotoorlog hadden geleerd.

De RAF en de Rode Brigades waren uitingen van jeugdcultuur – zo heette dat toen. Beatles, Stones, Dylan maakten andere, revolutionaire muziek – Help, Sympathy for the Devil, The Times They Are a Changin’. Er moesten andere concepten komen voor leven en liefde; wij wilden het voor het zeggen hebben en niet dat ingeslapen zooitje wat ouders heette en dat alleen maar oorlogs­wonden zat te likken, een oorlog waar ze misschien zelf wel verantwoordelijk voor waren, want moedig waren ze niet geweest en hun houding jegens de Duitsers was grijs geweest.

Er waren in die jaren zestig constant rellen in de stad. Zeker op Koninginnedag en 1 mei. Ik heb zelf ook nog met rode vlaggen gelopen en rookbommen gemaakt van spul dat om fietsen zat en enorm stonk. (Je kon ook mooie rookbommen maken van pinpongballen met zilverpapier.)

Er was onmatige woede; we waren provo’s, socialistische jeugd, kabouters en pacifisten – dat liep allemaal door elkaar heen.

Waar waren we eigenlijk boos om?

Het had met ‘onrechtvaardigheid’ te maken. Maar wat precies?

Ik weet het niet meer. Het was de wens om gehoord te worden. De jeugd werd een meerderheid. Ze voelden de mogelijkheid om daadwerkelijk veranderingen aan te brengen. Of het nu tien over rood heette of een partijtje libre.

Er is nu weer een generatieconflict.

De babyboomers versus de baby’s. De babyboomers hebben de ruif leeggegeten en er niet voor gezorgd dat er nieuwe aanwas was. Hebben ze recht op die hoeveelheden geld, terwijl zij voortdurend ziek zijn en zo de kosten van de zorg opdrijven? (Ik vat het maar even wat simpel samen.)

De jeugd heeft gelijk.

Ze zouden de straat op moeten om tegen ons te protesteren. Kan Van Heutz niet weer eens beklad worden, of bestaat dat beeld al niet meer en hebben wij dat destijds weg gekregen.

Ik denk dat de jeugd dit niet gaat doen. Ze zijn verstandiger dan wij waren – veel verstandiger. Maar daar zit ook iets tragisch in. Want ze beseffen dat ze minder macht bezitten dan de oudjes.

Er is namelijk meer oud dan jong.

En omdat jong in deze tijd ook een waardevol leven wil, verzaken ze kinderen te maken. Waar moet je drie, vier kinderen van betalen? Opa en oma verspelen hun pensioen in een El Dorado waar ze ook nog eens weinig belasting hoeven te betalen.

De rijke ouderen worden rijker, de arme jongeren wanhopiger.

En doordat er nauwelijks kinderen worden geboren, vervalt de cultuur.

Met een beetje goede wil wordt Henk Krol van 50-plus nog minister-president van dit Bejaardenland waar het leven op pantoffel­snelheid draait.

Wat moet je doen als jongere? Dit land verlaten zodat het helemaal een terrarium voor de schuifelende Schilferzilverhaar wordt? Of blijven in het besef dat het je ouders niet gelukt is om het land voor jou beter achter te laten?

Ik denk dat er met die ouderen te praten valt. Geef ze wat extra viagra, een snorfiets – een absolute voorwaarde – de Drionpil en ze zijn bereid meer belasting te betalen dan ze nu doen.

Ik zou er geen enkele moeite mee hebben, terwijl ik toch een walgelijke kapitalist ben.

Maar al dat geld dat ik zou willen hebben, zou ik alleen ten goede willen laten komen aan mijn eigen kinderen en kleinkinderen.

En ach, dan is de stap naar de gemeenschap niet ver meer.

De babyboomer wil knallen.