Confrontatie

Mijn ouders dachten dat als wij, hun kinderen, maar veel ‘goede kunst’ zouden bestuderen wij betere mensen zouden worden. We zouden door die kunst meer keuzes in het leven kunnen zien, want de muziek, de beeldende kunst, de literatuur had ons daarin misschien wel tot voorbeeld gestrekt. We zouden als vanzelf ‘smaak’ ontwikkelen, en uiteraard zouden we, en dat was het belangrijkste, door bestudering van de klassieken betere morele oordelen kunnen vellen.

Ik heb dat ook lange tijd geloofd.

Ik kwam voorbeelden van het tegendeel tegen.

Goebbels wist veel van kunst, maar hem kun je toch echt geen verheven denker noemen. Hoewel? In zijn eigen tijd en in zijn eigen land werd hij zeker gezien als een groot man.

Mijn eigen held, Jean-Paul Sartre, las bij voorkeur detectives. Hij was dol op de thrillers van Ellery Queen, en als hij naar films ging (en hij ging vaak naar films) dan wilde hij vooral naar vechtfilms. Vooral cowboys versus indianen boeide hem.

De constante confrontatie met kunst heeft vermoedelijk niets met ‘juiste inzichten’ van doen.

Maar toch.

Ik ken iemand in mijn vriendenkring die een groot kunstliefhebber is. Hij heeft ook een bewonderenswaardige levenshouding. Hij is vriendelijk, lief, intelligent. Maar toen ik met hem laatst over kunst sprak omdat hij zulke mooie kunstboeken heeft, begreep ik dat hij alleen van kunst houdt met een sociale inslag. Hij heeft bijvoorbeeld zo’n vijfhonderd fotoboeken van fotografen die hij goed vindt, maar die fotografen hebben altijd ‘geëngageerde’ foto’s gemaakt. Ze toonden de armoede, het onrecht in de wereld, het verdorvene van het kapitalisme. Toen ik mijn vriend daarop attent maakte, zei hij: ‘Maar als kunst niet het onrecht of de onrechtvaardigheid in de wereld toont, hoe weet je dan dat het goede kunst is?’

‘Dus jij beoordeelt een kunstwerk aan zijn maatschappelijke betrokkenheid?’

‘Laat ik er niet om liegen: eigenlijk wel.’

Ik zag opeens wat het verband was tussen zijn kunstboeken.

Maar welke kunst wees hij dan af?

‘Het absurdisme’, zei hij.

Toevallig hou ik daar heel veel van, en ik vroeg toen of hij speciaal van ‘linkse kunst’ hield.

‘Je moet het niet omdraaien’, zei hij toen en zweeg verder.

Ik vond het interessant.

Het was me, als columnist, wel eens vaker opgevallen dat je bijvoorbeeld lezers hebt die enthousiast raken als je een diep doorvoeld maatschappelijk betrokken verhaal hebt geschreven. Ik hield daar vroeger ook van, maar ik kan daar niet meer van houden. Het komt me als te eenvoudig voor.

‘Stel nou dat ik hield van fascistische of communistische kunst’, vroeg ik aan mijn vriend, ‘en ik had een bibliotheek vol realisme: gezonde blanke boerinnen, sterke blanke boeren en blij kijkende arbeiders die trots waren op hun ambacht, zou je mij dan verdacht vinden of op z’n minst suspect?’

‘Ja’, zei mijn vriend, en ik geloof dat hij het meende.

Ik vond dat een schokkende opmerking. Ik zou best zo’n bibliotheek willen zien. En zelfs wel bezitten. Ooit was ik bij een rijke ondernemer in Moskou die voor een prikkie op veilingen zulke kunst weghaalde: Lenin bij de boeren, Lenin brengt een bezoek aan de staalfabrieken, Mao voert een demonstratie aan, Mao en nog drie Chinese leiders en Henk Sneevliet komen aan in Peking… Ik keek mijn ogen uit. Het was allemaal niet zo best geschilderd en getekend, en de kleuren en de kleurencombinaties waren soms afgrijselijk! Maar juist dat naïeve dat het zo onrealistisch maakte, terwijl ze realisme wilden bedrijven (het moest precies lijken) schiep een wereld waar ik mijn ogen niet van kon afhouden. Ik vertelde dit aan mijn vriend.

‘Ja, ik zou dat ook zeer mooi vinden’, zei hij, ‘ik heb dat ook wel verzameld. Maar ik hou toch meer van kunst waardoor je niet expliciet, maar impliciet onrecht gewaar wordt. Onrecht als subtekst.’