Confucius door PISA in de knel

Sjanghai – Op zaterdagochtend hangen de tijgerouders in hun stoelen in de restaurants en cafés in Sjanghai, frunnikend aan hun mobiele telefoons of starend in de krant. Hun zoon of dochter heeft niet zelden schriften en schoolboeken uitgestald naast de koffiekopjes. Hello Kitty-pen in de aanslag. De verwachtingen van moeder en vader leunen zwaar op de schouders van hun enig kind.

Deze kinderen hebben het geluk in Sjanghai naar school te gaan; de grootste stad van China (twintig miljoen inwoners) scoort sinds 2009 het hoogst in de test van pisa, het onderwijsorgaan van de oeso. Zowel in wiskunde, wetenschap als lezen behalen de Chinese vijftienjarigen de hoogste scores. Het Britse ministerie van Onderwijs was onder de indruk en regelde subiet een uitwisselingsprogramma voor wiskundedocenten.

Volgens sommigen worden kinderen op militaire wijze klaargestoomd voor hun toekomst. Al op de kleuterschool wordt weinig gekleurd, geknoeid en gespeeld; de driejarigen zitten in een halve cirkel voor de juf en reciteren Engelse woordjes. Op de lagere school zijn er van half negen tot half vijf lessen, vergaderingen van clubs en commissies en buitenschoolse activiteiten. Daarnaast vaak nog bijles en viool-, sport- en/of kalligrafieles. Alles om een plek te verdienen aan een gerenommeerde universiteit.

Het rigide schoolregime werpt zijn vruchten af, toont het pisa-onderzoek aan. Maar in China klinken ook kritische geluiden. Al die kennis is mooi, maar zijn de kinderen straks in staat om hun droge lessen te linken aan belangrijkere doeleinden? ‘Studenten moeten worden beoordeeld op kenmerken die hen Chinees en patriottisch maken’, schrijft Wan Lixin, commentator van de Shanghai Daily. In de boeken van zijn elfjarige zoon vindt hij enkel Romeinse en Griekse sagen, moderne uitvinders, wetenschappers en politici. ‘Er wordt geen enkele poging gedaan om onze kinderen te inspireren met een consistente verzameling kernwaarden.’

Hij roemt een school in Xuhui District waar de lesdag wordt begonnen met het zingen van een dizigui, een rijm met confuciaanse lessen. Meditatie zou deel moeten uitmaken van het dagelijkse lespatroon, vindt Lixin. Immers, meditatie is zowel in het boeddhisme als in het confucianisme een belangrijk element voor verlichting en zelfdiscipline.

Lixins pleidooi past in de bredere roep om meer duiding in het Chinese onderwijs. Die duiding kan van bovenaf worden opgelegd, óf leerlingen kunnen meer worden gestimuleerd om de lesstof zelf te interpreteren. Dat laatste zal waarschijnlijk een brug te ver zijn voor de Chinese overheid. Hoe ‘succesvol’ het schoolsysteem ook is, domweg feiten en formules stampen voldoet ook in China niet meer.