China als wereldmacht Gebrek aan soft power

Confucius’ strijders

Wil China echt een supermacht worden, dan moet het eerst enkele levensgrote obstakels overwinnen. Is de economische groei niet een enorme zeepbel? Accepteert de wereld een land dat zo autoritair omspringt met zijn burgers wel als nummer 1?

De ondergang van de Chinese Volksrepubliek, hoe vaak is die niet met bijna mathematische zekerheid voorspeld? Ook aan het begin van de huidige wereldcrisis ontbraken de zieners niet die het einde van het Chinese ontwikkelingsmodel en daarmee van de communistische partij zagen dagen. Het heeft steeds anders uitgepakt. En nu is het denken over China plotseling omgeslagen. Bijna iedereen weet tegenwoordig zeker dat China de Verenigde Staten als wereldleider zal verdringen. Alsof China onder wereldleiderschap hetzelfde zou verstaan als het Westen. Alsof er niet meer dan één leider zou kunnen zijn. En alsof er op China’s pad naar de status van wereldmogendheid geen levensgrote obstakels zouden liggen.
Voorspellingen over de instorting van het Chinese regime zijn de ene na de andere wishful thinking gebleken. De dood van Mao in 1976 luidde, ondanks alle door hem ontketende rampspoed, niet het voorspelde begin van de ondergang van de Volksrepubliek in. Het was een signaal voor het begin van een economische revolutie die China een duizelingwekkende ontwikkeling heeft gebracht en de communistische partij een nieuwe legitimiteit.
In 1989, het jaar van de vallende communistische domino’s, dacht het Westen dat ook in China het regime zou worden weggevaagd. Pas later begreep men dat de Chinese communistische partij geen last had van de sclerose van de Sovjet-Russische en Oost-Europese partijen. Daarna deed een gierende inflatie bij sommige westerlingen de hoop op de ondergang van de Chinese communistische partij herleven. In de Azië-crisis van 1997 ging de ene na de andere munt onderuit. China echter weigerde zijn yuan te devalueren, waarmee het het Westen zeer aan zich verplichtte.
In 2001 publiceerde de Amerikaanse Chinees Gordon Chang een boek met de programmatische titel The Coming Collapse of China. Hij was niet de enige die achter de razende groei van China een decadent systeem ontwaarde dat weldra zou instorten. De zestig miljoen mensen die door de sluiting of privatisering van staatsbedrijven werkloos waren geworden, zouden het regime op straat ten val brengen en de grote staatsbanken zouden bezwijken onder de slechte leningen. Maar de werklozen vonden nieuw werk, en zonder tromgeroffel zijn de slechte leningen grotendeels weggewerkt. Niet het Chinese maar het westerse bankstelsel is onderuitgegaan. The Coming Collapse of China bleek van hetzelfde laken een pak als bijvoorbeeld het einde van de geschiedenis dat Fukuyama na de val van de Berlijnse Muur voorspelde.
Voor de China-doemdenkers was dit geen reden het doemdenken te staken. Na het uitbreken van de huidige wereldcrisis redeneerden ze dat de terugval in de Chinese export zou leiden tot massaontslagen en een uitbarsting van volkswoede die, zoals dat in het verleden in China zo vaak is gebeurd, het einde zou inluiden van de heersende dynastie.
Alweer mis dus. Tientallen miljoenen Chinese arbeiders, vooral migranten, verloren wel hun werk, maar kwamen niet in opstand. En na een scherpe daling is de export weer aangetrokken, vooral omdat Chinese exporteurs hun buitenlandse concurrenten veel klanten hebben weten te ontfutselen. De zuidelijke provincie Guangdong, waar een derde van de totale Chinese uitvoerproducten wordt geproduceerd, heeft tegenwoordig zelfs een groot tekort aan arbeidskrachten. Bovendien heeft de binnenlandse vraag een krachtige impuls gekregen door subsidies op auto’s en huishoudelijke apparatuur, terwijl de uitvoering van kolossale openbare werken legioenen arbeiders aan het werk heeft gezet. Maar de belangrijkste oorzaak van China’s snelle economische herstel was de tsunami aan bankleningen: ongeveer een biljoen euro in 2009. In datzelfde jaar groeide de Chinese economie alweer met 8,7 procent, veilig boven de grens van acht procent die geldt als het minimum om voldoende nieuwe banen te creëren en sociale beroeringen te voorkomen.
De conclusie ligt voor de hand: het Chinese ontwikkelingsmodel is kennelijk toch niet zo bizar als het Westen vaak heeft willen geloven. Het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’, zoals China zijn economische model noemt, is bij ons vaak weggelachen als een woordvondst die het onverenigbare - het socialisme en de markteconomie - moest verenigen. We dachten dat deze chimaera vanzelf wel zou terugkeren naar het rijk der mythen. Zodat we nu beteuterd moeten constateren dat ons superieur geachte model heeft gefaald, terwijl de achterlijk geachte Chinezen lachen in hun vuistje.
We begrijpen nu pas dat het met de invoering van de markteconomie in China nooit zo'n vaart heeft gelopen. Het is eerder een commando-economie, een mix van sovjetachtige centrale planning en cowboykapitalisme waarin de communistische partij alle beslissingen neemt. Bovendien bestiert de partij alle strategische sectoren van de economie, waaronder de grootste telefoonmaatschappij en de drie grootste banken van de wereld. Samen maken de staatsbedrijven nog altijd zo'n dertig procent van de economie uit.
De conclusie dat China onverbiddelijk oprukt naar de wereldheerschappij is echter wel erg kort door de bocht. Neem het recente boek When China Rules the World van de Britse Azië-kenner Martin Jacques. Zijn stelling over de historische onvermijdelijkheid van China’s terugkeer als supermacht weet hij weliswaar solide te onderbouwen, maar hij gaat wel erg gemakkelijk heen over de vele obstakels die er liggen op het pad naar mondiale grandeur. Zijn tegenpool is de Amerikaanse miljardair Jim Chanos. Deze hedgefund-investeerder maakte furore met zijn voorspelling over de ondergang van het energiebedrijf Enron. Zijn vonnis over het Rijk van het Midden is al even radicaal: 'China is een Dubai-zeepbel in duizendvoud.’
Een zeepbel? Het is waar dat er van de zondvloed aan bankleningen enorme bedragen zijn beland bij beursspeculanten of gebruikt voor overbodige projecten. En inderdaad, de onroerendgoedsector is wanstaltig gegroeid, de leegstand is enorm, de overproductie kolossaal, en de kans bestaat dat de banken naar het gros van hun kredieten kunnen fluiten. Maar uiteenspattende zeepbellen zijn al vaker voorspeld, en de Partij heeft wel voor hetere vuren gestaan. Daarom lijkt het verstandig de huidige economische oververhitting niet als fataal te beschouwen en ervan uit te gaan dat de Partij in staat zal zijn ook deze uitdaging te boven te komen.

Datzelfde geldt voor een paar andere problemen die al sinds jaren gelden als een bedreiging voor het Chinese ontwikkelingsmodel. Bijvoorbeeld. ’s Werelds topvervuiler weigert zijn groei af te remmen ter wille van het milieu, maar is tegelijk koploper op het gebied van de ontwikkeling van alternatieve energie. China vergrijst snel en het aantal geboortes blijft teruglopen, waardoor steeds meer ouderen ten laste komen van naar verhouding steeds minder jongeren. Maar voordat dit probleem onbeheersbaar wordt, hoopt men tegen 2020 een xiaokang shehui te hebben bereikt, een herleefd confucianistisch begrip over een maatschappij waarin iedereen het redelijk goed heeft. De nog altijd groeiende kloof tussen arm en rijk hoeft niet tot een chaos of rebellie te leiden, tenminste als de Partij erin slaagt haar lopende programma’s te verwezenlijken en uit te diepen. Het gaat dan om zaken als de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor de armen, de opbouw van een pensioenstelsel voor de boeren, de ontwikkeling van het achtergebleven westen van China en andere maatregelen die de verschuiving van de exporteconomie naar de binnenlandse consumptie bevorderen.
In veel opzichten staat China nog maar aan het begin van zijn ontwikkeling. Militair en technologisch heeft Peking nog een grote achterstand op Washington, terwijl een gemiddelde Amerikaan het qua inkomen en koopkracht veel beter heeft dan de gemiddelde Chinees. Maar China heeft bewezen met zulke kwantitatieve achterstanden verrassend snel raad te weten. Anders is het met minder meetbare zaken als de problematische relatie tussen regeerders en geregeerden, de ondoorzichtigheid en oncontroleerbaarheid van de macht, het gebrek aan rechtszekerheid, de weinig aantrekkelijke soft power die China ontplooit. Hier gaat het immers om diep verankerde culturele en ideologische verschijnselen, die niet met stimuleringspakketten, ontwikkelingsplannen of aankoop van moderne wapens zijn om te buigen.
De grote vraag is of een land een moderne supermacht kan worden als de leiders hun eigen burgers behandelen als onmondige kinderen. Als macht gepaard gaat met privileges en structurele corruptie. Als alles in nevelen is gehuld, van de selectie van de leiders tot de besluitvorming en de talloze 'staatsgeheimen’. Als alle verantwoordelijkheden worden doorgeschoven naar boven en leiders geen rekenschap hoeven af te leggen voor hun daden. Als de regeerders de wet gebruiken als een instrument waaraan ze zelf niet onderworpen zijn. Dat zijn praktijken die diep geworteld zijn in zowel de confucianistische als de communistische cultuur. Het is sterk de vaag of die usances het proces van razendsnelle economische en sociale veranderingen dat China doormaakt, zal overleven.
De hiërarchische verhoudingen tussen regeerders en geregeerden zijn diep geworteld. Maar de snelle mutatie van de Chinese samenleving heeft de mensen meer bewust gemaakt van hun rechten. Dat heeft de commandostructuur van de samenleving duidelijker aan het licht gebracht en veel Chinezen heen geholpen over hun ingebakken angst om te protesteren. Veelzeggenderwijs is het karakter bei, dat de lijdende vorm uitdrukt, de laatste tijd bij jongeren erg productief gebleken. De nieuwe uitdrukkingen met bei duiden dwang, machtsmisbruik of fraude aan: 'gezelfmoord worden’ (slachtoffer worden van een als zelfmoord vermomde moord), 'gevrijwilligd worden’ (gedwongen worden tot een 'vrijwillige’ taak), 'geharmoniseerd worden’ (door de overheid tot iets gedwongen worden in het kader van de door partijleider Hu Jintao verkondigde 'harmonieuze samenleving’).
Het blijft niet bij woorden. Het aantal grote protestacties van boeren en arbeiders is opgelopen tot ruim honderdduizend per jaar. Zowel de Tibetanen als Oejgoeren zijn gewelddadig in opstand gekomen tegen de onderdrukking van hun cultuur. Mensen die het slachtoffer zijn van willekeur, machtsmisbruik of corruptie doen nu veel vaker een beroep op de wet, en steeds meer mensen proberen hun recht te halen via een petitie. Ze blijven meestal aan het kortste eind trekken, maar dat leidt alleen tot diepere wrok of grotere woede. Internet blijkt, ondanks alle censuur en vervolging, een machtiger wapen dan de wet. Dankzij internet zijn veel gevallen van criante machtsarrogantie aan het licht gekomen. Dat heeft vaak tot zulke commotie geleid dat de autoriteiten moesten inbinden.
Dit alles heeft geen wezenlijke verandering gebracht in de autoritaire machtsstructuur. Het is goed denkbaar dat de Partij alle onvrede onder controle zal blijven houden. Maar een land dat op die manier omspringt met zijn burgers is voor een groot deel van de wereld niet aantrekkelijk als supermacht. Een supermacht moet een boodschap hebben die voor de rest van de wereld aantrekkelijk is. Welke boodschap heeft China? China predikt het confucianisme op mondiale schaal: een 'harmonieuze wereld’. Niemand hoeft bang te zijn voor de 'vreedzame opkomst’ van China, die gericht is tegen niemand. In de hele wereld zijn er al Confucius-instituten, die de Chinese taal en cultuur op de voor Peking politiek correcte wijze uitdragen. Daar komen tv-kanalen bij die in alle wereldtalen nieuws over China zullen brengen, volgens de aldaar geldende opvattingen over nieuws. Het is de vraag of de rest van de wereld op die propaganda zit te wachten.