Connie palmen

CIRCUS PALMEN trekt door het land. Wie kan het zijn ontgaan dat Connie Palmen een nieuw boek heeft gepubliceerd? Connie Palmen, Tim Krabbé en Marga Minco zijn de trekpaarden van uitgeverij Prometheus. En dat zullen we weten. Via advertenties, signeersessies, nauwkeurig gedoseerde interviews en hoge stapels in de boekhandel. Honderdduizend exemplaren telt de eerste, teven gebonden druk van I.M., de jongste van La Palmen.

Natuurlijk stimuleert uitgever Mai Spijkers het Circus Palmen. Opmerkelijker is dat de tent telkens uitverkocht is, dat het publiek in groten getale komt en de boeken braaf aanschaft. Waarom?
Ze is natuurlijk een leuke vrouw. Met een leuke, innemende eigenschap: ze is niet van zins volwassen te worden. Met haar 42 jaar is Connie Palmen nog altijd een meisje. Een tenger meisje van één meter zestig met een leren jack en het kapsel van een ondeugend jongetje, dat haar de koosnaam Ponnie Kammen bezorgde.
Het is geen gecultiveerde Calimero-rol. Ze is echt zo. Ze wordt gevraagd het eerste boek van Tom Lanoye aan hem aan te bieden. Ze doet onhandig met de draad van de microfoon, giechelt wat, friemelt wat, en babbelt wat, met dat vertederende Limburgse accent.
ZE WORDT in de watten gelegd door haar uitgever, zoals ze als meisje ook vast een beetje verwend is door haar drie broers. In 1955 werd ze geboren, in St. Odiliënberg, als dochter van een katholieke vrachtwagenchauffeur. Een klein opdondertje, net als het ‘ukkige’ meisje Kit in haar roman De vriendschap, die zich elke pauze op het schoolplein om haar reusachtige vriendin Ara heen slingert en tegen haar opkruipt. Precies zoals de schrijfster die geen zin heeft om volwassen te worden in haar laatste boek haar geliefde Ischa omhelst: tegen hem opkruipt, één been om hem heen slaat, en daarbij haar duim in haar mond steekt.
Maar ook is zij, als personage in haar boeken en als Connie-in-het-echt, het slimste meisje van de klas. Met een IQ zó hoog dat ze het verpletterende getal aan niemand durft te vertellen. En met de bijbehorende gevoelens van eenzaamheid. 'Ik wil niet dat iemand dommer is dan ik. Nou, dan is het al dun gezaaid in de wereld’, zei ze vorige week nog in Vrij Nederland. In Ischa vond ze 'voor het eerst iemand die zélf na kon denken’.
Ze leest geen kranten, het nieuws is niet haar werkelijkheid. Ze zit opgesloten in haar eigen hoofd, zegt ze, in haar intellect. Zij is bovenal een 'ideeënvrouw’, met een niet te stillen honger naar kennis en wetenschap. Ze heeft filosofie gestudeerd, heeft over het leven en de dingen nagedacht. Ze heeft wat te melden, en kan nog schrijven ook.
Erkenning genoeg. Haar boeken breken verkooprecords. Ze is gelauwerd met onder meer de Nederlandse Publieksprijs en de Ako-prijs. De schrijfster zelf meet zich met Harold Brodkey en J. D. Salinger, en even, toen ze hoorde dat Harry Mulisch in Amerika met Homeros werd vergeleken, dacht ze: 'Dat had ik ook graag gewild.’
ZE VERBERGT niet dat ze in haar werk zwaar leunt op haar biografie. 'Ik beschik over geen enkele fantasie’, zei ze een keer voor de VPRO. Zodoende weten we nu het nodige over haar kindertijd, haar studententijd, en haar tijd met Ischa. Maar vaak bekruipt je het gevoel dat ze het leven eerst gelezen, soms zelfs geschreven, en dan pas geleefd heeft. Bijvoorbeeld als ze zegt: 'Verliefdheid bleek precies zo te zijn als in de boeken, daarom ergerde het me zo.’
In 1991 beschreef Palmen in De wetten hoe Marie Deniet de man van haar leven ziet binnenkomen en weer ziet weggaan. 'Het is nog te vroeg, bedenk ik, om hem te ontmoeten. Ik ben er nog niet klaar voor.’ Zeven jaar later beschrijft en vertelt Connie Palmen hoe Connie Palmen 'al jaren’ wist dat zij ooit Ischa Meijer zou ontmoeten en dat er dan 'iets’ zou gebeuren. En dat ze bij hun daadwerkelijke ontmoeting eerst even bang was dat die te vroeg kwam, 'dat de tijd er nog niet rijp voor was’.
In haar literatuur gebeurde het éérst, toen pas in haar leven. Zoals ze zelf zegt in haar vorige week gepubliceerde boek I.M.: 'Ik gebruik mijn leven niet voor de literatuur. Het werkt andersom.’
Over haar intense liefdesrelatie met Ischa kunnen we nu alles lezen in I.M. Daarin wordt iedereen bij de eigen naam genoemd, als was het haar dagboek met een kaft eromheen. Ischa is Ischa of Is, Connie is Connie of Con, Olga Zuiderhoek is gewoon Olga Zuiderhoek, net als de vrienden Freek de Jonge, Arend Jan Heerma van Voss en natuurlijk uitgever Mai Spijkers. De liefde tussen Connie en Ischa is groot, heel groot, zoals wel vaker tussen twee mensen, de gesprekken gaan diep, heel diep, en die paar Nederlanders die het waagden Ischa af te wijzen, zoals VPRO-directeur Roelof Kiers, krijgen er ongenadig van langs.
Als zij dit onderwerp had laten rijpen, zeg een jaar of tien, dan was het vast een mooi literair liefdesverhaal geworden. Dan zou het vast uitgestegen zijn boven het relaas over 'Ischa en ik’. Maar zij heeft niet gewacht; zij wilde 'een monument voor hem oprichten’. Zij wilde ook, zei ze afgelopen zondag tegen Hanneke Groenteman, haar Ischa afbakenen, tussen twee kaften, zodat ze nu kan zeggen: díe Ischa, die is van mij. Bovendien had ze een hoger doel: 'Er bestaan geen boeken over rouw. En ik dacht: hier ligt een taak.’
DE SCHRIJFSTER Connie Palmen kan, of wil, niet relativeren. Zij onderzoekt de Wetten van de Kennis, van het Leven. Zij exploreert de grootste woorden van de wereld: Vriendschap, Vrijheid, Keuze, Trouw. En nu: Liefde en Dood, bij uitstek niet te relativeren onderwerpen. De schrijfster heeft uitgesproken ideeën over haar thema’s. Zij is nog altijd het slimste meisje van de klas. Relativeren past daar niet zo goed bij. Ze weet het zelf. 'Zo ben ik. Verschrikkelijk. Alles zo pontificaal.’
Dat is haar goed recht.
Maar wie relativeert het fenomeen Connie Palmen? Zelf zal ze dat niet doen. Zij spreekt over zichzelf als Schrijver, als Filosoof, en nooit hoor je zelfspot, zelden twijfel.
Merkwaardiger is dat niemand anders die twijfel uit. Wie durft nog te zeggen dat Connie Palmen óók het voorbeeld is van een perfect geslaagde promotiecampagne? Rond haar daverende debuut werden kritische noten gekraakt over dit soort lancering van literatuur. Maar inmiddels heeft zij zich zogenaamd bewezen door nog een paar boeken te publiceren. Los van de vraag of ze nu een goed schrijfster is, of zelfs briljant, of misschien gewoon middelmatig: het is vreemd dat je niemand meer hoort over de hype, over het Circus Palmen dat bij ieder boek weer door de uitgever in gang wordt gezet en dat braaf wordt overgenomen door de media.
Het lijkt wel of niemand meer een kanttekening durft te plaatsen, omdat zij met zo veel grof geschut de literaire canon is binnengeknald. En nu, met dit laatste thema, dit boek vol authentiek verdriet, waarover het zo moeilijk spreken is zonder haar rechtstreeks op de ziel te trappen, is dat er niet eenvoudiger op geworden.
MAAR ACH, wie hecht nog aan zoiets als literaire waarde in dit opgewonden klimaat, waarin de Schrijfster op de cover van haar boek staat met haar Grote Liefde, waarin zij exclusief wordt geïnterviewd door de Hoofdredacteur van Het Parool, en waarin haar geen enkel tegenwicht, slechts adoratie ten deel valt in een televisieinterview? Een klimaat waarin fans zich rijen dik door het centrum van Amsterdam slingeren in afwachting van een gesigneerd exemplaar van I.M, het boek over een sensationele liefdesrelatie waar iedereen nieuwsgierig naar is?
Recensenten spreek! En wees fair en objectief, als dat nog mogelijk is. Vertel nu eens gewoon of het geslaagd, interessant, goed geschreven is, dit boek met de zware, absolute thema’s. Zonder erop te letten dat het de Grote Liefde en de Dood van een Zeer Bekende Nederlander betreft, op papier gezet door een bijna net zo Bekende Shrijfster. Bij al dit gedoe en gedweep is het tijd voor wat verhelderende Nederlandse nuchterheid. Groeit de behoefte aan het enige oordeel dat ertoe doet: het inhoudelijke oordeel.
Kunnen de Spice Girls zingen? Misschien best. Maar wat kan het de fans schelen? Zij zijn cool, al zijn ze dan gemaakt, gehyped. Door zichzelf, en door degenen die daaraan verdienen.
Echt intrigerend is natuurlijk hoe het mogelijk is om zo gemaakt te worden. In de jaren negentig is dat mogelijk. En in dat opzicht is Connie Palmen de Spice Girl van de Nederlandse letterkunde.