Meer dan Cobra

Constant Nieuwenhuys 1920-2005

Iemand die beweert altijd tegen de geest van de tijd te zijn ingegaan, kan die de dood niet weerstaan?

Constant gestorven? Het is bijna niet voor te stellen. Laten ze in de hemel maar oppassen. Straks wordt het hiernamaals verbouwd tot – eindelijk – dat Nieuw Babylon waar hij al die maquettes van heeft gemaakt. Hij is het zeker niet eens met hoe het daar is geregeld. Een protest in de vorm van een Elyzees Manifest is het minste wat ze van hem kunnen verwachten. Maar misschien wil hij daar nu het liefst rustig blijven schilderen. Eén, twee schilderijen per jaar, intense protesten van pure verf tegen alle onrecht in ongeloofwaardig mooie kleuren. De hemelse kleuren waarmee hij de laatste twintig, dertig jaar zijn beelden van martelingen, executies en massamoorden heeft geschilderd.

Die enorme stroom aan initiatieven, manifestaties, ideeën, theorieën en vooral kunstwerken van Constant, die kan toch niet zomaar stoppen? Dat heldere, intelligente, bevlogen brein moet ergens doorwerken. Iemand die beweert altijd tegen de geest van de tijd te zijn ingegaan, kan die de dood niet weerstaan? Constant is oud geworden, 85 jaar. Voor de dood was hij niet bang. Nog een paar mooie schilderijen maken wilde hij wel. Dat was zijn manier om te protesteren tegen een lelijke, rechtse, egoïstische tijd: pure schoonheid scheppen. Zijn utopie bestond niet meer ergens ver weg, in de tijd of in de ruimte. Zijn utopie bestond alleen nog maar in zijn schilderijen. Alsof schoonheid creëren de enige manier is om in deze tijd gehoord te worden.

Dat je als journalist iemand interviewt, maakt je natuurlijk nog niet tot een kenner van de mens en zijn werk. Maar het lange gesprek dat ik enige jaren geleden met Constant had, heeft erg veel voor mij betekend. Ik kwam bij hem omdat ik met een boek bezig ben over Wil Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam van 1945 tot 1962. Sandberg is dus de directeur bij wie Constant aanklopt als hij in 1948 met het plan komt een internationale tentoonstelling van experimentele kunst te houden. Sandberg is, bijna nog meer dan die experimentele schilders, een mythe geworden, een kerstboom waar alle ontwikkelingen in de beeldende kunst van zijn tijd aan kunnen worden opgehangen. Hij geldt als de ontdekker van Cobra. Maar in ons gesprek haalt Constant dat idee volkomen onderuit. Sandberg is oorspronkelijk helemaal niet bijzonder in de Cobra-kunstenaars geïnteresseerd. Hij houdt meer van de abstracte kunst van Mondriaan, waar deze kunstenaars zich tegen afzetten. «Laten we de maagdelijke doeken van Mon driaan vullen, al is het maar met onze ellende», schreef Constant in het blad Cobra. Sandberg houdt ze in het begin af. Zijn museum is al voor een jaar volgeboekt, zegt hij. Hij laat ze pas hun gang gaan als een van hen, Eugène Brands, aan wie hij een tentoonstelling in het Stedelijk heeft beloofd, bereid is de ruimte die voor hem is gereserveerd ter beschikking te stellen van de internationale groep experimentele kunstenaars.

De Exposition internationale d’art expérimental leidt in november 1949 tot een schandaal, tot protest en discussie. Pas dan ziet Sandberg wat voor explosief en sensationeel materiaal hij in handen heeft. Maar tussen Constant en Sandberg komt het nooit meer helemaal goed. Constant moet zelfs lange processen voeren over het eigendomsrecht van een groot, voor deze tentoonstelling geschilderd doek, Barricade. Als Constant het proces heeft gewonnen, schenkt hij het doek met een groots gebaar aan het museum.

Sandberg kiest liever voor de doener Karel Appel, met zijn felle, primaire kleuren in dikke klodders opgebracht. Hij is misschien een beetje bang voor de denker Constant, met zijn uitgesproken ideeën, zijn in manifesten neergelegde theorieën en later zijn utopische stadsontwerpen.

Constant is een van de weinigen die ik spreek die in staat is de mythe-Sandberg door te prikken, diens zwakkere kanten te laten zien, van de mythe weer een gewoon mens te maken. En intussen wordt in mijn hoofd Constant zo’n mythe.

Toch is ook Constant Nieuwenhuys een gewoon mens, in 1920 geboren in een braaf katholiek Amsterdams gezin zonder enige artistieke belangstelling. Zijn vader, kantoor employee, was er tegen dat zijn zoontje, dat zo goed kon tekenen, naar de kunstacademie ging. Het was een hele strijd voordat hij in 1939 naakten en gipsmodellen kon gaan tekenen op de stijve Rijksacademie. Later vond Constant het wel goed dat hij zo’n gedegen opleiding had gehad, maar in die tijd was hij niet geïn teresseerd in de academische stijl van zijn professoren. Hij zag meer in Cézanne en Van Gogh. Ook de jongere broer van Constant, Jan Nieu wenhuys, werd trouwens schilder (hij staat bekend als het onbekendste lid van Cobra).

Direct na de oorlog, in 1946 kan Constant naar Parijs en komt daar in een kleine galerie, waar net een tentoonstelling van Miró van de mu ren is gehaald, een jongeman tegen die zijn map litho’s komt laten zien. Het blijkt de Deense schilder Asger Jorn te zijn. Het klikt meteen en dezelfde avond besluiten ze in een café dat ze de kunstwereld op stelten zullen zetten. Na de Eerste Wereldoorlog zijn er zoveel vernieuwende bewegingen in de kunst geweest: het dadaïsme, het surrealisme, de Stijl. Nu was er helemaal niets.

Twee jaar lang corresponderen ze over de oprichting van een internationale groep. Jorn, die wat ouder is, vindt dat Constant eerst een Nederlandse groep moet oprichten, zoals ze in Denemarken hebben. Dat gebeurt als in 1948 twee jonge schilders, Karel Appel en Corneille, bij Constant binnen komen vallen. Ze worden het snel eens en halen er Anton Rooskens, Theo Wolvencamp en Eugène Brands bij. Constant heeft al een zwaar marxistisch manifest klaarliggen. Ze discussiëren er lang en moeizaam over. Ten slotte besluiten ze dat Constant het maar onder zijn eigen naam in hun nieuwe blad Reflex moet publiceren.

Samen met Belgische en Deense kunstenaars komt Cobra tot stand (Copenhagen-Brussel-Amsterdam). Volgens Constant is dat niet een beweging met een eigen stijl, maar er was wel een Cobra-geest, die fel inging tegen het academisme, het naturalisme, de romantiek in de kunst, maar ook tegen de bloedeloosheid van de abstracte kunst.

Cobra is een merknaam die nog altijd, bijna een halve eeuw later, opgeld doet, figuurlijk, maar ook en vooral letterlijk. Corneille weet er zijn marktwaarde mee te verhogen en waakt er als een valse hond over dat niemand het merk opeist of opgeplakt krijgt die er niet strikt bij hoort. Karel Appel heeft dat keurmerk Cobra in het geheel niet nodig en bromt alleen maar dat die hele Cobra maar twee jaar heeft geduurd. Constant ontkent de betekenis van Cobra als vernieuwingsbeweging niet, maar hij heeft daarna al weer zo veel andere fases doorgemaakt dat Cobra maar één van de vele stappen in zijn ontwikkeling is.

Na Cobra gaat ook Constant weer naar Parijs, hij werkt een tijdje abstract, maar verdiept zich dan in architectuur en maakt samen met de architect Aldo van Eyck iets wat ze «spatiaal-colorisme» noemen, een ruimte opgebouwd uit kleuren. Guy Debord – de man van het boek La société du spectacle – haalt Constant bij de Internationale Situationisten, die door willen gaan in de geest van Cobra, maar dan betrokken op de stedenbouw en op de hele maatschappij. Constant brengt dat in de praktijk, eerst door een ontwerp te maken voor een zigeunerkamp als alternatief voor een modderige krottenwijk, daarna door zijn ontwerpen en maquettes voor een utopisch Nieuw Babylon, de stad voor de homo ludens, de mens die door de automatisering geen mechanisch werk meer hoeft te doen en die zich creatief en vrij kan bewegen. Het zijn geen toekomststeden, maar ruimtelijk vormgegeven denkmodellen.

Maar als iedereen in navolging van hem bezig is met conceptuele en ruimtelijke kunst gaat Constant een volstrekt andere kant uit. Hij koopt een ezel en linnen en gaat gewoon weer schilderen. Eerst maakt hij, met de zilververf die hij nog over heeft van de maquettes, beelden van steden met kleine mensjes. Dan worden die mensen steeds belangrijker en komen de warme, mooie kleuren te voorschijn. Hij heeft het idee dat hij de schilderkunst moet redden. Het zijn prachtige schilderijen, waar hij lang, heel lang over doet. Toch zijn het vaak politiek geladen onderwerpen die hij schildert: een dreigend verhoor, een gijzelaar die wordt doodgeschoten, een executie in een arcadisch landschap.

Naar de reproductie van dat laatste schilderij uit 1982 zit ik nu te staren. Er is een donkere figuur met een geweer te zien. Een naakte man en een in het wit geklede vrouw vallen neer. Je oog gaat langs groene struiken, langs een roze-oranje berghelling, naar de onrustige grijze en blauwe lucht. Het verhaal is gruwelijk, het schilderij is prachtig. Het is ongemakkelijk en onbegrijpelijk, die combinatie.

Constant is, in de laatste twintig jaar van zijn leven, na enorme omzwervingen door de ideologie, de politiek en de stedenbouw teruggekeerd tot de kunst. Hij doet maanden over zo’n schilderij. Langzamerhand ontstaat vanuit vlekjes het beeld, een thema. Zo komt hij tot een affiche voor Amnesty of een noodkreet over Rwanda. De inhoud van het schilderij geeft de wereld weer, de vorm is utopisch. Het schilderij als de ultieme utopie. Ik ben benieuwd wat hij in die prachtig geschilderde blauwgrijze hemel straks gaat maken.