Afrika’s renaissance (1)

Continent met een januskop

Afrika herbergt zes van de tien snelst groeiende economieën van het afgelopen decennium. Het ontwikkelt zich van een verloren continent naar een werelddeel vol kansen. Maakt de groeiende welvaart een definitief einde aan de gewapende conflicten, de genocide en de dictatuur?

Medium nyc148637

Kampala – Stephen Ocan (23) weet heel goed wat economische groei in Afrika inhoudt. Ocan ziet de nieuw verworven welvaart iedere keer wanneer hij probeert bestuurders van dure terreinwagens te interesseren voor wc-papier van Piao Piao uit China. In een afgedragen shirt van Manchester United sloft hij langs de Land Cruisers en Pajero’s in de files in Kampala. Ocan wenkt de bestuurders en zwaait met zijn gezinsverpakkingen toiletrollen. Kopen? Meestal gaan de autoraampjes omhoog.

Sheena Muwanga (26) weet ook wat de economische groei in Afrika behelst. Zij neemt de auto naar haar werk bij een verzekeringsfirma in het centrum van de Oegandese hoofdstad. Ze staat steevast stil voor het verstopte kruispunt in de wijk Wandegeya waar Ocan leurt met zijn Piao Piao.

Muwanga luistert in haar groene Toyota rav4-terreinwagen naar muziek op haar iPod. Of ze checkt e-mails op haar Samsung smartphone uit Dubai. Wc-papier koopt ze bij Nakumatt, een Keniaanse supermarktketen met vestigingen verspreid door Oost-Afrika. Komt er weer zo’n straatverkoper langs, dan draait ze haar autoraampje omhoog.

Terwijl ze wacht in het verkeer kijkt Mu-wanga uit op metershoge billboards die het kruispunt omringen. Shell, waar ze diesel tankt. Nivea, waarmee ze haar gezicht insmeert. Smirnoff, die ze drinkt tijdens de vrijdagmiddagborrel. Barclays Bank, waar ze haar geld pint.

Stephen Ocan herkent zichzelf in geen enkele reclame.

Ocan en Muwanga symboliseren het soort Afrikanen dat centraal staat in wat misschien wel hét contemporaine debat over Afrika is geworden, het debat over de economische expansie. Afrika herbergt zes van de tien snelst groeiende economieën van het afgelopen decennium, luidt onderhand een standaardzin. Dit slaat op het Afrika van Sheena Muwanga, voor wie de groei zich letterlijk materialiseert.

Generatiegenoot Stephen Ocan leeft in een Afrika waar de economische groei helemaal niet tastbaar is. Wel steeds zichtbaarder. Ocan leeft in een Afrika dat geconfronteerd wordt met een consumentisme dat steeds dichterbij komt en tegelijkertijd buiten bereik blijft. Ocan bevindt zich aan de verkeerde kant van het autoraampje.

Muwanga en Ocan staan respectievelijk voor de haves en de have-nots in Afrika. Voor bewegend Afrika en stagnerend Afrika. De vraag is of het continent definitief een nieuwe fase van ontwikkeling bereikt. Of bewegend Afrika wint, of stagnerend Afrika.

De westerse perceptie van de toestand op het continent lijkt alvast een stuk optimistischer te zijn geworden. Illustratief is The Economist. In 2000 publiceerde dit weekblad een roemrucht omslagverhaal over Afrika als ‘het hopeloze continent’. Het was de tijd van de bloedige waanzin in Sierra Leone, Liberia, Congo en Somalië. De tijd ook van de aidsepidemie die als een moderne pest verderf zaaide. Hoe moest dit ooit nog goed komen?

In december 2011 kwam The Economist met een cover met een Afrikaans kind dat een vlieger in de vorm van het continent in de lucht houdt. De kop: ‘Opkomend Afrika’. Van hopeloos naar opkomend in een decennium.

‘Megalomane heersers van het type Idi Amin in Oeganda en Mobutu in Zaïre komen niet meer terug’

Blijft de Afrikaanse vlieger in de lucht? Of stort ze ter aarde zoals in de jaren zestig en zeventig, toen het optimisme van Afrika’s onafhankelijkheid verdween achter staatsgrepen en burgeroorlogen? Blijft de vlieger vliegen of komt ze neer zoals in de jaren negentig, toen economische liberalisering en de introductie van meerpartijenpolitiek gevolgd werden door gewapende conflicten en zelfs genocide? Blijft de vlieger vliegen, of moet The Economist over tien jaar opnieuw zijn verhaal over Afrika fundamenteel bijstellen?

‘Als je me vraagt of Afrika opkomend is, dan zeg ik nadrukkelijk ja’, zegt Frederick Golooba-Mutebi (47). Golooba, politicoloog, studeerde aan de Makerere Universiteit in Kampala en is verbonden aan de denktank Overseas Development Institute in Londen. ‘Afrika heeft veel economische en politieke problemen definitief achter zich gelaten’, betoogt hij achter een dubbele caffè latte in een zaak van de koffieketen Java’s uit buurland Kenia, zo’n voorbeeld van Afrika’s stedelijke consumentisme. ‘Natuurlijk is de weg lang, moet er nog veel werk worden gedaan en blijven risico’s bestaan. Maar we gaan niet meer terug naar de wanorde van het verleden.’

Zuid-Soedan. De Centraal-Afrikaanse Republiek. Mali. Wat zich daar afspeelt, doet heel erg denken aan de wanorde van het verleden, schreef de prominente commentator Charles Onyango-Obbo in januari in The EastAfrican, de regionale krant waarin ook Golooba een column heeft. ‘Afrika komt op, zongen we in koor, net toen de dingen uiteenvielen.’ En in Congo en Somalië is het ook nog steeds niet pluis.

Afrika is uitgestrekt en divers met haar 54 landen, reageert Golooba. Natuurlijk, zegt hij, is er veel verkeerd – maar vergeet niet van hoe ver Afrika komt. Historisch perspectief laat volgens hem zien dat het Afrika onmiskenbaar beter gaat dan ooit sinds de dekolonisatie. Of, nauwkeuriger gezegd misschien, minder slecht. ‘Opkomend Afrika’ is een term die kan misleiden, ze suggereert een groei en bloei die overdreven is. Belangrijk, zegt Golooba, is dat we ons realiseren dat Afrika’s opkomst relatief is. Maar het is in elk geval wat.

Dat staatsgrepen zeldzamer zijn geworden, is bijvoorbeeld al een stap vooruit. Golooba: ‘Megalomane heersers van het type Idi Amin in Oeganda, Mobutu in Zaïre (het hedendaagse Congo – ms) en Bokassa in de Centraal-Afrikaanse Republiek komen niet meer terug.’ Collega-columnist Onyango, zegt Golooba half schertsend, lijkt met zijn ‘somberheid’ vooral te willen voorkomen dat hij gezien wordt als een journalist die onvoldoende argwaan heeft.

Wie Afrika’s steden bezoekt, kan genoeg redenen vinden voor optimisme. De mobiele telefoon is ingeburgerd. Kigali in Rwanda introduceerde gratis wifi nadat onderzeese kabels grote delen van Afrika hadden aangesloten op het wereldwijde web. Jongeren van Lagos in Nigeria tot Harare in Zimbabwe kijken via digitale televisie naar de pan-Afrikaanse versie van Big Brother. Kampala kreeg in december zijn eerste vestiging van kfc.

Afrika vliegt vaker en rijdt vaker auto. Afrika winkelt vaker in grote shopping malls die symbool zijn geworden voor het consumentisme. Het was geen toeval dat terroristen vorig jaar Westgate aanvielen, het meest luxueuze winkelcentrum van Nairobi. Intussen werkt Nairobi aan een nog groter shopping center dat het grootste van Oost-Afrika gaat worden met vijftigduizend vierkante meter. Tweeënhalf keer zo groot als de Bijenkorf in Amsterdam.

In 2011 introduceeerde het Amerikaanse zakenblad Forbes een editie speciaal voor en over Afrika. Afrika’s rijkste ondernemer was de Nigeriaan Aliko Dangote, die multimiljardair werd met de verkoop van cement en levensmiddelen op het continent.

‘Als je me vandaag vijf miljard dollar geeft, investeer ik die niet in het buitenland’, stelde Dangote. ‘Ik zou alles investeren in Nigeria.’ Eind vorig jaar kondigde hij de bouw aan van de eerste private olieraffinaderij in Nigeria. Die moet Nigerianen minder afhankelijk maken van de verouderde, door corruptie gekenmerkte raffinaderijen van de overheid. De overheid, die brandstof importeert en subsidieert, ook al is Nigeria de grootste olieproducent van sub-Sahara-Afrika.

Afrika’s macro-economische groeicijfers behoren al jaren tot de fraaiste ter wereld. Fiscale discipline nam toe, inflatie en schulden namen af. Het nietige Rwanda haalde vorig jaar vierhonderd miljoen dollar binnen op de internationale kapitaalmarkt met zijn eerste uitgave van zwaar overtekende staatsobligaties. Een teken van vertrouwen van internationale beleggers, heette het, al wordt gewaarschuwd voor een terugval nu Amerika een einde heeft gemaakt aan haar soepele monetaire beleid dat beleggers naar Afrika zag trekken uit vrees voor tegenvallende opbrengsten in het Westen. Gabon, Zambia en Ghana introduceerden ook al eurobonds.

Blijft de Afrikaanse vlieger in de lucht? Of verdwijnt het optimisme achter staatsgrepen en oorlogen?

China bouwt in Afrika stuwdammen, havens en spoorlijnen. Hoognodige infrastructuur voor de groeiende economieën op het continent – en voor China zelf, dat veel grondstoffen uit Afrika importeert.

De voorbeelden van oprukkende commercie zijn schier ontelbaar. De Amerikaanse gigant in private equity The Carlyle Group lanceerde zijn eerste Afrikafonds. Unilever begon een afdeling speciaal gericht op Afrika. Coca-Cola opende een franchisefabriek in Somaliland, een autonome regio in Somalië. ‘Een miljard redenen om te geloven in Afrika’, jubelde de frisdrankfabrikant vorig jaar in een gelikte tv-reclamespot, onder verwijzing naar het aantal bewoners van het continent. ‘Terwijl de wereld grijs wordt, leven wij het leven in kleur.’ De grijze wereld staat voor het door economische zorgen geplaagde Westen.

Ondanks alles is Tony Elumelu niet overtuigd. Lamido Sanusi ook niet. Elumelu is een Nigeriaanse bankier, multimiljonair en filantroop. Sanusi was tot vorige maand directeur van de centrale bank van Nigeria. Deze invloedrijke Afrikanen zijn bang voor een economische en sociale tweedeling bezuiden de Sahara. Bang voor een Afrika met een januskop.

Ze zullen het misschien niet oneens zijn met Richard Sezibera, secretaris-generaal van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap die – eigenlijk net zoals onderzoeker Golooba in Kampala – stelt: ‘Tien jaar geleden had Afrika het überhaupt niet over economische groei. En nu praten we over hoe we de welvaart moeten verdelen.’ Of zoals de vooraanstaande, in 1969 vermoorde Keniaanse politicus Tom Mboya al opmerkte: ‘Niets kun je niet herverdelen.’

Maar, zeggen Elumelu, Sanusi en andere sceptici, de vereiste herverdeling van de toenemende bestaansmiddelen krijgt onvoldoende urgentie. De economische groei is er wel, maar te weinig Afrikanen delen erin mee. Een stedelijke elite profiteert, terwijl de stedelijke massa’s vast blijven zitten in hun krotten zonder elektriciteit en stromend water. Om over de honderden miljoenen Afrikanen op het platteland nog maar te zwijgen. Het glas van de economische groei in Afrika mag dan eerder half vol zijn dan half leeg, het glas gaat niet rond.

Armoede neemt procentueel gezien wel af, zeggen de Verenigde Naties en de Wereldbank. Maar van de ruim 140 miljoen Oost-Afrikanen leven er in absolute zin steeds meer onder de armoedegrens, tegenwoordig naar schatting 56 miljoen mensen. De explosieve bevolkingsgroei speelt hierbij een grote rol. Volgens de VN zal het aantal Afrikanen in iets meer dan dertig jaar verdubbelen tot twee miljard.

Stephen Ocan met de wc-rollen in Kampala is iemand die achter zulke abstracties schuilgaat. Verhalen over de potentiële zegeningen van een ‘demografisch dividend’ doen dwaas aan als je hem ziet zeulen. Van de circa 36 miljoen Oegandezen is de helft jonger dan vijftien. Waar vinden zij de komende jaren werk als het niet op het platteland is of op straat, als venter?

Voor het huis van deze verslaggever stond een paar weken geleden Lawrence, afgestudeerd aan Kampala’s Makerere Universiteit. De beroemdste academie van Oost-Afrika, in 1922 opgericht door de Britten, produceerde postkoloniale presidenten als Benjamin Mpaka (Tanzania), Milton Obote (Oeganda) en Mwai Kibaki (Kenia). Tegenwoordig spuwt de overvolle, door geldgebrek geteisterde universiteit massa’s afgestudeerden uit voor wie geen werk is. ‘Koop deze lunchbox, vriend’, zei Lawrence. ‘Tienduizend shilling (drie euro).’ Lawrence legt iedere dag kilometers af met zijn lunchboxen of met broekriemen of vliegenmeppers. Een marskramer met een academische graad.

Medium nyc87715

Van alle werkzame Oegandezen, schat de Society for International Development, een organisatie met kantoren in Rome en Nairobi die ieder jaar een rapport uitbrengt over ‘de staat van Oost-Afrika’, heeft momenteel 1,6 procent een formele baan.

‘Ik zou wel gek zijn om me met politiek in te laten. Dat is veel te gevaarlijk. Waarom zou ik riskeren wat ik heb?’

1,6 procent. Achter dat cijfertje gaat Sheena Muwanga met haar terreinwagen schuil. ‘Ik realiseer me dat ik blij mag zijn’, zegt ze.

Tot de resterende Oegandezen behoren bijvoorbeeld ook de Karamojong die hun kinderen laten bedelen vanaf het moment dat ze kunnen lopen. De van oorsprong veehoudende Karamojong komen uit de armste, droogste regio van Oeganda naar Kampala omdat… Ja, waarom eigenlijk?

‘Omdat het nooit erger kan dan in Karamoja’, zegt Sharon, een vrouw met de kenmerkende littekens waarmee de Karamojong hun gezichten versieren. Niet dat ze in Kampala iets verdienen. Bij de stoplichten van Jinja Road, tweehonderd meter van het grootste winkelcentrum van de stad, bedelen hun kinderen naast de eeuwige file, hun neuzen tegen de autoruiten gedrukt. Soms zetten moeders er gewoon hun baby’s neer, naast de schreeuwende straatpredikanten en de krantenverkopers. De autoraampjes gaan meestal omhoog.

Hoe ervaren de Afrikanen zelf die veelbesproken economische groei, wilde de Afrobarometer weten. De Afrobarometer is een onafhankelijk, pan-Afrikaans onderzoeksproject. Vorig jaar kwam het met de resultaten van een enquête in 34 landen naar wat het noemt ‘geleefde armoede’. Geen technische verhandeling over hoeveel mensen er nu wel of niet beschikken over één dollar of één dollar en 25 cent per dag, maar antwoorden op praktische vragen zoals: heb je te eten? Heb je stromend water? Heb je toegang tot medicijnen?

Zeventien procent van de ondervraagden zei regelmatig zonder eten te zitten; 22 procent regelmatig zonder stromend water; twintig procent regelmatig zonder geld voor medicijnen. Is dat veel? Is het meer dan voorheen? Waar het vooral om gaat, is dat de Afrobarometer eraan herinnerde dat definities over ‘armoede’ niet per se de werkelijkheid vatten. Dat lijkt een open deur, maar een inmiddels ‘beroemde’ studie uit 2011 bewijst dat dit niet zo is.

In april van dat jaar bracht de Afrikaanse Ontwikkelingsbank een beknopt rapport uit waarin stond dat inmiddels één op de drie Afrikanen behoorde tot de ‘middenklasse’. Eén op de drie – dat was ongezien. De bevindingen haalden de internationale krantenkolommen. Een Afrikaanse ontwikkelingsinstantie die het zelf zei! Consultancykantoor Deloitte bracht korte tijd later zijn eigen rapport uit: ‘De groei en bloei van de Afrikaanse middenklasse’. Een hype was geboren.

Een nadere blik leerde dat de Afrikaanse Ontwikkelingsbank iedereen die meer dan twee dollar per dag vrij te besteden had tot de ‘middenklasse’ rekende. Oké, de ‘armoedegrens’ ligt dan bij één dollar, of 1,25 of zelfs twee dollar. Maar behoor je met een cent meer meteen maar tot een ‘middenklasse’? De bank kwam vorig jaar met een nuchterder inschatting.

Na jaren van toenemende stabiliteit, gezond macro-economisch beleid, verbeterde handelsvoorwaarden en groeiende handelsbetrekkingen met andere ‘opkomende economieën’ zijn Afrikaanse landen ‘vrijer dan ooit om hun eigen ontwikkelingspad te bepalen’, stelde de bank in het jaarlijkse Outlook-rapport samen met de VN en de oeso. Maar, voegden de instellingen eraan toe: dit is niet genoeg. ‘Nú is het moment om het tempo op te voeren.’ Industrialisatie, economische diversificatie, landbouwproductie: het moet sneller. Afrika heeft een historisch gezien unieke kans – verpruts die nou niet.

Frederick Golooba, de politicoloog in Kampala, kent de vele kanttekeningen bij het discours van ‘opkomend Afrika’. Zoals die van de ‘tikkende tijdbom’ van de jeugdwerkloosheid waarnaar vaak wordt verwezen. Toch zegt hij: ‘Ik zie een groeiende inkomenskloof niet als het grootste probleem.’ De geschiedenis, zegt hij, laat zien dat snelle economische groei haast overal wel gepaard is gegaan met een snelle toename van inkomensongelijkheid. ‘Ik heb nog nooit een zich ontwikkelend land gezien waar vanaf het allereerste moment de groei gelijkwaardig werd verdeeld.’

Economische groei vormt een prikkel voor regeringen om de politieke stabiliteit te bewaken, verwacht Golooba. Politieke stabiliteit bevordert op haar beurt de economische groei, die weer een prikkel vormt voor regeringen om de politieke stabiliteit te bewaken. Tot het uiteindelijk in niemands belang meer is om politieke chaos te laten ontstaan. En er misschien zelfs wel voorzieningen worden geïntroduceerd die de inkomenskloof versmallen. ‘De voornaamste uitdaging van Afrikaanse landen is daarom het vergroten van hun belastinginkomsten’, zegt Golooba.

‘Mijn vierjarige dochter groeit op in een Afrika dat meer en meer onderdeel wordt van de geglobaliseerde wereld’

Deze gedachtegang is klassiek. Ze veronderstelt dat politici zich op enig moment, al is het noodgedwongen, gaan inspannen voor het ‘algemeen belang’. Voorlopig levert Afrika nog veel voorbeelden van het tegendeel. Patronage, corruptie en tribalisme zijn nog altijd de drijfveren van bestuurders in veel landen. Ik, nu, hier. Niet: wij, straks, daar.

In Kenia is de prioriteit van de regering het afwenden van de rechtszaak tegen president Uhuru Kenyatta die door het Internationaal Strafhof verdacht wordt van misdaden tegen de menselijkheid. In Nigeria gaat het gegraai naar de oliemiljarden onverminderd voort, terwijl de extremistische groepering Boko Haram terrein wint – centrale-bankdirecteur Lamido Sanusi werd vorige maand geschorst nadat hij publiekelijk kritiek had geuit op ‘de gevestigde belangen’ die Nigeria ‘verkrachten’.

In Angola lijkt het bewind van president José Eduardo dos Santos na 34 jaar alleen nog maar te denken aan verder machtsbehoud. En in Oeganda denkt president Yoweri Museveni –28 jaar aan de macht – al net zo min aan opstappen. Hij blijkt inmiddels bereid zijn westerse partners van zich te vervreemden in een poging zich binnenlands te profileren, getuige de door donorlanden scherp gekritiseerde ‘anti-homowet’ die de president eind februari ondertekende.

Ondanks alles gelooft Golooba dat ook in zulke landen op langere termijn een bezittende klasse ontstaat die groot genoeg is om een politiek verschil te maken. Een zeldzaam voorbeeld hiervan is wellicht wat er volgens Richard Dowden, directeur van de eminente Royal African Society in Londen, begin 2008 gebeurde in Kenia. Het relatief ontwikkelde land balanceerde op de rand van de afgrond na omstreden verkiezingen. De bevolkingsgroepen de Luo’s en Kikuyu’s hakten op elkaar in. Dat Kenia niet in de afgrond stortte, kwam volgens Dowden mede doordat grote Keniaanse ondernemers en investeerders president Kibaki ervan wisten te overtuigen dat een verdere geweldsescalatie iederéén zou raken. De ondernemers en investeerders maken zich verder misschien niet overdreven druk om democratie maar, kun je redeneren, het najagen van hun eigenbelang in 2008 hielp in elk geval erger voorkomen. Democratie is, wie weet, een volgende stap.

Tot het zo ver is, ziet Golooba juist het liefst leiders die het ‘Aziatische model’ uit de tweede helft van de vorige eeuw volgen. Machtige leiders, leiders met een visie. In Afrika gelden als voorbeelden Meles Zenawi, de in 2012 overleden premier van Ethiopië, en Paul Kagame, de president van Rwanda. Voormalige guerrillastrijders die met militaire precisie hun ontwikkelingsagenda volg(d)en.

‘Ethiopië en Rwanda zijn dan misschien niet democratisch’, zegt Golooba. ‘ Maar zie hoe arm Ethiopië was. Hoe Rwanda verwoest was door de volkerenmoord van 1994. Is het dan niet logisch dat ontwikkeling prioriteit nummer één is?’

Critici zien vooral een façade. De noodzaak van ontwikkeling als gelegenheidsargument om maar vooral geen politieke oppositie en onafhankelijke media toe te staan. Ethiopië en Rwanda behoren tot de striktste staten in Afrika. Hun leiders bedriegen zichzelf, zeggen tegenstanders. Onder de oppervlakte bouwen de spanningen zich toch weer op, waarna uiteindelijk de boel implodeert. Terug naar af. Is zo bezien een systeem zoals dat van Kenia dan niet beter, met een kritische pers en met echte meerpartijenverkiezingen, die weliswaar etnische tegenstellingen kunnen aanwakkeren, maar die tegelijkertijd de politieke betrokkenheid van burgers vergroten?

Golooba wijst op de opvolging van premier Zenawi in 2012 in Ethiopië door Hailemariam Desalegn. Deze transitie verliep zonder onrust. Heel voorzichtig werd een eerste politieke demonstratie toegestaan in de hoofdstad Addis Abeba. Volgens Golooba wellicht een Afrikaans soort van ‘Mehr Demokratie wagen’. Of was het schone schijn?

Het punt, zegt Golooba, is dat je democratie naar westers model niet zomaar kunt exporteren naar Afrika. Na de Koude Oorlog introduceerden veel Afrikaanse landen een meerpartijensysteem met verkiezingen, maar dat leverde niet meteen het gewenste resultaat op. In Rwanda en Ivoorkust, benadrukt hij, ontspoorde de partijpolitieke strijd na jaren van eenpartijensystemen zelfs in burgeroorlogen. ‘Kijk ook naar het geweld momenteel in Zuid-Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek. Wat Zuid-Soedan nodig heeft, is een krachtige leider. De Centraal-Afrikaanse Republiek ook, maar die heeft überhaupt nooit iets van een serieuze leider gehad.’

In zo’n context, vindt Golooba, zijn eisen van ‘vrije en transparante verkiezingen’ voorbarig: ‘Afrika moet de ruimte krijgen om haar eigen weg te vinden, ruimte om te experimenteren.’ Met als uitkomst misschien wel een ‘Afrikaanse’ vorm van democratie en economie. Een Afrikaanse hybride.

‘Niet dat ik geloof dat democratie naar westers model nooit mogelijk zal zijn in Afrika’, besluit Golooba zijn betoog. ‘Ik geloof zelfs dat dit wel mogelijk is. Kijk naar mijn vierjarige dochter die opgroeit met toegang tot internet en satelliettelevisie. Zij groeit op in een Afrika dat meer en meer onderdeel wordt van de geglobaliseerde wereld. Niet in een arm, ruraal Afrika waar de meeste van onze huidige leiders vandaan komen en die alleen aan het vergaren van rijkdom denken zodra ze aan de macht komen. Er zullen steeds meer geïnformeerde Afrikanen bij komen, die elders op de wereld zien hoe het ook kan. Maar het heeft tijd nodig. Veel meer tijd.’

Ze zijn er al wel, in Kampala bijvoorbeeld. Jongeren die de politiek oproepen meer verantwoording af te leggen. Ze gebruiken Twitter en Facebook om te ageren tegen corruptie, politiegeweld en seksuele intimidatie. Ngo’s die via internet oproepen tot transparantie in de opstartende oliesector. Live-tweets wanneer de ordetroepen van het regime weer eens een opposant aftuigen. De hele wereld kan in theorie meekijken.

Stephen Ocan, de straatverkoper met de wc-rollen in Kampala, twittert niet. Hij gelooft ook helemaal niet in de politiek. Of in welke verandering dan ook. Hij loopt wel achter Oeganda’s oppositieleider Kizza Besigye aan wanneer die weer een straatprotest houdt. Besigye, de voormalige lijfarts van president Museveni, speelt in op de onvrede onder de massa’s jongeren in Kampala. Hij wordt tijdens zijn protesten stelselmatig afgeranseld en opgepakt – Besigye’s manier om de ‘brutaliteit’ van het regime aan het licht te brengen.

Maar ook Sheena Muwanga, met haar baan bij een verzekeringsfirma, houdt zich politiek afzijdig. Zou zij, afgaande op haar sociaal-economische positie, niet iemand moeten zijn die langzaam meer politieke zeggenschap verlangt? Democratie? ‘Ik zou wel gek zijn om me met politiek in te laten’, zegt ze, ‘dat is veel te gevaarlijk. Waarom zou ik riskeren wat ik heb?’ Maar als ze zou stemmen, op wie dan? ‘Op de president. Die zorgt tot nu toe in elk geval voor stabiliteit. Ik ben wel bang dat het in Oeganda weer misgaat op de dag dat hij vertrekt of sterft. Daarom moet ik zorgen dat ik financieel onafhankelijk word. Of, beter nog, ik kan vertrekken naar het Westen.’


Beeld: (1) Straatverkoper in Freetown, Sierra Leone (Micheal Christopher Brown/Magnum/HH). (2) De weg tussen Gulu en Kampala, Oeganda (Peter van Agtmael/Magnum/HH).