Wenen. De wieg van een Europees postnationalisme

Continent zonder eigenschappen

In Wenen woonden in 1913 drie dictators in spe. Hitler, Stalin en Tito deden er inspiratie op voor hun latere multinationale staten. Die staten werden fiasco’s. Maar de Oostenrijkse hoofdstad blijft mensen tot een postnationaal Europa inspireren.

Medium 89777858week36

Hongaren, Slovenen, Serviërs, Tsjechen, Polen, Ruthenen en ga zo maar door. O ja, en ook nog Duitsers. Al die volkeren maakten honderd jaar geleden, in 1913, deel uit van het Habsburgse Rijk. Met trots mat het rijk zich de titel aan van een ‘keizerlijke en koninklijke veelvolkenstaat’. Maar onder de druk van nationale onafhankelijkheidsbewegingen spatte het rijk een jaar later, in de Eerste Wereldoorlog, op bloedige wijze uiteen.

Wenen was van oudsher de hoofdstad van het Habsburgse Rijk. In de tweede helft van de negentiende eeuw maakte de stad een enorme ontwikkeling door. Niet alleen door de aanleg van een ringweg rond het oude centrum met prestigieuze theaters en regeringsgebouwen, maar ook door omringende dorpen in te lijven en in voorsteden te transformeren. In korte tijd groeide Wenen uit tot de vierde stad van Europa, na Parijs, Londen en Berlijn.

De stad industrialiseerde snel, legde een degelijk spoorwegennet aan en bouwde in ijltempo woningen voor het groeiende arbeidsleger. Arbeiders kwamen uit alle rijksdelen, een ratjetoe van Noord-, Midden- en Zuid-Europese nationaliteiten. Onder hen veel arme joden, voornamelijk uit Galicië. En te midden van al die neo-Weners vonden ook tal van politieke bannelingen een veilig heenkomen, met name uit het tsaristische Rusland.

Toen Wenen meer dan een miljoen inwoners telde, bood ze twee voordelen. Je kon er anoniem wonen, waar je ook vandaan kwam en welk paspoort je ook had. En je kon er bestuderen hoe een veelheid aan volken het met elkaar uithield en tot welke spanningen dat leidde. Van die gelegenheid hebben velen gebruik gemaakt. In het bijzonder een drietal dat later in de eeuw desastreuze experimenten met veelvolkenstaten uitvoerde.

In 1913 huisden in Wenen drie jonge mannen die een onuitwisbaar stempel op de geschiedenis zouden drukken. De 23-jarige Adolf Schicklgruber, beter bekend als Hitler, werkte in Wenen aan zijn carrière als kunstschilder. De 34-jarige Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, later bekend als Stalin, schreef in dat jaar in Wenen een boek. En de 21-jarige Josip Broz, die wij als Tito kennen, was in Wenen proefrijder voor autofabrikant Daimler.

Natuurlijk was dat allemaal geheel toevallig. Zoals de hele wereldgeschiedenis van toeval aan elkaar hangt. Alleen terugblikkend valt er enige zin te ontdekken. In dit geval zelfs veel zin. Want is het wel toeval dat die drie jongemannen in de Weense smeltkroes der volkeren later ieder op zijn eigen manier een politieke oplossing voor de veelvolkenkwestie zouden zoeken? En dat ze ieder op zijn eigen manier zouden falen, ten koste van miljoenen doden?

Als de drie dictators in spe één ding gemeen hadden, was het wel dat ze in ieder geval een andere uitweg wilden dan die van het Habsburgse Rijk. De absolutistische monarchie, met de stokoude patriarch Frans-Jozef als keizer van Oostenrijk en (sinds 1867) koning van Hongarije, was een model dat op zijn einde liep. In de twintigste eeuw waren nieuwe modellen nodig om een staat van vele volkeren bijeen te houden.

Hitler koos voor de mono-etnische, nationalistische uitweg. ‘Wenen werd hoe langer hoe meer een on-Duitse stad’, klaagde hij in zijn autobiografie Mein Kampf. ‘Overal vrat het veelvolkengif aan het lichaam van onze Duitse volksstam.’ En wie had daar schuld aan? ‘De Habsburgse dynastie, die hoe langer hoe meer vertsjechiseerde.’ Hitler bekent: ‘Ik had mijn Oostenrijkse Heimat innig lief, maar ik haatte de Oostenrijkse staat.’

Hitler schreef zijn verbitterde herinneringen aan Wenen na de Eerste Wereldoorlog, die hij voornamelijk in het lazaret had doorgebracht. In dat lazaret ergerde hij zijn medepatiënten al net zo als zijn medebewoners in het Huis voor Alleenstaande Mannen, waar hij in zijn Weense tijd verbleef. Oorgetuigen herinneren zich een onophoudelijk orerende Hitler, die aan één stuk door zijn extreme politieke opvattingen spuide.

Hitler was in 1907 uit het provinciestadje Braunau met een map tekeningen onder de arm naar Wenen getrokken. Hij twijfelde er naar eigen zeggen geen moment aan dat ze hem op de kunstacademie zouden aannemen. Groot was dan ook zijn teleurstelling toen hij van de directeur persoonlijk te horen kreeg dat hij van elk talent gespeend was. Er zou hooguit een aardige architectuurtekenaar in hem schuilen.

Er is veel gespeculeerd over het verloop van de wereldgeschiedenis wanneer die directeur Hitler wél in de academie had opgenomen. Zinloze speculaties. Hitler zelf maakte van de nood een deugd. In Mein Kampf legt hij bladzijden lang uit welke leerrijke jaren hij aan zijn afwijzing te danken had. Van het ene baantje in het andere rollend leerde hij de noden van het volk kennen. En die noden hadden maar één oorzaak: het teveel aan vreemdelingen.

Hitlers oplossing luidde: ‘Nationaal bewustzijn.’ De jeugd in Wenen groeide op zonder enige trots op haar Duitse oorsprong. De jeugd werd van meet af aan vergiftigd door de valse wereldbeschouwingen van het marxistische internationalisme, het kosmopolitische jodendom, het Habsburgse multinationalisme en de mondaine Weense burgerlijkheid. Kortom, de bron van alle kwaad was alles wat naar modernisering en globalisering riekte.

In Wenen legde Hitler de basis voor zijn overtuigingen die hij later in praktijk zou brengen. Zijn grote voorbeelden waren de Weense politici Georg von Schönerer, een elitaire Duitse nationalist en racist, en burgemeester Karl Lueger, die een volkse variant van het antisemitisme in praktijk bracht. In zijn latere politiek verbond Hitler het ideologische racisme van de een met het praktische antisemitisme van de ander.

Door geldnood gedwongen probeerde Hitler het in zijn Weense tijd toch weer als kunstschilder. Hij begon stadsgezichten te schilderen. Soms schilderde hij ansichtkaarten na, soms begaf hij zich op straat. Hij verkocht zijn werkjes via boekhandels en lijstenmakers. Maar het aan de man brengen van zijn werk was niet zijn stiel. Gelukkig schoten zijn joodse vrienden hem te hulp, zodat hij met schilderen het hoofd boven water wist te houden.

Het Huis voor Alleenstaande Mannen staat nog steeds overeind. Het is gigantisch groot, destijds leefden er meer dan vijfhonderd mannen. Hitler was er compleet ingeburgerd. Hij had een vaste plek aan de eettafel. ‘Hier sitzt Herr Hitler’, kreeg een medebewoner toegebeten toen hij per ongeluk op diens plaats was gaan zitten. Vanaf die plaats, zo vertelde de man achteraf, zat Hitler voortdurend te oreren over wat er allemaal niet deugde in Wenen.

Natuurlijk is er geen gedenktafel die herinnert aan de jaren tot mei 1913 die Hitler in dat Weense tehuis doorbracht. Het adres, Meldemannstrasse 27, bestaat zelfs niet meer. Ruim tien jaar geleden werd het eenzamemannenhuis omgebouwd tot een verpleeghuis voor alle geslachten en gezindten. Het heet Seniorenschlösschen ‘Wie Dahoam’ (Ouderenpaleisje ‘Net als thuis’) en de ingang is in een zijstraat.

Vlak voordat het tehuis in 2002 werd omgebouwd tot luxe verpleeghuis namen de toenmalige alleenstaanden op een bijzondere wijze afscheid van hun vertrouwde onderkomen. Ze voerden er de farce Mein Kampf op van Georg Tabori, met als hoofdpersonages Hitler en zijn joodse vriend Schlomo Herzel. De opvoering op de originele locatie was een doorslaand succes en moest vele malen worden herhaald.

Wie in Wenen wel met een gedenktafel op zijn tijdelijke verblijfplaats is vereerd, is Jozef Stalin. Aan de vier weken die hij in de Schönbrunner Schlossstrasse 30 logeerde, herinnert tot op de dag van vandaag een marmeren gedenkteken met zijn profiel. Dat toont de volwassen Stalin, niet de jongeling die hij was toen zijn mentor Vladimir Iljitsj Oeljanov, beter bekend als Lenin, hem naar Wenen stuurde om het nationaliteitenvraagstuk te bestuderen.

Het is het enige gedenkteken voor Stalin in de westerse wereld. En misschien wel het enige op de hele wereld, sinds zelfs landen waar Stalin tot ver in de vorige eeuw werd vereerd, zoals Georgië en Albanië, zich van de dictator hebben afgewend. De gedenktafel werd in 1949, op Stalins zeventigste verjaardag, door de sociaal-democratische burgemeester van Wenen onthuld. Ondanks talrijke protesten hangt hij er nog steeds.

Het officiële argument luidt dat het vastligt in het Staatsverdrag uit 1955. Daarin beloofde de Oostenrijkse republiek aan de voormalige geallieerde bezetters de graven en gedenktekens te onderhouden die aan de overwinning op het fascisme herinneren. Zelfs verzoeken van sovjetleider Chroesjtsjov in de jaren vijftig en de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sjevardnadze in de jaren negentig om de gedenksteen te verwijderen baatten niet.

Ook protesten van de rechts-populistische fpö van Jörg Haider negeerde men. Tot eindelijk vorig jaar de gemeenteraad een compromis met de critici sloot. Nu hangt er onder de gedenksteen een tweede gedenktafel, die naar de miljoenen slachtoffers van Stalin verwijst. Bijzondere vermelding krijgen de Oostenrijkse slachtoffers van het stalinisme: communisten en joden die in de jaren dertig naar de Sovjet-Unie waren gevlucht en daar werden vervolgd.

Lenin had persoonlijk voor Stalin het logeeradres in de Schönbrunner Schlossstrasse geregeld. Daar woonde het rijke, adellijke echtpaar Trojanowski. De man was een voormalige officier die na de Japans-Russische oorlog het leger de rug had toegekeerd. Het kindermeisje van de Trojanowski’s herinnerde zich Stalin achteraf als een onvriendelijke brombeer, die alleen maar over het boek sprak dat hij aan het schrijven was.

Wel zou hij haar nog avances hebben gemaakt, maar zij gaf de voorkeur aan de jonge vertaler die Stalin hielp, een rossige wildebras van 25 jaar, luisterend naar de naam Nikolaj Boecharin. Later zou Boecharin tot de lieveling van Lenin uitgroeien en ook onder Stalin zou hij hoge functies bekleden. Tot hij in de jaren dertig bij Stalin in ongenade viel en werd terechtgesteld na een proces dat door Arthur Koestler in zijn roman Nacht in de middag is vereeuwigd.

Dat Stalin bij het kindermeisje geen succes had, komt wellicht ook door zijn duistere uiterlijk. ‘Een pokdalig gezicht met gele ogen waar de boosaardigheid van afstraalde’, schreef Stalins aartsvijand Leo Trotski over hun ontmoeting in Wenen. Ook Lev Davidovitsj Bronstein, beter bekend als Trotski, woonde destijds in Wenen. Van 1908 tot 1914 vertoonde de toekomstige revolutionaire leider in de beroemde Weense koffiehuizen zijn schaakkunsten.

Het was afkeer op het eerste gezicht, laat Trotski in zijn autobiografie Mijn leven weten. Dat was geheel wederzijds. In Stalins ogen was Trotski een ‘schreeuwerige atleet met namaakspierballen’. Het zou nooit meer goed komen tussen hen. In 1928 werkte Stalin zijn concurrent Trotski de Sovjet-Unie uit. En zelfs daarna had de paranoïde dictator nog geen rust. In 1940 liet hij Trotski in diens ballingoord in Mexico vermoorden.

Stalin zal Trotski in Wenen niet vaak tegen het lijf zijn gelopen. Trotski woonde met zijn gezin aan het andere uiteinde van de stad en Stalin verliet, aldus het kindermeisje, zelden zijn werkkamer. Hij ging hooguit wel eens wandelen in het park van het nabijgelegen paleis Schönbrunn, de residentie van de bejaarde Habsburgse keizer-koning Frans-Jozef. Volgens tijdgenoten zou ook Hitler daar regelmatig hebben gewandeld.

Maar een ontmoeting tussen de twee massamoordenaars in spe is onwaarschijnlijk. Er was immers geen taal waarin ze zich verstaanbaar hadden kunnen maken. Ook een ontmoeting met Frans-Jozef, die zich graag in het park vertrad en dan iedere voorbijganger vriendelijk groette, ligt niet voor de hand. Wel zag Stalin door het raam van zijn werkkamer elke dag de keizer in een gouden koets met acht paarden naar zijn regeringszetel in de Hofburg rijden.

Lenin had Stalin naar Wenen gestuurd met de opdracht er een boek te schrijven over de kwestie van vele nationaliteiten in één staat. Stalin vond het maar een ‘stomme klus’, verklapte hij het kindermeisje, maar ging toch ijverig aan de slag. Het resultaat was het geschrift Marxisme en de nationaliteitenkwestie, dat experts, ondanks de houterige stijl, zijn beste werk noemen. Voor scholieren in de Sovjet-Unie werd het verplichte lectuur.

Als Georgiër behoorde Stalin zelf tot een nationale minderheid in Rusland. Dat zal mede de reden zijn geweest waarom Lenin hem voor de klus geschikt achtte. De kwestie interesseerde Stalin ook wel. Zijn oplossing was van grote marxistische eenvoud. Nationale identiteit is een onding, dat slechts marginaal recht van bestaan heeft. Veel belangrijker is het om de eenheid van de arbeidersklasse over de grenzen van de nationale identiteiten heen te versterken.

In zijn essay schetst Stalin een staat waarin de verschillende nationaliteiten weliswaar het behoud van eigen taal en cultuur werd toegestaan, maar slechts als randverschijnsel, ondergeschikt aan het Russisch als voertaal en het socialisme als samenlevingsvorm. Dat zou tijdens zijn bewind zijn leidende beginsel blijven, van Oekraïne in het zuidwesten tot Kamtsjatka in het uiterste noordoosten en van de Kaukasus tot de Baltische staten.

Opmerkelijk is de wijze waarop Stalin in zijn essay het jodendom als een natie behandelt. Voor hem waren de joden een volk als alle andere. Dat ze geen eigen territorium hadden, negeerde hij. Veel Russische joden hadden zich in het tsaristische Rusland aaneengesloten in de Algemene Joodse Arbeidersbond, kortweg de ‘Bond’. De ‘bondisten’ streefden naar een democratisch Rusland, waarin ze een vorm van autonomie hoopten te bereiken.

De Joodse Bond heeft de Russische Revolutie van 1917 krachtig ondersteund. Desalniettemin bleef Stalin een diep wantrouwen tegenover joden koesteren. Komt dat door Wenen, waar de joden een groot stempel op het openbare leven drukten? Waarschijnlijk niet. Stalin koesterde gezien zijn essay altijd al een voorbehoud tegenover joden, een voorbehoud dat hij aan het eind van zijn leven in onverholen antisemitische acties omzette.

Maar zijn oplossing voor het ‘jodenvraagstuk’ was niet zo radicaal als die van Hitler. Laat ze gerust hun religie en cultuur uitoefenen, zolang ze zich maar tot de revolutie bekennen. Ook al blijven ze een volk dat tot samenzwering en revolte neigt. Maar een machtig centraal apparaat, zoals Stalin dat na zijn machtsovername in 1928 opbouwde, moest elke conspiratieve beweging onschadelijk kunnen maken, ook als die door de jood Trotski werd geleid.

Terwijl keizer-koning Frans-Jozef dagelijks voor de ogen van Stalin en Hitler in zijn gouden koets paradeerde, reed de bloedjonge Josip Broz als proefrijder van de Mercedes-fabriek Daimler-Österreich zijn proefrondjes in de nieuwste modellen. De op luxe geilende jonge Kroaat had het naar zijn zin in het wereldse Wenen. Met zijn sportieve beroep maakte hij veel indruk op de meisjes van de hoofdstad.

Josip Broz was geboren in het Habsburgse Rijk, in een plaatsje bij Zagreb. Hij wilde niets liever dan zo snel mogelijk aan zijn armelijke boerenmilieu ontsnappen. Hij leerde voor mechanicus en trok de wereld in: Beieren, het Ruhrgebied, en ten slotte naar zijn broer in een dorp bij Wenen. Bij Daimler maakte hij snel carrière als begaafd mechanicus die men het sleutelen aan de nieuwste modellen toevertrouwde.

Of toen al zijn politieke genie rijpte, weten we niet. Van enige activiteit is niets bekend. Maar dat hij van meet af aan internationalistisch dacht, bewijst zijn levensloop van direct ná 1913. Broz bewoog zich met opvallend gemak tussen de grote staatsmachten die het wereldtoneel beheersten. Als Habsburger moest hij in 1914 met het leger ten strijde trekken tegen de Russen. Eenmaal krijgsgevangene van de Russen koos hij al snel voor de bolsjewistische revolutie.

De tot het communisme bekeerde Broz reisde in 1934 terug naar Wenen om de leiding op zich te nemen van de Joegoslavische communistische partij-in-ballingschap. Vanaf toen noemde hij zich Tito. Met grote vanzelfsprekendheid nam hij in de Tweede Wereldoorlog de leiding op zich van het partizanenverzet. Wanneer we de Russen even niet meetellen, was hij de enige legeraanvoerder in Europa die eigenhandig zijn land van de fascisten bevrijdde.

Hoe internationalistisch Tito dacht, blijkt uit de behendigheid waarmee hij tijdens de oorlog tussen de geallieerden laveerde. Van steun van de Sovjet-Unie was hij als communist verzekerd, maar hij speelde het ook klaar om het vertrouwen van de westerse geallieerden te winnen, die Tito’s partizanen gul van wapens voorzagen. Met grote diplomatieke behendigheid speelde ‘maarschalk’ Tito de westerse en oosterse geallieerden tegen elkaar uit.

In die dubbele strategie bleef Tito na de oorlog volharden, tot ergernis van Stalin. Tito koos een koers onafhankelijk van Moskou en op goede voet met het Westen. Over de hele wereld poseerde hij als de zonnekoning van de Joegoslavische republiek. Binnenlands rolde hij echter van de ene crisis in de andere. De tegenstellingen op de Balkan, met name die tussen Serviërs en Kroaten, wist ook Tito nooit geheel te overwinnen.

Aanvankelijk smeedde Tito de Joegoslavische staat met harde hand tot een eenheid. Groepen die met de Duitsers hadden gecollaboreerd, zoals de Kroatische Ustasja’s, maar ook politieke tegenstanders die een zuivere stalinistische koers wilden varen, werden gevangen gezet en massaal geëxecuteerd. Tito stichtte een staat waarvan de eenheid voor een belangrijk deel berustte op het oude Habsburgse principe van het autoritaire leiderschap.

Net als het Habsburgse Rijk bleek ook Tito’s Joegoslavië ten dode opgeschreven. Hoewel het idee dat zijn staat bijeenhield, arbeiderszelfbestuur en welvaart, een stuk moderner was dan het absolutisme van de Habsburgers lukte het hem niet daarmee Kroaten, Serviërs, Slovenen, Bosniërs en Montenegrijnen te verenigen. Zijn socialistische staat, hoe onafhankelijk ook van Moskou en het Oostblok, werd in de val van het communisme meedogenloos meegesleurd.

In 1913 blijkt Wenen een laboratorium te zijn geweest van het postnationalisme. De Habsburgse veelvolkenstaat, Hitlers Derde Rijk, Stalins socialisme in één land en Tito’s autoritaire multinationalisme – ze hadden allemaal hun oorsprong in het hart van Europa. Maar ze zijn ook stuk voor stuk mislukte experimenten gebleken. Betekent dat nu dat het idee van een postnationaal Europa ook maar voorgoed moet worden afgeschreven?

Enig tegenwicht biedt een Weense roman die in de jaren twintig en dertig is ontstaan maar zich in het omineuze jaar 1913 afspeelt. In Wenen komt een comité bijeen met een feestelijke opdracht. Het krijgt vijf jaar de tijd om het zeventigjarige jubileum in 1918 van Frans-Jozefs kroning voor te bereiden. En omdat de Duitse keizer Wilhelm II in datzelfde jaar dertig jaar op de troon zit, besluit men er maar meteen een Duits-Oostenrijkse parallel-actie van te maken.

De ironie van de roman is natuurlijk dat zowel de schrijver, Robert Musil, als de miljoenen lezers die Der Mann ohne Eigenschaften ter hand hebben genomen, van meet af aan weten dat de Eerste Wereldoorlog drastisch roet in het eten van de parallel-actie gooide. Maar in de roman strandt de actie niet in het oorlogsgeweld maar in het onvermogen van het comité om een overkoepelend idee te formuleren dat als motto voor het dubbele jubileum kan dienen.

De enige die dat niet lijkt te betreuren is de intellectueel Ulrich, secretaris van het comité. Voor hem is het ontbreken van een leidende gedachte juist een teken van vooruitgang. Hij ziet zichzelf als een ‘man zonder eigenschappen’ die een wereld vol mogelijkheden voor zich heeft, een wereld waarin niets vastligt en de weg vrij is voor een nieuwe moraal, die alle oude, verkalkte ideologieën achter zich laat. Musil noemt die verkalkte ideologieën niet bij naam, evenmin als de ‘mannen mét eigenschappen’ die die ideologieën in het Wenen van 1913 belichaamden. Maar het is duidelijk waarop hij doelt. Allereerst op het absolutisme van het Habsburgse keizer- en koninkrijk. Daarnaast op het nihilisme van de nationaal-socialistische rassenwaan en het vooruitgangsgeloof van het dictatoriale communisme en het autoritaire socialisme.

Het is niet bekend of Musil zich bewust was van de gelijktijdige aanwezigheid van Hitler, Stalin en Tito in het Wenen van 1913, het Wenen van zijn roman. Maar Der Mann ohne Eigenschaften laat zich lezen als een genadeloze analyse van het falen van de drie dictators-in-wording. En daarmee als een aanbeveling hoe een koers naar een postnationaal Europa er dan wél zou kunnen uitzien.

Een postnationaal Europa in de geest van Musils Ulrich is een Europa zonder eigenschappen, een Europa waarin geen ideologieën heersen en geen ideologische verlossers de toon aangeven. Een Europa dat vrij en democratisch is en ruimte schept voor de vreedzame coëxistentie van regionale culturen en identiteiten. En dat lijkt weer verdacht veel op het Europa dat de hedendaagse Weens-joodse schrijver Robert Menasse voor ogen staat. Lees zijn zojuist in het Nederlands verschenen essay De Europese koerier maar. De afgelopen jaren reisde Menasse naar Brussel om er inspiratie op te doen voor een roman á la Der Mann ohne Eigenschaften. Een roman over de ondergang van het Europa van de nationale staten en de opkomst van een Europa van de regio’s. Die roman laat echter nog even op zich wachten. Maar de basisgedachte heeft Menasse alvast in zijn essay uiteengezet.

En zo blijft Wenen ook een eeuw na 1913 de wieg van een Europees postnationalisme: een Europa dat niet is wat het verleden ervan gemaakt heeft, maar wat de toekomst ermee van plan is.


Beeld: Imagno/Getty Images