Europa,18 april

Continentale illusies

«De geschiedenis van de Europese gemeenschap is de geschiedenis van haar crises», schreef Willy Brandt in zijn Erinnerungen (1989). Gloedvolle verwachtingen omtrent een verenigd Europa waren aan de voormalige West-Duitse bondskanselier niet besteed – daarvoor had hij de hete adem van het «reëel bestaande Europa» iets te vaak in zijn nek gevoeld.

Dit reëel bestaande Europa is een heel ander beest dan het fabeldier dat ons sinds de jaren vijftig is voorgespiegeld in ministeriële beleidsrapporten, partijprogramma’s, boeken en brochures van de Europese Beweging en voorlichtingsmateriaal van de Europese Commissie. Het verschil tussen perceptie en werkelijkheid begint al bij de stichtingsmythe van het verenigd Europa: het verhaal dat de voorloper ervan, de in 1951 opgerichte Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, was bedoeld om te zorgen dat er «nooit meer oorlog» op Europees grondgebied zou komen.

Dit naoorlogse verlangen naar vrede door economische samenwerking was zeker authentiek, maar zoals historici als Robert Paxton en Philippe Burrin hebben aangetoond, bouwde de naoorlogse samenwerking tussen de kolen- en staalindustrieën van Frankrijk en Duitsland voort op hun deels gedwongen, deels innige samenwerking tijdens de oorlog. Niet alleen de naoorlogse personele continuïteit in deze sector was soms schrijnend, ook de modernisering van de Franse bedrijven, die doorgaans aan de naoorlogse wederopbouw wordt toegeschreven, is al in de periode 1940-42 onder Duitse supervisie begonnen. Dit is het obscene geheim van de eerste transnationale samenwerking in naoorlogs Europa.

De meeste etappes in de eenwording van Europa hebben een dergelijk geheim, zij het lang niet altijd van obscene aard. Soms is het hilarisch, dan weer tragisch, maar bijna altijd bewijst het de provisorische aard van de Unie. Heel dat byzantijnse gebouw van instituties en verordeningen dat we «Brussel» zijn gaan noemen, is opgetrokken uit geïmproviseerde antwoorden op crises, van de vluchtelingencrisis en de moeizame wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog via de keerpunten van Koude Oorlog, de Suez-crisis van 1956, de Duitse hereniging, de industriële opkomst van Azië en de monetaire crises van de jaren negentig tot en met de strategische verwijdering tussen Europa en de Verenigde Staten.

Ook de veelgeroemde monetaire eenwording is een voorbeeld van de wijze waarop improvisatie op improvisatie is gestapeld. Brandt was amper twee maanden kanselier toen hij eind 1969 in Den Haag de Economische en Monetaire Unie (EMU) hielp oprichten. Dit arrangement zou uitmonden in de introductie van de eenheidsmunt die wij nu in onze portemonnee dragen. Het is onder beleidsmakers en Europa-idealisten nog steeds gebruikelijk om dat proces af te schilderen als een rationeel project, maar dat is slechts ten dele juist. De eenheidsmunt is ons «overkomen» omdat we geen andere uitweg zagen uit de monetaire crises van de jaren negentig die de ontoereikendheid van de EMU aantoonden. En ook die EMU werd niet geboren uit Europese geestdrift of politiek idealisme, maar uit strategische noodzaak. Zeg maar gerust: uit paniek.

De rol van de Amerikaanse dollar als internationale reservevaluta kwam eind jaren zestig namelijk in gevaar door de schulden die de Verenigde Staten hadden opgebouwd om de oorlog in Vietnam te bekostigen. De Amerikaanse economische hegemonie, waarop het internationale monetaire stelsel sinds de overeenkomst van Bretton Woods (1944) was gebaseerd, liep ten einde. Enkele jaren later zou het stelsel daadwerkelijk instorten. Sommige politicologen en historici, zoals Immanuel Wallerstein, Charles Kupchan en ten onzent Bart Tromp, menen dat de neergang van de pax Americana, waardoor de Verenigde Staten hun rol van inspirator en bewaker van de internationale diplomatieke en economische orde moesten opgeven, op dat moment inzette.

Tromp schreef hierover een vrijwel onopgemerkt gebleven artikel in de Internationale Spectator (juli/augustus 2003). Hij stelt dat de «hindermacht» die Washington momenteel ontplooit dankzij zijn sterke economie en superieure strijdmacht niet moet worden verward met «hegemonie». Dat laatste impliceert een ordenende rol in de internationale betrekkingen zoals de VS die tussen 1945 en 1973 konden vervullen. De ontkoppeling van de dollar van het goud was een voorafschaduwing van de ontwikkelingen die we nu in Washington zien en die vaak ten onrechte aan George W. Bush en zijn Republikeinse partij worden geweten: marginalisering van het stelsel van multilaterale organisaties, verwijdering tussen de Verenigde Staten en Europa en een hernieuwd Amerikaans isolationisme, getemperd door eigenzinnige strafexpedities in derdewereldlanden. Misschien is de wereld toch niet zo unipolair als we denken.

Zo ver keken de Europese leiders in 1969 bepaald niet vooruit. Ze onderkenden enkel het gevaar dat de (toen nog zes) afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap verschillend op het loslaten van de dollar zouden reageren en dat de Europese munten ten opzichte van elkaar zouden gaan zweven. Dat zou een verstoring van hun zorgvuldig opgebouwde gemeenschappelijke markt betekenen. De «verontruste crediteuren van de VS», zoals de toenmalige hoge medewerker van De Nederlandsche Bank André Szász hen noemt, zagen zich genoodzaakt een onderling arrangement te treffen dat in geval van nood Bretton Woods zou kunnen vervangen.

In De euro: Politieke achtergronden van de wording van een munt (2001) schetst Szász de ontreddering van de zes staatshoofden in Den Haag. Eigenlijk wisten ze geen van allen hoe ze de politieke machtsverschuiving die hier werd geformaliseerd precies moesten duiden. In de slotverklaring stond weliswaar dat de Europese samenwerking moest worden «verdiept» door onder meer een «harmonisering van het economische beleid» en het «nagaan van de mogelijkheid van een Europees Reservefonds waarin een gemeenschappelijk economisch en monetair beleid zou moeten uitmonden», maar wat betekende dat eigenlijk? Direct na de Haagse top gaven ze opdracht aan de Luxemburgse premier Pierre Werner om eens uit te zoeken wat ze nu eigenlijk hadden besloten.

Kort daarvoor was Szász getuige van een andere, veelzeggende scène tijdens een ministeriële vergadering van de Groep van Tien in Stockholm. «De ministers van Financiën en presidenten van de centrale banken van de EEG-landen, die onderling van mening verschilden, vroegen om schorsing van de bijeenkomst en trokken zich terug voor onderling beraad. Wij muurbloempjes bleven achter, maar niet wij alleen. Aan de nu verlaten grote conferentietafel zat in zijn eentje de Amerikaanse minister van Financiën Henry Fowler. Na enige tijd kreeg hij gezelschap van zijn Britse ambtgenoot Roy Jenkins. Die twee eenzame figuren naast elkaar, de landen vertegenwoordigend die in Bretton Woods de dienst hadden uitgemaakt, die nu net als wij zaten te wachten wat het conclaaf van de EEG zou opleveren, illustreerden de verandering die was opgetreden.»

Wie de papieren neerslag van de recente grote Europa-debatten (uitbreiding, grondwetsreferendum, toetreding Turkije) overziet, ontkomt niet aan de indruk dat dit reëel bestaande Europa voor veel auteurs onbekend terrein is. Er gaapt een kloof tussen politici, hoge ambtenaren en journalisten die de Europese Unie van binnenuit hebben meegemaakt en externe deskundigen, academische analisten en activisten die er hun politieke wensdromen of ondergangsfantasieën op projecteren. De tegenstanders van de grondwet bijvoorbeeld hebben in het geheel geen oog voor het ad-hoc-karakter van de Europese constructie; ze beschouwen de eenwording als een transnationale machtsgreep van bureaucraten, kapitalisten en politieke elites die voornamelijk bezorgd zijn om hun eigen carrière.

Onder de voorstanders zijn er nog altijd die denken dat Europa een beschavingsmissie te vervullen heeft. De Amerikaanse trendwatcher Jeremy Rifkin bijvoorbeeld projecteert in The European Dream (2004) zijn eigen voorstelling van een postindustrieel paradijs op de Europese Unie: «Terwijl de Amerikaanse geest nostalgisch achterom kijkt, wordt er op hetzelfde moment een nieuwe, Europese droom geboren die veel beter is afgestemd op de volgende reis van de mensheid.» Al na een paar bladzijden weet je waar je met Rifkin aan toe bent: hij probeert zijn frustratie over de structurele armoede, de culture wars, de vuile verkiezingscampagnes en de afnemende internationale populariteit van zijn vaderland van zich af te schrijven op een schone lei die «Europa» heet.

Rifkin presenteert statistieken waaruit moet blijken dat de Europese kwaliteit van leven, maatschappelijke solidariteit, opleidingsgraad, arbeidsproductiviteit, verdraagzaamheid en maatschappelijke rust en vrede gunstig afsteken bij de situatie in de Verenigde Staten. Hij bespeurt een nieuw Europees elan dat moet uitmonden in een flexibele netwerksamenleving, ondersteund door een doordachte soevereiniteitsdeling tussen de lidstaten. «Er staat veel in waarmee ik het eens ben», schreef voormalig eurocommissaris Chris Patten, «en veel waarvan ik wou dat het waar was.» En dat was nog vóór de hete referendumzomer waarin bleek dat een meerderheid van Fransen en Nederlanders Rifkins droom niet deelt.

De Britse politicoloog Mark Leonard biedt in Why Europe Will Run the 21st Century (2005) een optimistische vooruitblik waarin de zwakten van de Europese Unie verborgen talenten blijken te zijn. Europa is dankzij zijn overlegcultuur en sociale arrangementen als enige in staat «de al te scherpe kanten van de globalisering bij te slijpen». Dat vermogen zal ertoe bijdragen dat het verenigd Europa de dominante factor in de komende eeuw zal worden, een «revolutionair ontwikkelingsmodel voor de hele wereld» waarnaar Chinezen, Latijns-Amerikanen en – jawel – Noord-Amerikanen op den duur reikhalzend uitzien. Leonard bespeurt nu reeds een tendens tot navolging in Latijns-Amerika, waar leiders als Hugo Chavez (Venezuela) en Ignacio Lula da Silva (Brazilië) trachten een van de VS-dominantie losgezongen, coöperatieve «welvaartssfeer» op te bouwen.

Helaas, zulke verwachtingsvolle analyses blijven reeds steken in de eerste hordes die de komende tien tot twintig jaar op het Europese parcours te verwachten zijn: de waarschijnlijke toetreding van Turkije tot de EU, een mogelijk nieuwe oorlog in de Golf en een daarop volgende oliecrisis, aanhoudende aanslagen van moslimfundamentalisten op Europees grondgebied, een eventuele confrontatie tussen de VS en China over Taiwan, enzovoort – allemaal mogelijke crises van het soort waarop de pragmatische constructie van het Europa van de zes, de vijftien en sinds kort de vijfentwintig een institutioneel antwoord trachtte te geven.

Wie letterlijk en figuurlijk dichter bij huis wil blijven, leze De Europese onmacht: Scènes uit de achterkamers (2005), waarin journalist Ben van der Velden het reële Europa schetst met oog voor de menselijke en institutionele tekortkomingen van «Brussel». Uiterst vermakelijk is zijn beschrijving van de top van Dublin van 1996 over het Europese Stabiliteitspact, waar de Franse president Chirac op het toilet zo hard op zijn mobieltje sprak over zijn onderhandelingstactiek met de Duitsers dat een man die het hoorde alle details aan bondskanselier Helmut Kohl kon overbrengen. Overigens werd dat pact, zoals Van der Velden vaststelt, door hun beider landen spoedig weer ongedaan gemaakt: «In naam van het nationaal belang lappen regeringen Europese regels aan hun laars die zij zelf hebben opgesteld.»

Verfrissend is ook het boek Onafhankelijkheid voor Europa: Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel (2004) van bedrijfsconsultant Donald Kalff, dat zich beperkt tot één aspect van de vergelijking, namelijk de bedrijfskundige. Hij toont aan dat de recente schandalen bij grote Amerikaanse bedrijven (Enron, Tyco, Arthur Andersen, Merrill Lynch) het einde inluiden van een «topzwaar» bedrijfsmodel waarvan het management zich heeft laten inkapselen door de financiële markten met hun kortetermijndenken en hun hemeltergende onverschilligheid op het punt van personeelsbelangen, sociale verantwoordelijkheid en milieueisen. Kalff voorspelt voor de verandering eens niet dat het «Europese model» de wereld gaat veroveren; hij schrijft gewoon op goede gronden dat het Amerikaanse model dat niet gaat doen.

Zowel voor- als tegenstanders van de Europese grondwet gaan er te gemakkelijk van uit dat er zoiets bestaat als een Europees project dat het denken over Europa in de EU-hoofdsteden beheerst. Zoals de Spaanse ex-premier Felipe Gonzalez vorige zomer in het tijdschrift Foreign Policy schreef: «De bevolking vraagt om leiders met een project voor Europa, maar onze leiders moeten dat project nog ontwerpen.» Een auteur die dat terdege beseft is Clingendael-veiligheidsspecialist Rob de Wijk, wiens Supermacht Europa (2005) een verfrissende, zij het verfrissend onrealistische kijk op de materie biedt. Het sleutelwoord van zijn boek is niet voor niets «finaliteit», oftewel de brede strategische visie waaraan het de Europese leiders tot vandaag ontbreekt.

«Om het proces van integratie niet te remmen of de Unie zelfs op te blazen, is het debat over de finalité bewust vermeden», schrijft De Wijk: «Integratie werd doel op zich, een autonoom proces en een historische wetmatigheid.» Over zijn eigen finaliteit laat De Wijk geen misverstand bestaan. De Unie moet zich ontwikkelen tot een «supermacht», een «transnationale ruimte» die vanuit Brussel met straffe hand wordt geleid omdat Europa zonder machtspolitiek nooit in staat zal zijn om zijn waarden en zijn fameuze soft power (diplomatie, economische macht, culturele invloed) in stand te houden. De Wijk meent dat een Europese supermacht nodig is om het hoofd te bieden aan tal van uitdagingen, zoals de «opkomst van China».

In de praktijk zal het andersom gaan: de opkomst van China zal de EU dwingen tot geïmproviseerde maatregelen waaruit geleidelijk een «antwoord» op de Chinese opmars zal groeien. De huidige impasse in de Unie komt juist voort uit onwil om zo’n transnationale ruimte met een strak centraal bestuur tot stand te brengen. De uitslagen van het Franse en Nederlandse grondwetsreferendum bewijzen wat iedereen kon weten op grond van alle eurobarometers en Europese kiezersonderzoeken: de burgers zijn overtuigd van het nut van samenwerking, maar niet van de pan-Europese wensdromen die op hun continent worden geprojecteerd. Dat een overdreven Europese missiedrang ongewild de weg naar de hel plaveit, is afdoende bewezen door de episode-Joegoslavië. Dat een voortgezette integratie van de huidige bestuursniveaus het democratisch tekort van de Europese Unie alleen maar groter maakt, is ook duidelijk.

Die overspannen verwachtingen zijn in 2005 definitief afgestraft. Europa is dood, leve Europa! Misschien ontstaat er nu eindelijk ruimte voor het reëel bestaande Europa om zich te ontwikkelen, in de eerste plaats in de literatuur. Hopelijk zal het corpus van papieren wensdromen plaatsmaken voor bekentenisliteratuur en diepgravende historische monografieën zoals de boeken van Szász en Van der Velden die beschrijven hoe het verenigd Europa eigenlijk werkt, want daarvan zijn er veel te weinig. De geschiedenis van de eerste succesvolle Europese interventie op het wereldtoneel moet bijvoorbeeld nog geschreven worden.

Die interventie ontstond in maart 2002, toen president Bush aankondigde de invoer van staal voor een periode van drie jaar te belasten met importheffingen tot een maximum van dertig procent. Zulke steunmaatregelen voor de eigen industrie zijn onder het Wereldhandelsverdrag alleen toegestaan indien er sprake is van plotseling gewijzigde marktomstandigheden. Die waren niet aan de orde; dus legde de Europese Unie samen met Japan en zes andere landen de zaak ter arbitrage voor aan de Wereldhandelsorganisatie.

Helaas is de petite histoire van de keiharde advocatenstrijd die vervolgens in de achterkamers van de WTO ontbrandde – en die van Europese kant geleid werd door de Europese commissaris voor Internationale Handel (en Franse socialist) Pascal Lamy – uit de krant gebleven. Lamy hield in elk geval ostentatief een lijst met mogelijke Europese handelssancties ter waarde van twee miljard euro onder handbereik. Hij was tevens zo slim om aan te kondigen dat de import van staal in de Europese Unie vanuit derde landen, die door de Amerikaanse heffingen hun staal niet in de Verenigde Staten konden afzetten, ook extra belast zou worden. Zodoende zette hij die landen onder druk om de Europees-Japanse zaak in de WTO te steunen. In november 2003 oordeelde de WTO dat de Amerikaanse tarieven in strijd waren met de verdragsbepalingen en dat de Europese Unie gerechtigd was straftarieven te heffen.

Binnen enkele weken waren de Amerikaanse staaltarieven van tafel. Wat de doorslag gaf, was het pakket strafheffingen dat Lamy in stelling bracht. Dat was zorgvuldig samengesteld om niet zozeer de Amerikaanse economie te raken, als wel de electorale basis van de zittende president. Lamy wilde ongeveer driehonderd soorten Amerikaanse goederen belasten die ofwel afkomstig waren uit de deelstaten waar de door Bush gesteunde staalindustrie stond (West Virginia, Pennsylvania) ofwel uit staten die bij de aanstaande Congresverkiezingen en bij de presidentsverkiezing van november 2004 de doorslag zouden geven. Met name de strafheffing op sinaasappelsap uit de voor George Bush’ herverkiezing cruciale deelstaat Florida was bijzonder pijnlijk. Helaas moeten we geruime tijd wachten op de memoires van Lamy, aangezien hij net is benoemd tot voorzitter van de WTO. Ze zouden ons waarschijnlijk meer vertellen over de ware staat van Europa dan alle berekeningen van Eurostat bij elkaar.=Europa, 1 juni 2005.