Frankrijk

Contouren van een opstand

De uitbarsting in de Franse voorsteden komt niet uit de lucht vallen. Al sinds 1981 is het mis in de cités. Maar geen enkele regering, van links noch van rechts, heeft tot nu toe meer gedaan dan maatregelen aankondigen die vervolgens nooit serieus zijn uitgevoerd. Aan brandende auto’s was Parijs kennelijk gewend geraakt. Totdat de politieke hitte te groot werd.

PARIJS – De tijdbom van de Franse cités tikte al zo lang dat de Franse regering haar ogen niet kon geloven toen hij vorige week echt ontplofte. Pas na tien nachten van brandende auto’s, winkels, opslagplaatsen en vuilniscontainers realiseerde president Jacques Chirac zich dat het niet ging om het gebruikelijke binnenbrandje dat snel kon worden gedoofd. De stadsguerrilla van in hoofdzaak minderjarige afstammelingen van immigranten had zich van de Parijse voorsteden uitgebreid tot alle hoeken van het land. Ze hadden zelfs in het hart van Parijs auto’s in brand gestoken. Ze hadden de barrière van de Boulevard Périphérique genomen om door te dringen tot het gebied waar politici en intellectuelen filosoferen over de gelijkheid van alle burgers van de Franse republiek.

Het is ten dele begrijpelijk dat de Franse regering op de eerste nachten met brandende auto’s in de voorsteden van Parijs zonder grote zorgen reageerde. Al sinds 1981 kent Frankrijk rellen in cités met veel immigranten. Het begon indertijd in voorsteden van Lyon. Voordat de huidige brandstichtingen begonnen, gingen in de eerste negen maanden van dit jaar in de buurt van Lyon alleen al achthonderd auto’s in vlammen op. Volgens het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken werden er in heel Frankrijk in de eerste negen maanden van dit jaar 28.000 auto’s in brand gestoken.

De aantallen waren voor niemand reden om groot alarm te slaan. Hoewel onderzoekers voor de recente uitbarsting nauwkeurig in beeld hadden gebracht in welke wijken ruim twintig jaar later een grote kans op rellen bestond. Ze telden 751 risicobuurten met in totaal vijf miljoen inwoners. De aanleiding voor een rel is dikwijls een kleinigheid. Jongeren kunnen de arrestatie van een vriendje opvatten als een belediging voor hun wijk en als argument gebruiken om slaags te raken met de politie.

Het begin van de onlusten op 27 oktober was ook traditioneel. Twee jongeren in de Parijse voorstad Clichy-sous-Bois waren voor een politiecontrole een transformatorhuisje van het elektriciteitsbedrijf EDF binnengevlucht en waren daar geëlektrocuteerd. Jongeren begonnen te rellen omdat zij de politie als de schul dige voor de dood van het tweetal aanwezen. Er is een officieel onderzoek naar de gebeurtenis ingesteld. De vraag is nog niet beantwoord hoe het tweetal zo makkelijk dat transformatorhuisje binnen kon komen. Een transformatorhuisje is gewoonlijk goed beveiligd. Hadden ze het tevoren als vluchtplaats opengebroken?

Zo’n vraag doet er weinig meer toe als de vlam eenmaal in de pan geslagen is. Het was mooi weer, die 27ste oktober. Het was schoolvakantie. Niemand had een reden om snel naar huis te gaan. Kort daarna kwam een traangasgranaat van de politie al dan niet met opzet in een gebedsruimte van moslims terecht. Toen waren de poppen helemaal aan het dansen. De jongeren zeiden op te komen voor de eer van hun woonwijk. Oproepen tot kalmte van sommige ouders, van buurtwerkers, van politie, van de regering – het hielp allemaal niets. De houding van minder bezorgde ouders speelde ook een rol bij de ontwikkeling van het geweld. Veel minderjarigen die bij rellen door de politie zijn op gepakt en vervolgens weer vrijgelaten, hoefden niet bang te zijn voor straf thuis. Ze werden door geëmotioneerde moeders in de armen gesloten en door enthousiaste vriendjes begroet.

Het weer bleef uitzonderlijk mooi voor de tijd van het jaar en de schoolvakantie was nog lang niet afgelopen. Een van de speculaties is dat deze omstandigheden ertoe hebben bij gedragen dat jongeren in andere plaatsen het voorbeeld van Clichy-sous-Bois gingen volgen. Het leek een wedstrijd te worden wie de meeste auto’s verbrandde. Duizenden auto’s werden binnen een week in de as gelegd.

Maar aan brandende auto’s was Parijs kennelijk gewend geraakt. Bij de onderschatting van de gebeurtenissen afgelopen weken speelde ook mee dat Franse politici vooral bezig waren met hun eigen politieke klucht. Dat grote en kleine criminaliteit vrij spel hebben in de risicobuurten weten ze al jaren. Dat de zwarte economie er op volle toeren draait is ook niets nieuws. Dat de werkloosheid er met twintig procent – in sommige gemeenten zelfs veertig procent – ver boven het Franse gemiddelde ligt, hoeft hun ook niet verteld te worden. En dat de officiële Franse samenleving weinig greep heeft op die risicobuurten is evenmin onbekend.

President Jacques Chirac en premier Dominique de Villepin zagen het begin van de rellen op 27 oktober in Clichy-sous-Bois daarom niet alleen als een probleem, maar ook als een kans. Indien minister Nicolas Sarkozy van Binnenlandse Zaken er niet in zou slagen de openbare orde te herstellen, zou hij als mislukkeling te kijk staan. En dat zou Chirac en De Villepin goed uitkomen. Want voor hen draait de Franse politiek al enkele jaren om één centraal probleem: hoe kan worden voorkomen dat Sarkozy in 2007 als vertegenwoordiger van Chiracs eigen partij, de UMP, tot president van Frankrijk wordt gekozen?

Sarkozy op zijn beurt stuurde niet alleen politie op de brandstichtende, met stenen gooiende en in enkele gevallen zelfs schietende jongeren af. Hij provoceerde ze ook bewust. Hij zei dat hij de cités met een Kärchner (een populair merk van een hogedrukspuit) zou schoon maken. Hij noemde de rellenmakers «gespuis». Kritiek op deze provocerende opmerkingen pareerde hij laconiek: «Een kat noem je toch ook niet anders dan een kat?»

Chirac en De Villepin hadden een mis rekening gemaakt. Toen de rellen zich over heel Frankrijk uitbreidden, verweten de Franse burgers minister Sarkozy juist niet dat hij daartoe met zijn provocaties had bijgedragen. Volgens een opiniepeiling van het afgelopen weekeinde steunt meer dan zestig procent van de Fransen de aanpak van Sarkozy. Het aftreden van de minister van Binnenlandse Zaken wordt slechts geëist door een enkele politicus van de linkse oppositie en door brandstichters in de cités.

Door die politieke miscalculatie legde Chirac pas afgelopen zondag voor het eerst een korte verklaring voor de Franse televisie af. Hij was ineens gedwongen om Sarkozy te steunen. Hij zei dat het herstel van de openbare orde voor alles ging en dat er daarom meer politie ingezet zou worden. Justitie zou arrestanten snel be rechten. De dreiging van de cel zal overigens op de jongeren weinig indruk maken. Als ze vrij komen is hun aanzien gestegen en worden ze als helden door hun vrienden verwelkomd.

Bovendien gaat het probleem dieper. Sinds die eerste rellen van 1981 bij Lyon kondigen opeenvolgende Franse regeringen van links en van rechts al allerhande maatregelen aan om de gettovorming in de cités te bestrijden. Maar al die wetten en regelingen zijn na verloop van tijd slechts half of helemaal niet uitgevoerd. Burgemeesters van steden met probleemwijken klagen steen en been dat de regering zelf veel projecten voor stadsvernieuwing, jongerenwerk en scholing onderuithaalt door het benodigde geld niet ter beschikking te stellen.

Geen enkele Franse regering is er overigens ooit op uit geweest om deze immigranten in aparte woonwijken op te sluiten. In de jaren vijftig van de vorige eeuw woonden nog veel immigranten in krottenwijken bij de grote steden. Van afvalhout en golfplaten hadden ze hun hutten gebouwd. Ze waren vooral afkomstig uit voormalige Franse koloniën in Noord-Afrika en zwart Afrika. Toen Frankrijk die krotten ging opruimen, was het de bedoeling de immigranten in de wijken met sociale woningbouw, de zogenaamde HLM’s, te spreiden. Frankrijk had vanaf de negentiende eeuw immers ervaring met periodieke golven van immigranten. Soms werden bij een economische recessie vreem delingen over de grens gejaagd. Dat overkwam aan het einde van de negentiende eeuw zelfs Belgische arbeiders, die halsoverkop met hun gezinnen naar hun eigen land terug moesten. Maar uiteindelijk zijn de Belgen samen met Polen, Italianen, Spanjaarden, Vietnamezen en Portugezen wel volledig in de Franse samen leving opgegaan.

Bij de immigranten uit de krottenwijken, de bidonvilles, en de nieuwe golven immigranten in de jaren zeventig, mislukte het spreidingsbeleid. Dat was het gevolg van het feit dat de beheerders van de sociale woningen, die van de staat geld kregen voor het onderbrengen van immigranten, de quotaregelingen niet uitvoerden. Oorspronkelijke bewoners van de appartementengebouwen die het financieel goed ging, vertrokken naar comfortabeler huizen. De beheerders vulden vervolgens veel meer leegstaande woningen met immigranten dan volgens de quota was toegestaan. De nieuwbouw van HLM’s werd ten slotte in hoofdzaak bewoond door immigranten. In de jaren tachtig ging men bovendien minder geld uittrekken voor nieuwbouw van HLM’s. Het resultaat was dat nog meer oorspronkelijke Fransen de sociale woningbouw verlieten om elders een beter onderkomen te zoeken en de grijze cités getto’s voor immigranten werden.

In die cités heeft de criminaliteit nu vrij spel. Werkloze ouders hebben geen zeggenschap meer over jongeren. Dat was eigenlijk vanaf begin jaren tachtig al duidelijk. Extra geld voor onderwijs, vakantiekampen, sportclubs en positieve discriminatie bij de toegang tot de elite-opleidingen voor hoger onderwijs, de grandes écoles, zijn al tientallen jaren druppels op een gloeiende plaat. Tot het complex van factoren dat een rol speelt in de probleem wijken behoort ook discriminatie. Een jongere uit een cité die wel alle diploma’s op zak heeft, is minder zeker van een baan dan een leeftijd genoot uit een andere buurt.

Maar dit kan niet alles verklaren. In de jaren tachtig werden sociaal werkers benoemd die moesten bemiddelen tussen moeilijke jongeren en overheidsinstanties. Van verbetering van het klimaat was toen ook al geen sprake. De politie klaagde dat die instanties de kant van de jongeren kozen en hun werk – het opsporen van criminelen – bemoeilijkte. De politie ging dreigend met honden patrouilleren. Enkele jaren geleden werd de wijkagent ingezet om het vertrouwen van jongeren te winnen. Minister Sarkozy van Binnenlandse Zaken zette dit project weer in de ijskast omdat het volgens hem de gewone taak van de politie – boeven vangen – belemmerde.

De huidige Franse regering heeft traditie getrouw afgelopen zomer wel weer maatregelen aangekondigd om de problemen in de cités aan te pakken. Voor een deel gaat het om bestaande regelingen die onder het stof vandaan zijn getrokken. Zo moeten er voor 2008 ongeveer dertigduizend flatwoningen gesloopt worden om plaats te maken voor eengezins huizen. Maar net zoals geen enkele analyse van de huidige situatie een sluitende verklaring geeft voor het geweld dat zich over heel Frankrijk heeft verspreid, zo heeft niemand nu een recept om de zaak weer in de greep te krijgen. Meer politie sturen, zoals Chirac heeft aan gekondigd, kan wellicht het geweld even stoppen. Het is de vraag of de politie dit aankan. De Franse regering heeft de prefecten (vergelijkbaar met de commissarissen van de koningin in Nederland) daarom de mogelijkheid gegeven om per departement een uitgaansverbod in te stellen. En premier De Villepin sloot maandagavond zelfs niet uit dat het leger moet worden ingezet. Maar ook als de politie het wél onder controle krijgt, blijft de kwestie dat de Franse politie maar beperkte tijd kan optreden als bezettingsmacht van woonwijken in het hele land.

De Franse politicus die in deze situatie opvallend zwijgt, is Jean-Marie le Pen, de leider van het extreem-rechtse Front National. Hij heeft veel aanhang onder autochtone Fransen in en nabij de cités. Hij versloeg bij de presidentsverkiezingen in 2002 de socialistische kandidaat Lionel Jospin. Hij eindigde als tweede achter zittend president Chirac. Hij lijkt rustig af te wachten op het ogenblik dat hij de regering en zijn belangrijkste politieke concurrent, Sarkozy, van grove fouten kan beschuldigen. Le Pen wil het liefst zo snel mogelijk immigranten terugsturen naar hun land van herkomst (of het land van hun ouders of zelfs grootouders).

De grootste oppositiepartij, de socialisten, is ook opvallend stil. Dat heeft ermee te maken dat het beleid van de socialisten ten aanzien van de cités nooit veel anders is geweest dan dat van de huidige regering. Met uitzondering dan van de provocerende aanpak van minister Sarkozy. Maar door die hard aan te vallen kunnen de socialisten zich niet populair maken. Na de aankondiging van president Chirac zondag dat er, naast extra politie, ook extra maatregelen zullen worden getroffen, verklaarde de socialistische leider François Hollande alleen dat dit onvoldoende was om de problemen op te lossen.

In Frankrijk wordt veel gespeculeerd over de vraag of het geweld geheel of voor een deel is georganiseerd. Dat jongens van een jaar of vijftien spontaan molotovcocktails gooien, via mobiele telefoons met elkaar in verbinding staan om te waarschuwen voor naderende politie en contacten onderhouden met het andere eind van het land, dat wil er niet in. De politie zei afgelopen weekeinde dat zij een opslagplaats van molotovcocktails had ontdekt in een ruimte vlak naast een tijdelijk gesloten politiebureau in de Parijse voorstad Evry. Dat geeft te denken.

De politie signaleert al sinds zo’n tien jaar een radicalisering onder moslimjongeren in de cités. Ze worden rijp voor een jihad in Frankrijk. Maar dat is geen sluitende verklaring voor de grote uitbarsting van geweld. Want niet alle jongeren die molotovcocktails gooien zijn moslims. De bewoners van de cités komen niet allemaal uit Noord-Afrika. Roemenen wonen er net zo goed als christelijke gezinnen met meer dan één echtgenote uit Ivoorkust.

Degenen die het meest lijden onder het geweld zijn bovendien de bewoners van de cités zelf. Voor een verbrande auto krijgt de bezitter pas na maanden van de verzekering een klein bedrag terug. Dat is bij lange na niet voldoende om een andere auto aan te schaffen. De gedupeerde autobezitter kan vaak niet meer gewoon naar zijn werk. Winkeliers klagen over schrikbarend gedaalde omzetten. Buurtbewoners van de meest uiteenlopende afkomst in het Normandische Evreux staan huilend bij een uitgebrand winkelcentrum, terwijl op een afstand jongens met capuchons over hun hoofd toekijken. De slachtoffers en de daders?

Zoals niemand durft te voorspellen wanneer de golf van geweld ophoudt, zo weet ook niemand wat de gevolgen zullen zijn. Er staat alleen maar vast dat de brandende auto’s consequenties voor de hele Franse samenleving krijgen.

«Dit zijn geen stedelijke rellen meer, het begint een opstand te worden», zei de Franse minister Pascal Clément van Justitie afgelopen maandag.