Contrapunt in open lucht

Terwijl in Nederland laag overkomende vliegtuigen en het onbetrouwbare weer de grootste vijanden van openluchtspektakels zijn, is in zuidelijke landen de krekel de meest gevreesde stoorzender. Dat een voorstelling pas begint na zonsondergang is niet alleen om een sprookjesachtige ambiance te scheppen, maar ook om de kans te vergroten dat deze herrieschoppers hun kop houden. Afdoende is dat niet, want net als kanariepieten hebben krekels de neiging om ‘mee te doen’. Of om een handje te helpen, zoals bij een dansvoorstelling van Lucinda Childs die ik zag op de binnenplaats van het Palais des Papes in Avignon: de fragiele muziek die een van haar choreografieen begeleidde, kreeg al snel een contrapunt in een allesoverstemmend gerasp.

Geen spoor van ongenode solisten in Mozarts Zauberflote, die op de binnenplaats van het Theatre de l'Archeveche in Aix-en-Provence werd opgevoerd. Niet alleen werd deze opera uitstekend gespeeld (dirigent William Christie) en gezongen (met onder anderen Hans Peter Blochwitz als Tamino), de Canadese regisseur Robert Carsen (van de Puccini-cyclus in Antwerpen) stond garant voor een intelligente enscenering.
In feite ontdoet Carsen die Zauberflote van zijn religieus-ceremoniele buitenkant en benadrukt hij het menselijke aspect. Dat komt tot uitdrukking in een spel met unifor men: Tamino is als een marechaussee gekleed, de drie Dames als nonnen (!), de leden van de orde van Sarastro als witte spoken met zwarte handschoenen en de mannen van Monostatos zijn in zwart gehulde griezels. Omhulsels die in de slotscene allemaal afgeworpen worden.
Daardoorheen ontwikkelt zich het idee van verzoening. Zonder dat de symboliek er al te dik bovenop ligt, probeert Sarastro verschillende tegenstellingen met elkaar te verenigen. Zo staat hij op een gegeven moment met water en vuur in zijn handen, rechte zwaarden worden uitgewisseld tegen gebochelde degens, zijn ‘witte’ mannen vormen het negatief van het zwarte legertje van Monostatos, en natuurlijk staat Sarastro als vertegenwoordiger van de rede tegenover de kwaadaardige Koningin van de Nacht.
Carsen geeft zo een duidelijke visie op de inhoud, en benadrukt tevens op een charmante manier de lichte, humoristische kant in de persoon van Papageno. Dit alles is gehuld in felle neonkleuren (een lichtplan van Roberto Venturi), waardoor het stuk zowel een zauberhaft als surrealistisch tintje krijgt.
Wat een raffinement vergeleken met de produktie van Verdi’s Rigoletto die in dezelfde week in het oude Romeinse amfitheater van Orange te zien was! Massaal van omvang - het theater kan een kleine tienduizend mensen herbergen - speelde ook de regie (Dieter Kagi) in op een traditionele operasmaak. Nog net geen olifanten, maar wel erg veel figuranten, een totaal overbodig beekje, een hoop fakkels en diverse paarden.
Hoewel Gilda (Kathleen Cassello) een beetje tegenviel, werd er lang niet slecht gezongen en ook het orkest (van Radio France) onder leiding van Pinchas Steinberg kwam goed uit de verf. Het grootste bezwaar tegen deze produktie was wellicht dat Rigoletto met zijn sterk psychologische inslag ten enenmale niet geschikt is voor zo'n immense ruimte. De intimiteit die anders de meest aangrijpende scenes karakteriseert, was hier ver te zoeken.
Tijdens deze voorstelling gebeurde het onvoorstelbare: het begon te regenen. Gewaarschuwd door de weerberichten waren de pauzes al geschrapt, maar vlak voor het einde vielen niet te negeren dikke druppels naar beneden. De spanning steeg nu snel. Gilda - eigenlijk dood maar nog net niet - was aan haar laatste woorden toe. Nog twee, drie minuten en de dubbele streep zou bereikt zijn. Steinberg besliste anders. Het slot van een van Gilda’s frasen werd met een flink accent tot slotakkoord gebombardeerd. Daar moet je bij een traditioneel operapubliek, slechts gehard in het negeren van krekels, natuurlijk niet mee aankomen. De boe’s en bravo’s streden om een eerste plaats.