Rush roest niet

Coole rocknerds

Ze zijn waarschijnlijk de minst sexy band ter wereld. Maar ook een van de invloedrijkste. Technisch een van de beste. En tekstueel een van de interessantste. Over Rush, twee nerds en een filosoof.

Eindelijk. Ein-de-lijk. Een paar weken ­geleden, tijdens de 28ste ceremonie van de Rock and Roll Hall of Fame, kregen ze een plek in de eregalerij van de popmuziek. Rush, het beroemdste trio uit Canada. Volgens een verslag in het Amerikaanse blad Rolling Stone waren de woorden ‘uit Toronto’ voldoende om het publiek uit hun stoelen te krijgen voor een twee minuten durende staande ovatie voor de ‘greatest, geekiest Canadian hard-rock trio that ever lived’.

Ze werden ingeleid door een verklaarde fan, Foo Fighters-voorman Dave Grohl. Rock-’n-roll gaat van oudsher hand in hand met het mysterie, hield Grohl het publiek voor. ‘Maar het ene mysterie dat alle andere overstijgt: wanneer in vredesnaam werd Rush opeens cool?’

Echt cool? Nooit.

Maar wel iets cooler dan vroeger: drie jaar geleden, toen de documentaire Rush: Beyond the Lighted Stage verscheen, die op het filmfestival van Tribeca de publieksprijs won. Het was een in opbouw tamelijk brave, chronologische reis langs de ruim veertig jaar dat de band op dat moment bestond. Maar juist door die enorme tijdspanne viel een aantal zaken opeens op: hoe eigenzinnig de band eigenlijk altijd is geweest, hoe uitzonderlijk groot hun vakmanschap is, en hoeveel rockmuzikanten zijn beïnvloed door die band die in zekere zin nooit lijkt te zijn door­gebroken, geen echte wereldhit heeft gehad maar wel al decennia lang miljoenen albums verkoopt en arena’s uitverkoopt. De grootste cultband ter wereld, eigenlijk. Met nummers te lang om op de radio te worden gedraaid, rock met te veel symfonische invloeden om ooit omhelsd te worden door critici, mannen met te weinig uitstraling om seksidolen te worden en teksten te lang en te intelligent om de grote massa van het rockpubliek tot meebrullen te verleiden.

En misschien zit in die combinatie wel juist de verklaring. Kiss-voorman Gene Simmons noemt in de documentaire ‘gebrek aan angst’ de sleutel tot het succes van Rush. Angst om niet populair te zijn. Rush is de band van en voor mannen (de diversiteit van hun fans is enorm, op één onderdeel na: hun geslacht) die op het schoolplein al de buitenbeentjes waren, en zich daar al lang mee hebben verzoend. ‘I can’t pretend a stranger is a long awaited friend’, klonk het al 1981 in Limelight, op hun succesvolle album Moving Pictures. En in Subdivisions uit 1982: ‘Subdivisions/ In the high school halls/ In the shopping malls/ Conform or be cast out.’

Het is het grote, terugkerende thema in hun teksten: de (moeizame) verhouding tussen het individu en het collectief. Die teksten worden niet geschreven door zanger/bassist Geddy Lee, ook niet door gitarist Alex Lifeson. Het is drummer Neil Peart die alle teksten van Rush schrijft.

Peart kwam iets later bij de band. Lee en Lifeson waren al vrienden sinds de middelbare school. Lee was de zoon van twee holocaust­overlevers die naar Canada emigreerden, Lifeson de zoon van Joegoslavische migranten. In de documentaire over de band kijkt Lifeson terug naar oude videobeelden waarop hij stellig verklaart dat hij met school wil stoppen om zich te wijden aan het spelen. Het is een mooi beeld: de milde bijna-zestiger die naar de puberversie van zichzelf kijkt, een obstinate rebel die zowel fysiek als verbaal louter afkeer toont van een systeem dat verwachtingen van hem heeft die de zijne niet zijn. En ouders vol onbegrip over een kind dat de kansen niet grijpt die hun nieuwe land hem biedt. Ook Lee stopt met school om fulltime muzikant te worden, volgens zijn moeder het equivalent van ‘bij het circus gaan’.

Precies op het moment dat de twee besluiten alleen maar te willen spelen, wordt in Toronto de leeftijd om alcohol te mogen bestellen verlaagd van 21 naar achttien jaar, wat een enorme groei van het nachtleven tot gevolg heeft. En al die nieuwe bars en clubs willen maar één ding om publiek te lokken en vast te houden: livebands.

Dus dat begeerde spelen en niets dan spelen, dat krijgen ze onmiddellijk. Hun debuutalbum is een hit, maar Rush wordt pas echt Rush kort daarna, met de komst van hun tweede drummer. Neil Peart, in technisch opzicht onomstotelijk een van de beste en invloedrijkste ter wereld. In geen drumwinkel ter wereld ontbreekt een foto of instructie-dvd van Peart, de man die niet alleen van een drumsolo een nummer maakte (het legendarische The Rhythm Method, met een knipoog vernoemd naar een manier van anticonceptie), en wiens extreem complexe ritmes zelfs bij niet-drummers uitnodigen tot luchtdrummen – om al snel vast te lopen, want de reden dat Peart na al die jaren Rush-­klassiekers als Tom Sawyer nog steeds met plezier speelt, is dat ze zo ingewikkeld zijn dat hij iedere avond hoopt dat hij het foutloos redt.

Maar niet alleen technisch was de komst van Peart van essentieel belang. Hij maakte van Rush ook wat het nog steeds is: een intellectuele rockband. Gene Simmons van Kiss, legendarisch vanwege (en trots op) zijn seksuele uitspattingen, moet er in Rush: Beyond the Lighted Stage nog steeds om lachen: het volmaakte contrast tussen de twee bands in beleving van een tournee. Bij hun eerste gezamenlijke tour zaten de kleedkamers na de shows vol met groupies, genoeg voor iedereen. Maar de leden van Rush waren er al niet meer. Waar dan wel? In hun hotelkamer. Zouden ze wellicht homoseksueel zijn, vroeg Simmons zich af. Hielden ze gewoon niet van vrouwen? Nee, dat was het ook niet. Maar wat deden ze dan in vredesnaam op hun hotelkamer? In twee gevallen: tv kijken. En in één geval: lezen.

Voor Neil Peart was de charme van zijn nieuwe leven juist dat: iedere dag een andere stad met een andere boekhandel, en tijdens het reizen tussen die steden zoveel tijd over om die nieuwe aankopen meteen te lezen. Veertig jaar later vertelt Geddy Lee in de documentaire lachend hoe Lifeson en hij onder de indruk waren van Peart, zijn belezenheid en zijn woordenschat. En zich afvroegen of iemand die zoveel moeilijke woorden gebruikte niet beter ook de teksten kon schrijven. Dat deed hij, en vanaf dat moment doken er op de albumhoezen opeens inleidingen bij songteksten op als ‘A short story by Rush’, en moest Lee zulke enorme lappen tekst zingen dat hun toch al geringe neiging tot het schrijven van compacte nummers er om praktische redenen niet groter op werd.

Maar ze zijn niet alleen lang, die teksten van Peart. Ze zijn ook een constante factor van hoge kwaliteit in de geschiedenis van de band, en daarmee die van de rockmuziek. Het is interessant hoe zijn leven erdoorheen schijnt en zijn teksten daarmee veranderen aan de ene kant, en hoe hij aan de andere kant een voorkeur houdt voor epische, een tikkeltje magische verhalen, zoals op het meest recente album Clockwork Angels.

Een van zijn meest omstreden teksten, en tegelijk een proeve van zijn kwaliteiten, is The Trees (1978). Het voor Rush-begrippen tamelijk compacte nummer (nog geen vijf minuten) vertelt het verhaal van esdoorns in een bos die meer daglicht willen, ten koste van de grotere eiken. Wanneer die weigeren en stellen dat de esdoorns maar gelukkig moeten worden in hun schaduw roepen de esdoorns: ‘Onderdrukking!’ en verenigen zich in een bond. Ze krijgen hun zin. ‘Now there’s no more oak oppression/ For they passed a noble law/ And the trees are all kept equal/ By hatchet, axe, and saw.’

Onversneden rechts, een aanval op de vakbonden, vonden met name in Groot-Brittannië linkse muziekliefhebbers, en Rush gold een tijd als een rechtse band.

Met name na de tragische dood van zijn vrouw en dochter maakte Peart lange motorreizen, die een paar keer leidden tot reisdagboeken, met een filosofische inslag. De strakke productiviteit van de band nam iets af. Op hun eerste album in de jaren negentig, Roll the Bones (dat opnieuw de top-vijf in de Verenigde Staten haalde) klinkt Pearts beïnvloeding door het taoïsme door: ‘Why are we here?/ Because we’re here// Roll the bones/ Why does it happen?/ Because it happens/ Roll the Bones.’

Het geluid van zijn band was inmiddels weer gestript van de synthesizers die er in de jaren tachtig een prominente rol in hadden gekregen. Ook daarvoor gebruikten ze op het podium nooit extra muzikanten: Geddy Lee bediende ze met voetpedalen, terwijl hij baste en zong. In die zin was Rush altijd de anti-punkband: hier ging het niet alleen om willen, maar ook kúnnen spelen. De tijd dat Lee’s hoge stem belachelijk werd gemaakt (‘Mickey Mouse op helium’, schreef een recensent ooit) lag eveneens achter hem: hij werd in 1997 zelfs aangehaald in een nummer van indierockers Pavement: ‘What about the voice of Geddy Lee/ How did it get so high?/ I wonder if he speaks like an ordinary guy?’

En nu, anno 2013, is Rush op het punt gekomen dat alle grote, relevante rockmuzikanten verklaren dat ze onder meer door Rush leerden spelen. Zoals Trent Reznor van Nine Inch Nails het stelt: leren spelen is leren náspelen, en wie is er nou moeilijker na te spelen dan Rush? Zonder Rush geen Muse, het trio dat twee dagen later in Amsterdam speelt (maar dan in de nog grotere Arena).

Wanneer ze deze week in de ZiggoDome optreden, zullen ze een greep doen uit hun rijke verleden, maar tijdens het Amerikaanse deel van de tour lieten ze publieksfavorieten als ­Closer to the Heart (hun enige grote radiohit) achterwege ten faveure van nieuw werk. Omdat ze Rush zijn, en groot zijn geworden door eigenwijs te blijven. Wat ze wel spelen, is het nummer dat precies de waarde van die instelling omschrijft: The Spirit of Radio: ‘One likes to believe in the ­freedom of music/ But glittering prizes and ­endless ­compromises/ Shatter the illusion of integrity.’


Rush speelt op 2 juni in de ZiggoDome in Amsterdam