Menno Hurenkamp

Cor en Mohammed

In het Polen van de negentiende eeuw stormt een boerenzoon tijdens een veemarkt op een jood af en slaat hem helemaal in elkaar. Waarom doe je dat? vragen de omstanders die hem van zijn slachtoffer trekken. De joden hebben Christus gekruisigd! roept de boer. Maar dat is al tweeduizend jaar geleden, reageren de omstanders verbaasd. Dat kan wel zijn, zegt de jongen, maar ik hoorde het pas net!

Ayaan Hirsi Ali die de profeet Mohammed een tiran en een kinderverkrachter noemt, ontkomt niet helemaal aan dit sjabloon. Prima dat ze fanatici beledigt. Deze verlangen hartgrondig naar kansen om hun standpunten hardop te belijden, en voor de ontspannener mensen is het goed te weten waar de dwepers zich ophouden. Maar tegelijkertijd drukt dit zoveelste relletje over religieuze eigenaardigheden het debat over integratie nog dieper in de repeterende groef van liberalisme versus achterlijkheid: je bent of ongelovig of debiel. De échte Nederlander haalt zijn schouders op over theologische haarkloverij, in plaats van te sissen dat Jezus géén homo was. Het debat over inburgering leidt door interventies van het type Hirsi Ali aan een nodeloze trivialisering, weg van de vraag hoe je mensen aan het werk krijgt en houdt. Mohammed is nu eenmaal een held, en van een held pik je wel wat. Sterker nog, een held moet rauwe randen hebben.

Dus loopt Amsterdam deze week weer eens uit voor de lijkkist van een crimineel. Cor van Hout verdiende zijn boterham met afpersing, ontvoering en andere misdrijven. Als om bij zijn dood nog even in zijn daadwerkelijke glorie op te treden, stierf hij aan het Groot Gelderlandplein te Amstelveen, grijs betegelde weidegrond voor de winkelverslaafde middelmaat.

Van Hout was geen prettige man. Toch haastten misdaadverslaggevers, ondernemers van onduidelijke komaf en omstanders zich om publiekelijk verzachtende oordelen over de man te vellen. Het was eigenlijk een goeierd, iemand die van een spannend leven hield, altijd al anders geweest, registreerden de cameramannen ogenschijnlijk neutraal. De bewieroking van iemand die het leven van andere mensen ruïneerde, heeft iets tragisch. Je zou een eenduidige veroordeling uit ieders mond willen horen. Normen! Waarden! Goed dat-ie dood is! Maar omdat misdaadverslaggevers de onderwereldfiguur Van Hout een glamourrol hebben gegund, wordt de man een held, die met een wandaadje méér alleen maar steviger op zijn sokkel staat. Want hoe eentonigheid eruitziet weet iedereen.

Dat Cor en Mohammed het slechte voorbeeld gaven, is voor een gemiddelde protagonist niet onvermijdelijk, maar wel gebruikelijk. Ook het vijftienjarig meisje dat van de KRO een prijs kreeg voor burgermoed bleek een hyperactieve vechtjas. Nette helden komen minder ver. Je kunt enorm boos worden op die figuren, of op de mensen die hen aanbidden. Veel zin heeft het niet. Mensen zoeken onvermijdelijk naar fascinerende voorbeelden, omdat ze zich allemaal afvragen waarom ze leven en hoe ze zouden moeten leven. Weten dat het ondertussen niet normaal is negenjarigen aan te randen of biermagnaten te kidnappen, vereist vermogen de afstand tussen dagelijks leven en verbeelding te overbruggen. Veruit de meeste mensen krijgen dat op school aangeleerd.