3 juli 1922 - 5 september 2010

Corneille

Corneille wilde in zijn werk iedere rationaliteit loslaten. Hij liet zich inspireren door zijn fantasie en probeerde zo te werken alsof hij een kind was, primitief of geestesziek.

ALS EEN AFSCHEIDSGROET aan zijn zo talrijke publiek maakte de schilder Corneille, die zondag op 88-jarige leeftijd overleed, een serie van dertig gouaches, die in de vorm van een boekje werden gepubliceerd. Daarin drukte hij, in zijn bekende simpele symbolentaal, uit hoezeer hij genoten had van het leven. Als de in hout uitgezaagde stukjes van een kinderpuzzel paste hij zijn vissen, katten, slangen, vogels, paarden, en niet te vergeten vrouwen, maar ook wolkjes en bomen, op een ondergrond die de kleur heeft van de liefde: diep rood. Ook de zon, die hij vaak weergaf in de vorm van het vrouwelijk geslacht, is als permanente warmtebron aanwezig. Met de handen die hij overal in deze vertellingen plaatste en met de vleugels van vogels die hij lange vingers gaf, lijkt hij ons vaarwel te wuiven. In een aantal boerenhuisjes en landschappelijke elementen is de omgeving te herkennen die hij als zijn laatste verblijfplaats en uiteindelijke rustplaats koos, het Noord-Franse Auvers-sur-Oise, de plek waar ook de door hem bewonderde Vincent van Gogh zijn laatste adem uitblies en begraven ligt naast zijn broer Theo.
‘Ik was een zeer middelmatige tekenaar’, gaf Corneille eens toe. En inderdaad, de tekeningen die bewaard zijn gebleven van zijn verblijf op de Kennemer Etalage en Reclame School in Haarlem zijn weinig belovend. Zijn vader, die niet erg gecharmeerd was van zijn wens om kunstenaar te worden, had hem gedwongen daar lessen te volgen. Nadat Corneille naar Amsterdam was ontkomen, kostte het hem grote moeite op de academie te worden toegelaten. Dat gebeurde pas in 1943. Er bleken op het beeldende vlak echter wel degelijk talenten in hem te schuilen. Door zijn confrontatie met de ontwikkelingen in de moderne kunst, die voornamelijk in het buitenland hadden plaatsgevonden, moet Corneille die talenten in zichzelf hebben ontdekt. Op de academie werd met minachting gereageerd op 'nieuwe stromingen’ in de kunst. Van Gogh, toen al zijn grote held, werd afgedaan 'als iemand die niet kon tekenen, en Matisse als een decorateur’.
Na 1945 kon Corneille het benauwde traditionele kunstklimaat van Nederland achter zich laten. Met zijn grote vriend van de academie, Karel Appel, trok hij naar België en Parijs. Een ontmoeting in Amsterdam met een Hongaarse vrouw, die op zoek was naar jong talent, had tot gevolg dat hij in 1947 werd uitgenodigd enige maanden naar Boedapest te komen. België en Parijs openden hem de ogen voor het 'joie de vivre’ van de École de Paris, met haar warme poëtische kleuren en de ontwikkeling van het werk van Picasso. In Boedapest kwam hij in aanraking met het surrealisme en schilders als Paul Klee en Juan Miró. Sindsdien waagde hij het erop los te breken in een irrationeel experiment. Hij ontdekte in zichzelf een geweldig plezier in het combineren van vrije vormen en poëtische kleuren over een stramien van lijnen. Het was ook, zoals hij zijn vriend, de dichter-zakenman Louis Tiessen schreef, het 'overweldigende voortwoekerende ritme van de natuur’ te midden van de ruïnes van het gebombardeerde Buda, het oudste gedeelte van Boedapest, dat hem daarbij inspireerde.
Zijn ondernemingslust en vriendschappen brachten hem in 1948 weer nieuwe contacten. Via de Nederlandse schilder Constant, die Corneille en Appel eind 1947 leerden kennen, kwamen ze in aanraking met diens Deense vriend de schilder Asger Jorn, en hoorden ze over de groep van Deense experimentelen waar hij toe behoorde. Het gevolg was dat er niet alleen in de zomer van 1948 in Nederland door hen een 'experimentele groep’ werd gevormd, maar dat zij in november van dat jaar, samen met de vertegenwoordigers van een verwante Belgische kunstenaarsgroep, in Parijs de Cobra-beweging oprichtten. Over de confrontatie met het werk van de Denen, die gemiddeld zo'n tien jaar ouder waren, was Corneille buiten zichzelf van enthousiasme. 'Het leven kent emoties die altijd bijblijven en het eerste aanschouwen van die schilderijen gaf ons een dergelijke sensatie’, schreef hij in het tweede nummer van het bad Reflex, orgaan van de Experimentele Groep in Holland. Zelf al enigszins op dat spoor gezet door het werk van Picasso, Klee en Miró troffen zij hier kunstenaars aan die zich al tien jaar lieten inspireren door vormen van primitieve kunst, volkskunst, kindertekeningen en de kunst van geesteszieken. Hier werd iedere rationaliteit losgelaten en zelfs gepoogd zó te werken alsof men zelf kind was, primitief of geestesziek.
Corneille werd vooral sterk aangetrokken door het werk van de Deense schilder Carl-Henning Pedersen, die, gevraagd naar de kindertekening als inspiratiebron, volmondig kon beamen dat hij zelf nog een kind was, of vanuit dezelfde bron werkte als een kind. Het was vanaf dat moment dat Corneille begon zijn sprookjesachtige verhalen te vertellen, van vliegende vissen, grote vogels en kinderlijke menswezens met grote ballonnen als hoofden. Na een lange onderbreking in de jaren vijftig waarin hij rondtrok in Afrika en vooral geïnspireerd werd door de structuur van de aardkorst, die hem bracht tot composities die doen denken aan vervlochten aardlagen, keerde hij midden jaren zestig terug naar die kinderlijke, volkskunstachtige figuratie. Daarbij was het dan niet zozeer Van Gogh met wie hij verwantschap toonde, maar Henri Matisse en Pierre Bonnard, de grote Franse decorateurs. Zij waren in hun werk steeds blijven uitgaan van de geziene werkelijkheid, terwijl Corneille koos voor een fantasiewereld. In feestelijke kleuren wist hij, net als zij steeds in het platte vlak, zijn motieven, van vogels, vissen, slangen en zonnen, te weven rond de lichamen van vrouwen. Zijn soms zeer geraffineerde composities herinneren aan de warmte van zuidelijke zomeravonden.

Corneille, 30 variations sur des lieux imaginaires, uitgegeven door Elysee Arts Gallery te Luik bij een tentoonstelling aldaar afgelopen zomer

lees ook:
'ik een hoer?’
Arthur van Amerongen