De Griekse filosoof Aristoteles en zijn studenten verzamelden 158 antieke constituties. Alleen de ‘Constitutie van Athene’ is bewaard gebleven, een beschrijving van de politieke praktijk in ’s werelds eerste democratie. Stel we zouden Aristoteles’ studenten opnieuw de wereld insturen. Naar de parlementaire democratie met de op een na oudste grondwet ter wereld. Ze vallen midden in de coronapersconferentie van afgelopen vrijdag. Wat zouden ze zien?

Ze zouden waarschijnlijk opmerken dat twee kennelijke regeringsleiders over genomen besluiten vertellen. Daarna mogen personen, die niet lijken te zijn gekozen, vragen stellen. In de antwoorden van de regeringsleiders horen ze een voortdurende verwijzing naar een groep gezaghebbende mensen elders. Een van de aanwezigen legt de studenten naderhand uit dat er later wéér een andere groep mensen vragen mag stellen. Een veel grotere groep zelfs. Ze mogen ook ‘nee’ zeggen. Maar wel over een paar dagen pas.

We zouden het de studenten moeilijk kwalijk kunnen nemen als ze na deze kennismaking niet direct ‘parlementair stelsel’ in hun schrift noteren. Als het om corona gaat functioneert ons parlementaire stelsel al meer dan anderhalf jaar op uitzonderlijke, haast onherkenbare wijze. Dat functioneren, en ook de volgorde ‘Outbreak Management Team (omt)-advies, kabinetspersconferentie, Kamerdebat’, leunt sinds oktober 2020 op Hoofdstuk 5a van de Wet publieke gezondheid, een toevoeging die voortkomt uit de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19.

Het achteraan aansluiten van het parlement past bij acute nood in een pandemie. Maar meer dan anderhalf jaar later begint die inrichting van de coronademocratie steeds meer te wringen. Tot nu toe deelde het parlement op dit punt vooral speldenprikjes uit. Zo nam de Kamer al in april 2020 een motie van Gert-Jan Segers (cu) aan om de advisering aan het kabinet diverser te maken. Met succes. Zo reflecteert de kabinetsbrief met de maatregelen van afgelopen vrijdag uitgebreid op inzichten van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ook blijft de Kamer protesteren tegen het lekken van de coronamaatregelen voorafgaand aan de persconferenties. Zonder succes. ‘Het kabinet begrijpt de onvrede en het onbegrip daarover volledig’, antwoordde premier Rutte op 26 oktober 2021 op Kamervragen daarover. De maatregelen van 2 november lekten toch weer grotendeels uit, net als die van 12 november. Het belangrijkste wapenfeit van het parlement was het bedingen van een bekrachtigingsrecht in Hoofdstuk 5a van de Wet publieke gezondheid. Als omt, kabinet en pers aan zet zijn geweest, kan het parlement aan het einde van de rit nog wel ‘nee’ zeggen tegen maatregelen.

Nu corona waarschijnlijk nog lang bij ons blijft, moeten we fundamenteler over deze vormgeving van de coronademocratie nadenken. Te beginnen met de volgorde ‘omt-kabinetspersconferentie-Kamerdebat’. Het omt-advies zou steeds eerst gepubliceerd moeten worden, om vervolgens besproken te worden in het parlement, waarna de regering een voorstel kan doen voor maatregelen. Het parlement zou zich, kortom, veel nadrukkelijker in het hart van de coronabesluitvorming moeten plaatsen.

Allereerst omdat langetermijnplannen in zichzelf geen garanties bieden. De roep om de lange termijn klinkt terecht steeds luider. Maar de enige echt langetermijnstrategie is een goede inrichting van je democratische infrastructuur. Het is immers niet zo dat een lange(re) termijnvisie volledig ontbrak. In een korte inventarisatie kwam ik tot zeven routekaarten en vier openingsplannen, de laatste van 18 juni 2021. Ze keken maanden vooruit (de openingsplannen) of waren bedoeld als algemeen toepasbare set van scenario’s (de routekaarten). Tussen de publicatie van nieuwe versies zat soms echter minder dan een maand tijd en op de persconferentie van afgelopen vrijdag was geen routekaart of openingsplan te bekennen. Kortom: ook langetermijnplannen en -scenario’s worden steeds door de grilligheid van corona ingehaald. Het enige alternatief is een parlement dat voortdurend meepraat en -stuurt over de korte en lange termijn.

Maar het parlement moet ook terug in het hart van de coronabesluitvorming omdat ze een andere belangrijke functie dan weer daadwerkelijk kan vervullen: het ‘ontladen’ van politieke conflicten. In de huidige inrichting van de coronademocratie wordt het debat over de coronamaatregelen op voorhand zoveel mogelijk gedepolitiseerd. Bij het laatste station van de rit ‘omt -kabinetspersconferentie-Kamerdebat’ zijn de politieke marges smal en kan er uiteindelijk alleen nog geaccordeerd worden (of niet). Het veroordeelt het coronadebat tot de uiterste flanken waar handelaren in politieke verontwaardiging steeds verder radicaliseren en hun achterban kunnen ophitsen. Het werk van de Belgische politiek filosofe Chantal Mouffe laat zien wat voor een risicovolle strategie dat is.

Politieke conflicten kunnen ontsporen in ‘antagonisme’ waarbij tegenstanders niet meer als legitiem worden gezien, ook politiek geweld is daarbij niet uitgesloten. Zondagavond retweette FvD-leider Thierry Baudet een hoax-tweet over een kind dat leek uitgesloten te worden bij een sinterklaasintocht. Hij zette er alleen de tekst ‘Fight’ bij. Juist het parlement is volgens Mouffe een instituut dat ‘antagonisme’ tussen groepen kan transformeren in een verdraagzame politieke strijd. Maar dan moet er voor die politieke strijd wel ruimte zijn.

De coronademocratie zal nog wel even met ons zijn. Het is tijd dat onze politieke praktijk zich daaraan aanpast.


Bastiaan Rijpkema is rechtsfilosoof en jurist en bijzonder hoogleraar verdraagzaamheid aan de Universiteit Leiden.