Corpsbal

In ‘Von teutschen Blut’ (De Groene, l3 mei 1995) doet Martin van Amerongen verslag van het bezoek van een groepje Nederlandse journalisten aan Duitsland. Ik lees dat stuk op de avond van 4 mei en mijn oog valt op de wijze waarop Van Amerongen de Nederlandse consul-generaal in Dusseldorf schetst: ‘een diplomaat met een, zo te horen, spectaculair hoog corpsbalgehalte’, waarvan later echter gemeld wordt dat die consul, nog steeds ‘every inch een corpsbal’, in feite louter verstandige dingen zegt over het ‘morele kompas’ (van Beatrix), over de ‘persoonlijke verantwoording’ in ieders mensenleven, en nog veel meer.

Al lezend kwam mijn neef (een corpsbal uit het Delfts studentenverzet) in mijn gedachten. Hij werd getipt dat de verzetsgroep waar zijn broer (een Wageningse corpsbal) deel van uitmaakte, verraden dreigde te worden, en dus zo snel mogelijk gewaarschuwd moest worden. Om geen argwaan te wekken besloot hij niet per trein, maar per fiets naar Wageningen te trekken. Toen hij daar de volgende dag aankwam (avondklok!) bleek hij te laat te zijn. Zijn broer was reeds door de Duitsers gefusilleerd. Mijn hals over kop toegesnelde oom mocht het ontzielde lichaam van zijn zoon niet benaderen. Dat moest als waarschuwing enige dagen op de Markt van Wageningen blijven liggen. Mijn oom (arts, oud-corpsbal) heeft dat nooit kunnen verwerken en wilde na de oorlog niet meer verder leven. Mijn neef, die zich verantwoordelijk achtte voor de dood van zijn vader en zijn broer, heeft nooit meer een normaal leven gehad. Als enig overgebleven kind heeft hij, uit schuldbesef, de rest van zijn leven aan zijn moeder gewijd.
Na deze herinnering te hebben opgehaald, heb ik de eerste almanakken die het Leidse en Amsterdamse Studenten Corps na de oorlog hebben uitgegeven (andere heb ik niet in huis), nog eens opgeslagen. Studentencorpora die tezamen met het Delftse Corps zich reeds in het najaar van 1941 vrijwillig hebben opgeheven. En ik heb de namen en de foto’s van alle corpsballen die in de oorlog zijn omgekomen weer eens aan mij voorbij laten gaan. Daarna heb ik even aan Martin van Amerongen gedacht, en aan de vele pretentieuze en ergerlijke vooroordelen die mij het lezen van zijn stukken vaak zo bemoeilijken. Een man die denkt dat hij met de uitdrukking ‘corpsbal’ de lezer zijn kritische geest tonen kan.
Heemstede, EDUARD BONSEL