Corry Brokken rechter/zangeres

‘Het moeilijke van het rechtersvak is dat je altijd op de hoogte moet zijn van de allerlaatste wetswijzigingen, en dat je de jurisprudentie op je duimpje moet kennen. Je moet sociaal en comunicatief vaardig zijn, wat ik, met mijn theaterervaring, gelukkig wel ben.

Medium eurovision song contest 1958   corry brokken

Van het theatervak is de moeilijkheid dat je maar moet afwachten of de mensen je willen. Al heb je nog zo'n bekende naam, als ze voor Brokken naar de schouwburg komen, moeten ze waar voor hun geld krijgen. En als je succes blijkt te hebben, moet je dóórgaan. Voor het volgende seizoen weer een nieuw programma maken, weer nieuw repertoire zoeken. De stem moet het blijven doen. Voorlopig is er geen reden waarom die me in de steek zou laten.’

‘DAT IK BEN gaan studeren, had alles te maken met mijn huwelijk met een veel oudere man, die niet alleen mijn zaken behartigde, maar me ook op een vreselijke manier heeft overheerst. Terwijl ik had gehoopt op een nieuwe start, een groot gezin, huiselijke, vertrouwde dingen. We woonden in een schitterend huis. Mijn dochter Nancy groeide op. Ik wilde gewoon lekker leven met die man. Van hem mocht ik alleen maar mooi zijn en de sterren van de hemel zingen. Ik reisde van het kastje naar de muur. Op een gegeven moment kon ik niet meer tegen dat gedram en de manier waarop ik geëxploiteerd werd. Opeens dacht ik: ik pik het niet meer die vernedering, ik ga studeren! Ik koos voor rechten omdat ik, als “onnozel zangeresje”, niet geacht werd mij voor de zakelijke aspecten van mijn vak te interesseren, laat staan dat ik me ermee mocht bemoeien. Maar de juridische kant interesseerde mij wél. Dus ben ik naar de universiteit in Utrecht gegaan en heb ik gevraagd of ik op mijn leeftijd - ik was 42 - en met alleen mulo nog aan een rechtenstudie kon beginnen. Dat kon, als ik een colloquium doctum deed. Een jaar later was ik voor alle vakken grandioos geslaagd. Mijn man was ervan overtuigd dat het een bevlieging was. Hij vond dat we na dat colloquium maar weer normaal moesten doen. “Dat doen we”, zei ik. “Ik ga namelijk nu studeren.” Ik geloof dat hij tien dagen niet tegen me gesproken heeft. Want hij hield van de zangeres, niet van de vrouw Corry.
Dat huwelijk werd hoe langer hoe slechter. Toen het echt niet meer te harden was, heb ik mijn biezen gepakt. Ik heb alle luxe en zekerheden achter me gelaten en ben met Nancy in Utrecht op een flat gaan zitten. In de collegebanken zitten viel niet mee. Er was een sfeer van: wat moet die zangeres hier? Bovendien bleven de bladen me achtervolgen. Ze gingen zó ver dat ze medestudenten geld boden om er achter te komen hoe ik studeerde en of ik wel alles haalde. Gelukkig studeerde ik fantastisch. Binnen vijf jaar was ik klaar.

Op de universiteit heb ik mijn huidige echtgenoot, Jan Meijerink, leren kennen. We wilden samen een advocatenpraktijk beginnen. We hadden een studiepakket afgesproken dat daarvoor de breedste basis bood. Ik studeerde af op strafrecht en familierecht, hij op civielrecht.
Na ruim zes jaar advocatuur, kreeg ik van een bevriende rechter het advies om bij de rechterlijke macht te solliciteren. Ik heb alle papieren keurig ingevuld, zonder enige illusie dat ze mij, een 53-jarige ex-zangeres, ooit zouden willen hebben. Maar ik werd opgeroepen voor een psychologische test en een soort kruisverhoor door een aantal topmensen van justitie en uit het bedrijfsleven. De volgende dag gaat de telefoon: “Mevrouw Meijerink, u hebt het groene licht, u mag solliciteren bij een rechtbank.” Zo ben ik in Den Bosch terechtgekomen, eerst als waarnemend griffier, daarna als gerechtsauditeur en rechter/ plaatsvervanger, en tenslotte als rechter voor het leven. Tot mijn zeventigste had ik daar mogen blijven zitten.

Ik denk dat ik er aanleg voor had. Ik had geen enkele angst om voor een volle zaal achter die tafel te zitten en die mensen tegemoet te treden. De emoties kende ik uit het theater, in dit geval had ík de regie. Ik kon goed formuleren en zeer to the point zijn. Ik had grip op de mensen en sprak gewoon begrijpelijk Nederlands, zonder dat gegoochel met termen als deo volente, de facto en dat soort onzin. Als ik in een echtscheidingsprocedure twee op elkaar scheldende partijen voor me kreeg, en de echtgenoot begon: “Weet u wat het is, edelachtbare, mevrouw Jansen zegt nu wel…” Dat ging dus over zijn bijna-ex - dan zei ik: “God meneer, ik lees hier in de stukken dat uw vrouw Toos heet. Zou u haar dan hier ook maar niet zo noemen?” Intussen deed ik niks meer aan muziek, ik ging nooit naar het theater. Niet alleen omdat ik het te druk had, maar ook omdat het te veel pijn deed. Hoe steviger ik als rechter in het zadel zat, des te meer begon het van binnen te kriebelen. Heel langzaam durfde ik weer wat te ondernemen. Voor de lol wat zingen met Robert Long. Praten met Rita Reys en Pim Jacobs. Naar een show van Karin Bloemen, van Mathilde Santing. Ik dacht: ohhhhh… En toen, eind 1992, werd mijn dochter ernstig ziek. Levensgevaarlijke bloedvergiftiging, 42 graden koorts. Het was een hel. Haar twee kinderen waren nog klein, we waren allemaal van de kaart. Ze heeft het gered, ten koste van haar beide onderbenen. Ze moest opnieuw leren lopen op protheses, leren praten, leren leven. Dat is haar gelukt. Ik ben heel trots op haar.

Pas een jaar later was ik weer in staat aan het werk te gaan. Met een groter gevoel voor betrekkelijkheid en een groeiend heimwee naar de muziek. Het was Nancy die mij uiteindelijk overhaalde een dubbel-cd van mijn vroegere repertoire samen te stellen. We waren allebei zo verrast over de kwaliteit van de banden dat zij voorstelde: “Waarom ga je eigenlijk niet opnieuw zingen?” Ik zei: “Ja dááág.” Enfin, praten, praten, janken, janken. Voor Jan kwam het als een totale verrassing. Hij heeft nooit anders geweten dan dat ik een hekel had aan alles wat met showbusiness te maken had. Maar voor hem was het enige wat telde dat ik me gelukkig voelde. Ik dacht: hij heeft gelijk, ik leef maar één keer, ik waag de sprong: ik ga terug naar mijn roots. In 1995 kreeg ik voor die dubbel-cd een Edison op het Grand Gala du Disque. De pers viel weer over me heen en het begon te rollen. Ik presenteerde de uitreiking van de Gouden Harpen, en maakte een nieuwe cd. Mijn stem zat nog goed. Ik had zelfs meer bereik gekregen. Toen ben ik ben naar de president van de rechtbank gestapt en heb hem gezegd dat ik na ampele overwegingen had besloten weer te gaan zingen, omdat ik niet kon leven zonder die muziek en het theater. Ik kreeg een mooie afscheidsreceptie, met cadeaus en bloemen, en weg was Cor. Door mijn nieuwe cd en het promotiecircus daaromheen, was ik niet van het scherm af te slaan. Daar heb ik nu spijt van. Na het voorzitterschap van de finale van het Songfestival, vorig voorjaar, ging het mis. Overal blaasjes, jeuk en pijn: gordelroos, van de stress. Zo'n beslissing hakt er toch in.’

'Ik presenteer nu ook seminars en congressen. Ik word regelmatig gevraagd als dagvoorzitter van een congres van psychologen of dropfabrikanten, noem maar op. Heerlijk, die twee circuits: discussies leiden in een beeldschoon mantelpak met een hoge col, en lekker zingen in het theater, je haar wat losser, het decolleté wat lager. Ik was een goeie rechter, maar ik kreeg heimwee naar rood pluche en het geurtje. Ik wil niet zeggen dat ik een stoffig bestaan leidde, maar ik had behoefte aan applaus en directe waardering. Ik realiseerde me dat ik er destijds om oneigenlijke redenen uit was gestapt, als een diep ongelukkig, tamelijk gedeformeerd mens. Dat ik toen eigenlijk had willen zeggen: “Zo, lekker puh, stik maar, ik ben de baas. Dat kan ik.” En toen ik dát had bewezen dacht ik: Is that all there is? Terwijl ik nu, terug in de muziek, nooit dat gevoel heb. Het is een vak, een moeilijk vak, waarin ik door mijn ervaring als rechter meer zelfvertrouwen heb gekregen. Vroeger was ik gewoon een zangeres, ik knalde de ene hit na de andere er uit. Nu werk ik met mensen uit de theaterwereld en het bedrijfsleven, niet alleen met “muziekboeren” die zich afvragen of “je hitpotentie hebt”, of “effe lekker kunnen scoren”. In dat circuit heb ik veel geleerd, maar ik werk nu zonder toeters en bellen. Niet meer de veren van de revue, nee, poepie chic, zonder retteketet, gewoon: floep, daar sta ik.’


Beeld: Corry Brokken tijdens het Eurovisie Songfestival van 1958 in Hilversum (Beeld en Geluidwiki / creative commons)