Fietsend door de Haagse duinen viel mijn blik onlangs weer op het bordje met de naam van het fietspad. Wederom dacht ik: vreemd eigenlijk dat dit duinpad naar een staatsman is genoemd, Pieter Cort van der Linden. Onwillekeurig verwacht ik blijkbaar bij staatslieden grote lanen, straten of pleinen. Cort van der Linden, premier van augustus 1913 tot september 1918, is het grote voorbeeld van Mark Rutte, de eerste liberale minister-president na Van der Linden.

Dat Van der Linden nu weer door mijn hoofd gaat, is omdat vvd’er Johan Remkes door zijn partij, de winnaar van de verkiezingen van 17 maart, is gevraagd om als informateur een derde poging te doen een kabinet tot stand te brengen. In dit geval niet met als opdracht een meerderheidskabinet te formeren, maar een minderheidskabinet. En wat wil het geval: Cort van der Linden leidde destijds een minderheidskabinet. En niet zonder resultaat. Zijn ploeg van negen liberale ministers maakte een einde aan de schoolstrijd en veranderde het kiesstelsel, in de Grondwetsherziening van 1917.

Niet vreemd trouwens dat Remkes voor deze klus is benaderd. En niet alleen omdat hij de laatste jaren zowel in de stad Den Haag als in de provincie Limburg als interim-burgemeester en inval-gouverneur de boel weer op orde heeft weten te brengen na grote bestuurlijke wanorde. Ook in het andere politieke Den Haag, de Tweede Kamer, is immers sprake van wanorde, als gevolg van wantrouwen tussen en binnen politieke partijen. Remkes is ook een logische keuze als informateur, omdat hij voorzitter was van de staatscommissie parlementair stelsel. Die houdt in haar rapport een ‘pleidooi voor een minder verkrampte en meer positieve benadering van het minderheidskabinet’. Daarbij verwijst de commissie expliciet naar het succesvolle kabinet van, inderdaad, Cort van der Linden.

Zou Rutte gaandeweg de nu bijna zes maanden durende formatie, indachtig zijn grote voorbeeld, bewust hebben aangestuurd op een minderheidskabinet? En als Remkes, in tegenstelling tot zijn twee voorgangers, wél slaagt in zijn opdracht, gaan we dan terugkijkend denken: dat is altijd het doel geweest van Rutte? Groot zal de verleiding zijn om dan met terugwerkende kracht te denken dat er een geplande en briljant uitgevoerde strategie aan vooraf ging, terwijl de kans groter is dat het inzetten op een minderheidskabinet gaandeweg is ontstaan.

Toch knaagt het bij me. Al maanden geleden kwam Rutte ineens met een niet eerder door hem gebruikt argument voor zijn bedenkingen tegen samenwerking in een kabinet met zowel pvda als GroenLinks. Hij opperde dat als alle middenpartijen in een kabinet zitten, dit het politieke debat geen goed doet. Dan kon zo’n kabinet alleen nog in discussie met de flanken. En wat schrijft de staatscommissie onder leiding van Remkes in haar eindrapport? Dat in de Scandinavische landen minderheidskabinetten vaak voorkomen en dat de controlerende rol van het parlement daardoor beter uit de verf komt.

Van der Lindens kleine kabinet maakte een einde aan de schoolstrijd

Laat dat nou een van de wensen zijn geweest van het parlement na de toeslagenaffaire. Ter herinnering: toen Rutte begin dit jaar aankondigde dat zijn kabinet aftrad als gevolg van die affaire haalde hij al in de eerste alinea zijn grote voorbeeld aan: ‘Een van mijn verre voorgangers als minister-president, Pieter Cort van der Linden, schreef ooit over de taak van de overheid: “[De staat] dringt de overmoedigen terug, beschermt de zwakken, verdeelt de risico’s, en stelt zich in het haastig gedrang aan allen tot gids.”’

Ook een opmerking van informateur Mariëtte Hamer, na afronding van haar eindrapport, riep het vermoeden op dat er sturing zit achter het optreden van de vvd. Hamer had het over de onderscheidingsdrang die mogelijk groter is dan het willen aanpakken van acute maatschappelijke problemen, want de aanpak daarvan ligt volgens Hamer min of meer voor de hand. Hierin zit eveneens een link naar het rapport over het parlementair stelsel. In een minderheidskabinet ‘zijn er meer mogelijkheden tot profilering voor zowel regerings- als gedoogpartijen’. Waar gedoogpartijen overigens niet per se in de constructie hoeven te zitten zoals destijds de pvv in kabinet-Rutte I. Er zouden juist wisselende gedoogpartners kunnen zijn.

Na de terugkeer van voormalig cda-Kamerlid Pieter Omtzigt telt de Tweede Kamer negentien fracties. Dat aantal zal de profileringsdrift tot grote hoogte opstuwen. Maar is juist dat niet een gevaar voor de democratie? Scoren als doel op zich, doet er niet toe hoe en waarmee.

Ik houd dan ook mijn hart vast. Gaan pvda en GroenLinks zich coöperatief opstellen tegenover een minderheidskabinet? Voor het oplossen van urgente problemen zou je het hopen. En ook voor hun eigen geloofwaardigheid als ze met hun gedoogsteun een belangrijke maatregel zouden kunnen bewerkstelligen. Zei GroenLinks-leider Jesse Klaver tijdens een recente partijbijeenkomst immers niet dat het klimaatbeleid geen vier jaar uitstel duldt? Toen was er echter nog de hoop dat de twee linkse partijen ín het kabinet zouden komen. Lukt een welwillende opstelling nog na de deur te zijn gewezen?

Omdat Cort van der Linden het grote voorbeeld is van Rutte dringt zich niet alleen een beeld op van een minderheidskabinet, maar ook van een kabinet met slechts liberale bewindspersonen, al is dat hopelijk niet met alleen mannen zoals destijds. Zou Rutte daar ook liberale d66’ers bij dulden? En wil d66-partijleider Sigrid Kaag daaraan meewerken? Mocht het een succes worden, voor zowel het gevoerde beleid als het vertrouwen in de democratie, dan heeft Den Haag vast nog wel twee duinpaden die een naam behoeven.