Camera’s in de rechtszaal

Court TV op z’n Hollands

Het proces tegen Geert Wilders kan live worden uitgezonden op televisie. Vergroot dat het vertrouwen in de rechtspraak, of zal emotie de inhoud overschaduwen?

Medium hh 40698198

In de strafrechtszalen van het Landgericht in Berlijn zijn toeschouwers en schrijvende pers welkom, maar de cameraploeg moet weg zodra de rechters (drie professionals, twee lekenrechters) plaatsnemen. De zaal wordt een rustige enclave in de tijd, gevolg van een wet uit 1964 die audiovisuele opnamen verbiedt.

Ik ging naar Berlijn, omdat ik zocht naar een ander perspectief op de verhouding tussen rechter en publiek dan het Nederlandse, dat sinds 2011 hier en daar opmerkelijke vormen aanneemt. In Duitsland zijn rechtszittingen niet via televisie, internet of radio te volgen, ook niet gedeelten ervan. In Nederland komt er steeds meer beeld en geluid uit de rechtszaal. Het komende proces tegen pvv-leider Geert Wilders kan, net als het vorige, live worden uitgezonden. Waarom wordt er in Duitsland (en, zoals ik ontdekte, ten dele ook in Amerika) zoveel meer gewicht gehecht aan de bezwaren van televisie dan in Nederland?

Sinds de Verlichting een eind maakte aan geheime rechtspraak is de rechtszaal de plaats waar de openbaarheid zich afspeelt. In heel Europa kwamen er publieke tribunes, opdat de burger ervaart welke woordkeus of toon de rechters bezigen en of hun geduld, vormstrengheid en bestraffing recht doen aan de specifieke zaak. Die toeschouwers komen in werkelijkheid zelden, verslaggevers fungeren als intermediair. Daar begon in Nederland iets te wringen. Kritische burgers met een toenemend cynische houding tegen ‘softe’ rechters enerzijds, en afnemende kwaliteit van de verslaggeving anderzijds zorgden voor onbehagen bij de rechters. Die voelden zich het mikpunt van een gebrek aan kennis over hun werk, aldus een onderzoek uit 2004. Het onbehagen culmineerde in het proces tegen Wilders in 2010-2011. De politicus wist, geholpen door zijn advocaat, maanden de bal in de lucht te houden van twijfel aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van ‘die d66-rechters’. Het rechterlijk imago kreeg een deuk, en sindsdien wordt de reputatie actief bewaakt, vooral door de overkoepelende Raad voor de Rechtspraak, die in 2011 het programma ‘Rechtspraak en samenleving’ presenteerde. Een van de speerpunten was het ‘reputatiemanagement’.

De klassieke rechtbank moest, zo werd duidelijk, in de pas gaan lopen met de snel veranderende samenleving. Er kwamen mediaspecialisten, die konden helpen om het imago van een gesloten bolwerk te veranderen in dat van een meer open organisatie. En wat voor rechter paste hierbij? Er werd gezocht naar een minder anoniem rolmodel, maar wel gecombineerd met het model van de wijze rechter, bij wie de onpartijdigheid en onafhankelijkheid als het ware in de botten zijn gaan zitten. Een rechter, kortom, die eigentijdsheid paart aan het ideaal dat het publiek aan rechtspraak verbindt. Dan wil je nogal wat. Intussen werd de burger adressant van een constante berichtenstroom. Er was al een (geweldig nuttig) digitaal archief van uitspraken op rechtspraak.nl, nu werd de digitale berichtgeving uitgebreid. Er kwam aandacht voor ‘bijzondere rechters’ (met foto en een kort cv), bijzondere rechtszaken en items als ‘kruip in de huid van een rechter’. Individuele bestuurders en rechters manifesteren zich inmiddels op Twitter, blogs en vlogs. In het persoonlijker presenteren van de rechter past dat afgelopen zomer rechters op televisie waren in het programma Kijken in de ziel. Op rechtspraak.nl kon men vernemen wat de kijkcijfers waren (540.000). Deze ontwikkeling is niet zonder risico. Door meer kennis over wie de rechter is kan de verhullende, symbolische functie van de toga worden uitgehold. Die keerzijde krijgt verbazingwekkend weinig aandacht.

Rechtszittingen moesten eveneens zichtbaarder worden. ‘Het doel is dat men ziet wat we doen. En waarom. Het begrip voor ons werk zal toenemen’, aldus Erik van den Emster in 2012 als voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak. Het publiekssucces van degelijke documentaires, zoals een serie over de Utrechtse rechtbank, speelde een rol bij de volgende stap. In 2013 verscheen een nieuwe landelijke persrichtlijn, waarin het camerabeleid een rigoureus andere wending kreeg. In plaats van ‘nee, tenzij’, werd het ‘ja, tenzij’, omdat dit de transparantie zou bevorderen en daarmee het vertrouwen. De beslissing kwam van de overkoepelende Raad en de lokale presidenten, dat wil zeggen: de bestuurders van de rechtspraak, niet van de zittingsrechters. Die zijn over dit onderwerp volgens interne en externe bronnen nog altijd sterk verdeeld.

Over camera’s in de rechtszaal is de afgelopen jaren veel gedebatteerd en geschreven. Voorstanders vinden dat het filmen van rechtszittingen aansluit bij de verwachtingen van een breed publiek, dat kennis kan opdoen en tegelijkertijd de rechters beter kan controleren. Dit alles zou bijdragen aan het vertrouwen in de rechtspraak. De tegenstanders betwijfelen of die aannames juist zijn. Zij geloven dat vorm en emotie de inhoud zullen overschaduwen en vrezen voor de manipulatieve potenties van het beeld.

Drie jaar na de introductie van het nieuwe camerabeleid komt er weliswaar meer beeld en geluid uit de rechtszaal, maar de camera is er nog lang geen habitué. Uiteindelijk beslist namelijk de rechter die de zaak behandelt over het al dan niet toelaten van camera’s. Volgens de persrichtlijn 2013 zijn de voorzitters verplicht om elke (gedeeltelijke) weigering te publiceren op rechtspraak.nl. Volgens interne bronnen gebeurt dit niet altijd, maar hoe dan ook bevestigt de lijst van gepubliceerde weigeringen een vermoeden: enerzijds is de filmende pers vooral geïnteresseerd in de grote, publieksgevoelige strafzaken, en anderzijds zijn de reserves van de rechters juist in die zaken het grootst. Een goed voorbeeld is het hoger beroep van ‘het verkeersongeval in Meijel’ (vooral bekend doordat een nabestaande een stoel gooide naar de rechter die het rechtbankvonnis uitsprak). De camera’s mochten van het Hof in Den Bosch alleen de binnenkomst van de raadsheren en de uitspraak filmen; ze waren niet welkom bij de behandeling van de beschuldiging, requisitoir en pleidooi, omdat ze ‘de rust ter terechtzitting en daarmee ook de waarheidsvinding kunnen verstoren’, aldus de motivering.

Een ander terugkerend argument voor weigering is de privacy van verdachten, slachtoffers en getuigen (die sowieso niet mogen worden gefilmd zonder hun instemming). Maar als de reserves verminderen, krijgen we straks misschien Court TV op z’n Hollands. Dan worden ook rechters (tijdelijk) bekende Nederlanders. Zelfs het filmen van verdachten en slachtoffers, als die ermee instemmen, kan gewoner worden.

Is dat wenselijk? En zo nee, is het tegen te houden? Nu camera’s bewijs zijn van vakanties en terreurdaden, van het intiemste tot het meest algemene, is er dan nog plaats voor cameravrije rechtszalen?

Was de beslissing om de eerste rechtbank te vervangen zonder die mediadruk ook genomen?

In Duitsland kreeg ik een helder antwoord: ja, natuurlijk. Twee Duitse strafrechters die ik vorig jaar sprak, beamen dat er ook in Duitsland een roep is om transparantie, maar de oplossing is anders. ‘Iedere rechter is ermee opgegroeid dat een proces openbaar is, en de laatste jaren is daar de eis van transparantie bij gekomen. Dat vertaalt zich in de plicht om meer informatie te verschaffen’, aldus de meest ervaren van de twee. Maar hij ziet het niet snel gebeuren dat camera’s in de rechtszaal worden toegelaten, zeker niet bij strafzaken: te veel rechters, advocaten en politici zijn er tegen. ‘Er is maar een dunne grens tussen openbaarheid met als doel te informeren en een zekere amusementswaarde. Het gaat in strafprocessen om mensen, om hun lot, zowel dat van de daders als van de slachtoffers. Waartoe dient het strafproces? In ieder geval niet om mensen te vermaken.’ (Geen van beiden wilde bij naam worden genoemd.)

Deze opvatting is in lijn met het Duitse federale Constitutionele Hof, dat in 2001 de claim afwees dat de televisie ten onrechte geen toegang had gekregen tot de strafprocessen tegen ddr-prominenten als Egon Krenz. Het Hof oordeelde dat aan de openbaarheid van de rechtspraak geen recht op informatie via het medium televisie kon worden ontleend. De wet die audiovisuele opnamen in de rechtszaal verbiedt, bleef onverkort in stand. Aan die beslissing ging een heldere afweging vooraf, die erop neerkomt dat de belangen van de visuele media en de individuele belangen van verdachten en slachtoffers te sterk botsen om televisie toe te staan.

In Amusing Ourselves to Death (1985) beschreef Neil Postman de overgang van een samenleving beheerst door het geschreven woord naar een waarin het beeld dominant wordt. Dat heeft gevolgen voor de inhoud van het publieke debat. Televisie laaft ons met vermaak waarin stukjes informatie drijven. Nu de rechtspraak een van de laatste bastions is waar het geschreven (en gesproken) woord nog overheerst, is Postmans analyse nuttig als achtergrond bij een botsing: wat krijgt de zappende kijker mee van een strafproces? Wat blijft er op het beeldscherm over van de afwegingen en geleidelijke reconstructies in strafzaken? Televisie is gebaat bij drama, met een focus op personen. Wat is de invloed van die focus en het daarbij gesproken commentaar op de conclusies die je als kijker trekt?

Illustratief is wat er gebeurde bij het grootste ‘media event’ van de rechterlijke macht in de naoorlogse geschiedenis, het proces tegen Wilders, dat live werd uitgezonden. Gaandeweg kreeg in de commentaren de politieke agenda van Wilders (‘het etentje’) de overhand, ten nadele van wat er juridisch aan de hand was. ‘Wie zich het proces Wilders herinnert’, schrijft de Arnhemse raadsheer Rinus Otte in Het proces: Strafrecht in de praktijk (2015), ‘herinnert zich ook de vele smeuïge beelden (…) van stuntelende rechters, onbeholpen getuigen en afgeserveerde advocaten. Wat deze beelden over de aard van de beschuldiging zeiden, is nooit helder geworden. Het mediaspektakel leek op vraatzucht, wat de behoefte aan meer cameravoering in de rechtszaal verklaarde.’

Er was wel meer, en ook felle, kritiek op de rechtstreekse uitzending, maar die sneeuwde onder door wat volgde. Een adviescommissie (commissie-Van Rooy) kwam met het idee het proces Wilders te beschouwen als iets uitzonderlijks en voortaan de camera’s ruimhartig toe te laten. Het advies werd omarmd door de gerechtelijke bestuurders, een analyse van de effecten van de camera’s bleef achterwege. Maar toont het uitzonderlijke de regel niet op z’n scherpst? Hoe was het proces verlopen als er geen camera’s waren geweest die elke gelaatsuitdrukking van rechters, getuigen en verdachte registreerden; als er geen selectieve herhaling van versprekingen en ongelukkige woordkeuzes was uitgezonden? Wat was het effect van dit parallelle mediaproces op de rechters? Was de beslissing om de eerste rechtbank wegens schijn van partijdigheid te vervangen – een beslissing die door menig deskundige expliciet als onjuist of met een juridisch eufemisme als ‘hoogst verrassend’ is beoordeeld – zonder die mediadruk ook genomen? Helemaal duidelijk kan zoiets nooit worden, maar er dichterbij komen helpt ook.

In de VS worden grote strafzaken juist benut om de verschillende posities in het _camera-in-court-_debat aan te toetsen. Dat debat is een stuk levendiger en diepgaander dan in Nederland, ontdekte ik door online- en andere publicaties, en het leidde tot een verdeeldheid die in Nederland nauwelijks wordt opgemerkt. Anders dan vaak wordt aangenomen, worden camera’s uit veel Amerikaanse rechtszalen consequent geweerd. Weliswaar verscheen, zoals in ons collectieve geheugen werd gegrift, de Franse econoom en politicus Dominique Strauss-Kahn in 2011 voor een New Yorkse rechter terwijl de camera’s draaiden – de ontluisterende beelden staan nog altijd online – maar dat is slechts één aspect van de Amerikaanse werkelijkheid. Aan de ene kant laten veel Amerikaanse staten in de rechtszaal camera’s toe, aan de andere kant geldt op het federale niveau een wettelijk verbod op filmen. Bij de strafzaak tegen de ‘Boston Bomber’ in 2015, in een federale rechtbank, mocht er dan ook niet worden gefilmd.

Omdat de Amerikanen op dit punt al een lange historie hebben, met tal van rechtszaken en wettelijke reguleringen, is de in de VS gevoerde discussie verhelderend voor de waziger Nederlandse discussie.

Het begon tachtig jaar geleden met de strafzaak tegen Bruno Hauptmann, die terechtstond op beschuldiging van ontvoering van en moord op de baby van Charles Lindbergh en zijn vrouw. De rechter gaf toestemming voor opnamen die werden vertoond in circa tienduizend van de veertienduizend Amerikaanse filmtheaters. In de straten rond het gerechtsgebouw stonden dagelijks duizenden mensen. Hauptmann werd onder enthousiaste reacties binnen en buiten de rechtszaal veroordeeld tot de dood. In hoger beroep voerde hij tevergeefs aan dat hij door alle afleiding in de zaal geen eerlijk proces had gekregen, aldus onder anderen rechtswetenschapper Hedieh Nasheri in Crime and Justice in the Age of Court TV, 2002.

Na de executie van Hauptmann werd zijn zaak een ijkpunt in het debat. Nog altijd begint elke bespreking ermee, als voorbeeld van de risico’s van camera’s voor een fair trial. Na de Tweede Wereldoorlog besloot het Congres om die reden camera’s bij federale strafzaken te verbieden. Het federale Amerikaanse Hooggerechtshof draaide in Estes v. Texas zelfs een veroordeling terug, omdat de camera’s zouden hebben verhinderd dat Estes een eerlijk proces had. In 1962 bande de federale regering, met goedkeuring van het Congres, de camera’s uit al haar rechtszalen. Op het niveau van de staten kwamen er eveneens verboden, zodat de opkomst van de tv aanvankelijk aan de rechtspraak voorbij ging.

Het onzichtbare publiek thuis zal een andere dynamiek verlenen aan wat er in de rechtszaal gebeurt

Heel langzaam won de camera terrein terug, via de route van experimenten. In 1981 wilde het Hooggerechtshof niet zo ver gaan om deze experimenten al bij voorbaat als een ondermijning voor een eerlijk proces te zien, de verdediging moest dat per geval bewijzen. Dat maakte de weg vrij. Uiteindelijk leidde dit op het niveau van de staten tot Court TV en van kust tot kust uitgezonden rechtszaken, met in 1994 het hoogtepunt, voor velen een dieptepunt: het proces tegen stervoetballer en acteur O.J. Simpson, die ervan werd verdacht zijn ex-vrouw en haar vriend te hebben vermoord.

Volgens strafpleiter en wetenschapper Alan Dershowitz, die deel uitmaakte van het verdedigingsteam, had de zaak alle ingrediënten van een fictionele whodunnit maar het gebeurde echt (Reasonable Doubts, 1996). Iedereen met een televisie kon volgen hoe het drama zich in de rechtszaal ontvouwde. Toen Simpson in oktober 1995 werd vrijgesproken, gingen er golven van verontwaardiging door het blanke deel van de natie, en golven van blijdschap door het Afro-Amerikaanse deel. Dershowitz voelde zich geroepen om in een boek vol achtergrondinformatie uit te leggen wat naar zijn mening niet tot het publiek was doorgedrongen. Hij had verwacht, schrijft hij in Reasonable Doubts, dat het proces de Amerikanen kennis zou bijbrengen over het strafrechtssysteem. ‘But I now realize that many observers have derived the wrong lessons from this case, largely because of the way much of the press, radio and television treated it – as daily entertainment.’

Volgens Nasheri zagen sommige rechtswetenschappers de camera’s als de oorzaak van ieder denkbaar kwaad dat met de strafzaak tegen Simpson werd geassocieerd, waaronder de exceptionele duur ervan en gewichtigdoenerij van advocaten en rechter Lance Ito. Anderen meenden dat de negatieve effecten niet het gevolg waren van camera’s binnen, maar van camera’s en commentatoren buiten de rechtszaal. Weer anderen vonden dat de camera’s de verdachte juist hadden geholpen om een eerlijk proces te krijgen, aldus Nasheri. Ook Dershowitz zag voordelen.

Maar vele rechtszalen werden na 1994 voor camera’s gesloten en federale rechters trokken zich terug achter de eerdere verbodsbepalingen. Pas in 2009 startten zij nieuwe experimenten, maar niet meer in strafzaken. Om de federale verboden van tafel te krijgen, is nieuwe wetgeving nodig, die sinds een jaar of tien wordt geïnitieerd door diverse politici. Tot nu toe zijn die voorstellen gestrand. Dat komt niet in de laatste plaats door het verzet van de federale rechters. Tijdens een hoorzitting over een van de initiatiefontwerpen stelde een federale rechter namens de overkoepelende organisatie dat ook al zou het waar zijn dat televisie mensen in staat stelt hun kennis over het juridische systeem te vergroten – wat kan worden betwijfeld – dan nog mag dit niet gaan interfereren met de primaire missie van de rechterlijke macht, ‘which is to administer fair and impartial justice to individual litigants in individual cases’. Dit standpunt is in strafzaken niet gewijzigd.

Op het niveau van de staten, waar rechters nogal eens door het volk worden gekozen (federale rechters worden voor het leven benoemd), herwon de tv al snel haar positie. Hoewel in diverse staten, waaronder New York, het filmen van strafzaken waar getuigen kunnen worden gehoord nog altijd onmogelijk is, weegt elders het recht op beeldinformatie en controle op de rechters zwaarder dan het fair trial-argument. Veel Amerikaanse strafzaken zijn daardoor nu wereldwijd online en soms ook live te bekijken.

De tegenstanders geven hun verzet niet op. Zij vrezen, met verwijzing naar onderzoek, dat de camera verdachten, slachtoffers, getuigen en rechters zal belemmeren of verleiden. Anthony Kennedy, lid van het Amerikaanse Hooggerechtshof, verklaarde tijdens een hoorzitting in 2013 dat de verraderlijke dynamiek van de camera de verhouding tot zijn collega’s zal aantasten. Stephen Breyer, lid van datzelfde Hof, zei bij die gelegenheid te vrezen dat de camera een negatieve invloed heeft op het ongedwongen stellen van vragen.

Vorig jaar werd een nieuw wetsvoorstel in behandeling genomen om de federale cameraverboden te versoepelen. Of het deze keer lukt, is erg de vraag, zegt menig commentator. Dat de beeldcultuur niet zo onontkoombaar leidt tot camera’s in de rechtszaal als in Nederland wel wordt aangenomen, zal intussen duidelijk zijn.

In Nederland is er op politiek niveau wel gedebatteerd over camera’s in de rechtszaal, maar tot wetgeving kwam het nooit. Rechters beslissen er zelf over. Behoedzaamheid was regel, totdat de gerechtelijke bestuurders het camerabeleid versoepelden. Zij wilden de afstand tot de burger verkleinen, door de mensen thuis de mogelijkheid te geven zelf te zien wat er in een proces speelt. Dat klinkt sympathiek, open en modern. Maar er zijn bezwaren, die bij strafzaken moeilijk te negeren zijn. Daar komt bij dat een Nederlands strafproces lang niet zo mediageniek is als de Amerikaanse variant. Getuigen zijn er op de zitting zelden, die werden al in de voorfase gehoord, en de taal is doorspekt met juridische begrippen. De wijze waarop een Nederlandse rechter via voorlezing en samenvatting het bewijs met de verdachte doorneemt, betekent voor leken ook al weinig kijkgenot. Incidenten zijn wel interessant, zie het vorige proces tegen Wilders. Wel zal een groot kijkerspubliek de rechter vermoedelijk dwingen tot een publieksvriendelijker aanpak. Zoals de (vorige) rijdende rechter op uitgekiende momenten het wetboek opende om te demonstreren dat hij niet als persoon, maar als de wet zelf sprak, zal de echte rechter een weg naar het kijkerspubliek zoeken.

Taal en houding zullen erdoor worden beïnvloed. Dat heeft als voordeel dat er beweging komt in het Nederlandse strafproces, dat van zichzelf te weinig elementen bevat om de professionals uit de juridische begrippenhemel te doen neerdalen. Maar het nadeel lijkt mij in politiek beladen, smeuïge of gruwelijke strafzaken groter. Het onzichtbare publiek thuis zal een andere dynamiek verlenen aan wat er in de rechtszaal gebeurt, en iedereen zal zich ervan bewust zijn, ook de rechter. Wat doet dat met de ongedwongenheid die nodig is om de rechterlijke intuïtie te laten werken, bijvoorbeeld bij het stellen van vragen aan de verdachte? Wat is het gevolg voor de geestelijke ruimte om beslissingen te nemen, ook tegen de publieke opinie in? Als de camera’s het pleit winnen, zal de tijd het leren, maar nu er is nog een weg terug.


Annerie Smolders was rechter en is publicist en gastonderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)


Beeld: Rechter Van Ham doet uitspraak in de zaak van V. van der Graaf tegen de staat, 30 juli 2014. (Rob Huibers/HH)