Couscous (2)

De couscous die ik voor Hakim wil klaarmaken moet er een zijn die er wezen mag. Met in boter gebakken semoule, kapucijnen, courgettes en harissa. Rijk gevuld met lamsvlees en pikante merguez. Ik heb iets goed te maken.

Niet dat ik aan die Algerijnse oorlog een schuldgevoel heb overgehouden. Ik was een jonge toeschouwer van zes jaar en Hakim was twaalf. De enige oorlog die kinderen onderling voeren wordt met houten geweer gestreden. Ook weet ik zeker dat mijn vader nooit op een van Hakims landgenoten heeft geschoten. Maar ik moet de desillusie die ik mijn gesprekspartner heb bezorgd, op een zomeravond in het mediacafé van het NCRV-gebouw, enigszins doen vergeten. Ik heb hem een ander beeld gegeven van de pieds noirs uit zijn jeugd. De herinnering die hij was gaan koesteren heb ik bevuild en verminkt. Kon ik anders?
Hij had mijn boek, over de belevenissen van een pieds-noirsjongetje tijdens de laatste jaren van de Algerijnse oorlog, niet uitgelezen. De wereld van gruwel en egoïsme die erin werd geschetst kwam niet overeen met zijn eigen belevenissen. Zijn geheugen, vermoedde hij, was wellicht selectief geweest. En hij was in het dorp Besbes geboren, ver van de gewelddadige stad Oran, bolwerk van de OAS. Nog tot op de dag van vandaag, als hij in Frankrijk een Fransman met dat onmiskenbare accent uit Algerije hoort praten, krijgt hij de instinctieve neiging hem aan te spreken. Als soortgenoten onder elkaar.
Als hij aan de pieds noirs denkt spreekt Hakim daarom liever over de schoolsurveillant, monsieur Lucas, die zijn jonge leven had gered. Monsieur Lucas ging op een dag tussen zijn Algerijnse scholieren en de gewapende OAS-leden die hen wilden afranselen staan. Er zijn in Algerije vanzelfsprekend meer van die monsieurs Lucas geweest, die met gevaar voor eigen leven de ongeschreven rassenwetten hebben geschonden.
Op een hete middag zag ik hoe mijn grootmoeder plotseling haar woning verliet en de straat rennend overstak. Twee adolescenten op een scooter hadden zojuist op een gesluierde Algerijnse vrouw geschoten. De kogels misten hun doel, de jongens vielen van hun machine en de vrouw versteende met in haar oren de echo van een kogel op een rolluik. Voordat de killers hun werk konden afmaken stormde een demonische gestalte op hen af om hen te verjagen. Een imposante gedaante met opgeheven armen die de lucht in plakjes leek te willen hakken. ‘Wilden’, 'salvajes’, schreeuwde ze naar de twee gebruinde adolescenten die haar kleinzonen hadden kunnen zijn. Vervolgens hielp mijn opa de vrouw, die in onze blanke buurt was verdwaald, naar het einde van de straat waar het Arabisch kwartier begon. Daar, achter een muur van prikkeldraad, werd hij door een Algerijnse man met een machinegeweer hartelijk bedankt.
Desalniettemin was deze reddende engel dezelfde opa die mij iedere ochtend de 'doden van de vorige dag’ uit de krant voorlas. Die soms met een zekere tevredenheid vaststelde dat er meer aanslagen op Arabieren waren gepleegd dan andersom. Dat minder Franse stadsgenoten waren ontvoerd of gekeeld en meer Algerijnse postboden, straatvegers, dienstmeisjes bij een bushalte of kruidenwinkel van dichtbij waren neergeknald. Het leven van de pieds noirs was net een voetbalwedstrijd met altijd veel doelpunten. En de supporterskreet van de Franse Algerijnen bleef onveranderd: oog om oog, tand om tand.
Als Hakim tot het eind van het boek was gekomen, had hij kunnen lezen hoe wij zijn land hebben verlaten. Hoe in Oran de Organisation de l'Armée Secrète de techniek van de verschroeide aarde toepaste. Hoe banken, overheidsgebouwen, scholen, havenopslagplaatsen en bibliotheken in vlammen opgingen. Hoe dagenlang een giftige zwarte wolk als een dodensluier over de stad hing. Niets dat door blanke handen was opgebouwd mocht bij de 'wilden’ terechtkomen. Voor de deuren van de huizen werd het meubilair opgestapeld, met bijlen bewerkt en in brand gestoken. Vanaf de etages en de balkons kwam een bonte regen van toestellen, spiegels, vazen en andere soorten breekbaar materiaal naar beneden. De weg naar het vliegveld was verstopt met rokende of vlammende auto’s. Als de pieds noirs de Algerijnse zon uit de hemel hadden kunnen halen om het land na hun vertrek definitief in duisternis te dompelen, was het zeker gebeurd. En terwijl de boten en de vliegtuigen een miljoen ontwortelden vol rancune en wanhoop naar het moederland terugbrachten, bleven de wrakken en de ruïnes getuigen van hun langdurige verblijf in het paradijselijke land.