Couscous met appelmoes

‘Hakim is een chaoot, maar het is wel een geordende chaos in zijn kop’, zegt Karim Traïdia. ‘Uit die chaos ontspruit zijn fantasie. Hij zweeft door de tijd. “Hoe laat” is voor hem nooit belangrijk - dat ontdekt hij pas als hij te laat komt. En het wonderlijke is: niemand neemt het hem kwalijk.’

We nemen het Hakim niet kwalijk. Als de jongste van de twee broers Traïdia ook vandaag te laat komt binnenzeilen, kijkt hij ons trouwhartig aan met die grote ogen van de clown uit Sesamstraat die hij is. Het open gezicht, omlijst door een vrolijke bos wol, buigt zich eerst nog even over een passerende kinderwagen. Tien teentjes worden uitbundig gekieteld.
Heel anders, ernstiger, melancholieker, is Karim, zijn zeven jaar oudere broer. Tot voor kort vooral ‘de broer van’, maar nu zelf ook bekend als de filmer van De Poolse bruid. Op het moment zit Karim zonder werk. Er liggen twee filmscripts van hem klaar, die veel lof maar geen subsidie kregen. Zijn vrouw verdient 1200 gulden per maand; daar leven zij en hun twee kinderen nu van. 'Na het succes van De Poolse bruid’, zegt hij met een zucht maar zonder bitterheid, 'bleef het stil. Ik ga binnenkort in een benzinestation werken.’
Hun leven en werk in Nederland staan in het teken van hun kindertijd in Algerije. Hakim (41) zegt: 'Ik wil kijken als een kind. Zodra je dat kwijtraakt, is het niet meer leuk. Het hele leven is toch: ontdekken, nieuwsgierig blijven. Ik ontdek nog steeds dingen. Of anders herontdek ik ze wel door met mijn kind te wandelen en met zijn ogen te kijken.’
Hij laat zijn stem dalen tot vertellersdiepte: 'Een kind speelt in een tuin met een hek. Een volwassen man buiten het hek wenkt, roept, maar als het kind door het hek is gekropen, is de man verdwenen. Het kind kan hem niet meer vinden, want het is nu zelf die grote man geworden, die niet meer mag spelen, niet meer mag fantaseren, niet meer terug kan keren in de tuin. Gelukkig heeft die volwassene mij niet te pakken gekregen.’
Karim (48): 'Ik sta altijd in contact met mijn kindertijd. Onze kindertijd - in het dorpje Besbes. Maar waar Hakim kind probeert te blijven, ben ik meer op zoek naar het kind dat ik vroeger was. Voor mijn werk is dat inspirerend, die zoektocht, dat verlangen naar vroeger.’
Vanuit dat gevoel maakte hij ook De Poolse bruid. Een film over zwijgende liefde in de prachtige, weidse platheid van het Groningse land. Een van de meest Hollandse films sinds tijden, volgens de critici. Terwijl de regisseur tijdens het filmen in het hoge land juist heel veel aan zijn dorp en zijn jeugd in Algerije dacht, zegt hij. 'Dáár ben ik geboren, daar heb ik gedroomd. Die dromen liggen nog steeds daar, in Algerije. Hier probeer ik die droom terug te vinden. Zo heb ik ook naar het Groningse landschap gekeken: door de ogen van een kind. Ik ben op zoek gegaan naar een stukje uit mijn kindertijd, en ik heb het daar even teruggevonden. De mensen in Groningen gaan net zo met elkaar om als in Algerije: met respect, behulpzaamheid en weinig woorden. Ik had het gevoel dat ik thuiskwam. Daardoor heb ik ook de schoonheid van dat landschap gevonden en kunnen laten zien.’
'Ik denk’, zegt Hakim voorzichtig, 'dat jij in Brabant of Limburg hetzelfde ontdekt zou hebben. Jij hebt je meer aan het landschap gegeven dan het landschap aan jou. Natuurlijk, dat Groningse landschap is mooi, maar het gaat erom hoe de verteller het beschrijft. Het was al een mooi schilderij, jij hebt jouw lijst eromheen gezet.’
Karim knikt. 'Je kunt hetzelfde kostuum dragen als de Nederlander, hetzelfde gedrag vertonen, de klok respecteren, maar in je hoofd blijft daar altijd verzet tegen. Bij het schrijven of filmen gebruik je juist dát om de dingen anders te vertellen.’
Op die manier, zegt Hakim, creëren zij hun eigen Nederland.
BIJNA TWINTIG JAAR geleden kwamen ze naar het vlakke land. Gewoon, uit nieuwsgierigheid, voor het avontuur. Als ze in Nederland geboren waren, zouden ze ook naar elders vertrokken zijn. Jouw land, had hun vader gezegd, is daar waar je je brood kunt verdienen en waar je wordt gerespecteerd.
Hakim herinnert zich, de ogen dicht: 'Ik loop station Amsterdam Centraal uit, het Damrak op en ik zie voor het eerst een draaiorgel. Een man die met zijn handen een orgel aandraait! Iedereen liep door maar ik bleef staan. Nu, twintig jaar later, lopen de mensen nog harder door en draait de orgelman niet meer met de hand.’ Hij lacht: 'In de korte tijd dat ik hier ben is er zo veel veranderd dat ik nu aan mijn zoon kan vertellen: ik weet nog als de dag van gisteren, zoon, dat hier vroeger een melkfabriek stond.’
Het viel Karim vooral op dat er zo weinig politie op straat was. Weinig politie, veel demonstraties - tegen kernwapens en ander onrecht - en inderdaad: veel draaiorgels. 'Mijn eerste jaren hier in Haarlem zag ik iedere zaterdag zo'n orgel in de Grote Houtstraat. Alsof het feest was, het bracht stemming in de straat.’ 'Tja’, zegt Hakim, 'de warmte die niet van boven komt’ - hij wijst als de weerman naar de hemel - 'moet van beneden komen’ - en hij draait als de orgelman aan een denkbeeldig wiel. 'Het weer is de grootste vijand van de Nederlander. Daarom moet er muziek gemaakt worden op straat, is er muzak in de winkels. Dan komen de mensen misschien wat los. In het Zuiden hoeft dat niet, daar staan de mensen op straat te praten en te lachen in de zon. Dan komt er een waterverkoper langs, die maakt een hele show van zijn handeltje en daarmee wordt het al een vrolijke chaos. Hier is alles geordend en georganiseerd. Alle huizen lijken op elkaar, de auto’s zijn schoongewassen. Je komt bij de Hema om vijf voor tien en de Hema is nog dicht. Om twee voor tien is de Hema nog steeds dicht. Om tien uur precies gaat de deur open. In het Zuiden gaat iedereen aan de slag als de zon opkomt.’
'Hier staan ook overal richtingaanwijzers’, zegt Karim. 'Er is geen tijd om te dwalen, om te dromen, om je fantasie te gebruiken. Overal hangen klokken en staan borden om je vertellen: hier moet je stil zijn, daar mag je niet lopen.’ Hij mijmert: 'In Algerije lag vlak buiten ons dorp een groot, donker bos. Als ik in dat enge bos geweest was, had ik een verhaal te vertellen. Dan verzon ik wat ik had beleefd en wat mij bang had gemaakt. In Nederland bestaat dat soort angst niet meer. Een kind kan hier niet gauw bang zijn dat het verdwaalt of dat het een reus tegenkomt. Zo ontwikkel je je fantasie minder. Ik vind dat wel eens zorgwekkend voor mijn eigen kinderen.’
'God heeft de wereld gemaakt en Nederlanders hebben Nederland gemaakt’, zegt Hakim plechtig. Maar, meent hij, je fantasie gebruiken kun je overal, ook in een koud, plat, overgeorganiseerd land. Weer volgt een klein verhaal. Over hoe hij, toen hij klein was, van zijn oma altijd karnemelk moest halen bij een boerin. Soms kwam hij te vroeg. Dan zag hij de boerin hard schudden om de karnemelk af te maken. Of ze moest zelfs de koe nog melken. De kleine Hakim zag dus precies waar zijn melk vandaan kwam. 'Als een kind hier karnemelk moet gaan halen, kan het kiezen uit karnemelk van Robeco, van de Groene koe, karnemelk met een prikkeltintje, karnemelk met perziksmaak. Waar die melk vandaan komt, dat weet zo'n kind vaak niet eens. Maar daarover kan het wel heerlijk fantaseren! Dat karnemelk van de dinosaurus komt, bijvoorbeeld.’
De moraal: 'Als je hier in het Westen alleen maar inneemt, en denkt: het wordt me allemaal wel voorgekauwd, in de winkel, op de televisie; als je alleen maar consumeert en dan gaat slapen: ja, dan verdwijnt je fantasie. Je moet jezelf een beetje prikkelen.’
Karim peinst: 'De Nederlander heeft twee deuren in zijn hart. De eerste gaat vaak open en dicht, daar kun je makkelijk doorheen, maar als je door de tweede wilt binnenkomen, moet je daar veel voor doen. Het is niet makkelijk om er echt bij te horen.’
Hoeveel deuren heeft een Algerijn?
'Geen een’, grinnikt Hakim. 'Overal tocht het’, zegt zijn broer, en hij lacht mee.
Het is moeilijk. Ze wilden door die Nederlandse deur heen. Dat is ze goed gelukt. Maar nu zijn ze bang dat de deur naar Algerije, naar hun kindertijd, hun cultuur, in het slot valt.
'JE WILT DEEL uitmaken van deze samenleving, dus je probeert de mensen te begrijpen’, zegt Karim. 'De eerste keer ga je om zes uur ’s avonds bij iemand langs; dan hoor je dat je niet mee mag eten. Dat kwetst je, dus kom je nooit meer om zes uur, tenzij je van tevoren hebt opgebeld. Dat zijn de details van wat ze hier “integratie” noemen. Je ziet die Hollandse gebruiken terug in De Poolse bruid, alsof ik de Nederlandse samenleving heb bestudeerd. Dat is niet zo, ik heb het ontdekt, en ik heb me onbewust aangepast. Soms schrik ik ervan hoe goed ik aangepast ben, dan denk ik: shit, waar is dat deel van mezelf gebleven, dat stukje Besbes?’
Hakim: 'Wij hebben samen een toneelstuk gemaakt: Ali in Wonderland. Dat was een metafoor voor het aanpassingsproces. Er komt een man in Nederland met een snor en een tulband en een bendir, een soort trommel. Hij scheert eerst zijn snor, zet dan zijn muts af, en op een gegeven moment is hij ook zijn ritme kwijt: zijn trommel doet het niet meer. Dan loopt hij langs het Tropenmuseum en ziet hij al die kostuums uit zijn verleden hangen. Hij wil het terughebben, het is zijn cultuur, maar het kan niet meer, het is nu van het museum.’
Karim: 'Aanpassen is ook: afstand nemen van je verleden. En dat wil ik niet. Ik stel mezelf gerust door te bedenken dat je het niet helemaal kunt kwijtraken. Je kunt je land verlaten, maar het land in je kun je nooit verlaten. Ik merk toch altijd dat ik anders ben, en dat Hakim ook anders is dan de Nederlanders om ons heen. Aangepast, maar anders.’
'WIJ ZIJN’, zegt Hakim stralend, 'de Achmeds van Oranje. Weet je wat je krijgt wanneer je als Achmed in het land van Oranje alles opnieuw moet ontdekken? Magie, sprookjes, en couscous met appelmoes.’
Waarom denk je dat het ook vaak misgaat, zoals bij sommige Marokkaanse jongeren?
Hakim: 'Dat is de schizofrenie van verschillende culturen in één gezin. Ik had daar geen last van omdat ik zonder familie hierheen kwam. Ik was los, mijn ouders waren niet hier om mij onder druk te zetten. Allochtone kinderen die dat wel overkomt, voelen zich thuis niet thuis, en buiten ook niet.’
Karim: 'De ouders van de eerste generatie zijn bang om hun droom kwijt te raken. Hun verleden zien ze terug in hun kinderen. Ze willen daarom niet dat de kinderen te veel vernederlandsen. Maar de kinderen, die willen op hun Nederlandse vriendjes lijken; hier ligt hun heden en hun toekomst. Dat er nu zo veel moskeeën opkomen is volgens mij een poging om die jongeren terug te brengen tot de cultuur van hun ouders. Dat kan best goed zijn, als de moskee maar open is, aangepast aan deze tijd.’
'Geen middel tot indoctrinatie’, vult Hakim aan. 'Niet om zielen te winnen en hun te zeggen: Deze maatschappij heeft gezorgd dat jij slecht bent geworden, je moet terug naar de oude waarden. Dan deugt het niet.’
Karim: 'We moeten het voorbeeld van Algerije goed voor ogen houden. Daar is de ellende begonnen met de bloei van de moskeeën in de jaren zeventig, en het fundamentalisme dat daarop volgde.’
Hakim, kwaad: 'De mensen daar hebben niet eens een dak boven hun hoofd, maar moskeeën blijven ze bouwen. Bouw liever een huis, een tuin, een club voor de kinderen.’
Hebben jullie nog wat met het geloof?
Karim: 'We zijn als moslim geboren dus blijf je moslim, je hele leven. Maar ik praktizeer niet.’ En Hakim: 'Ik? Ik ben een atheïstische moslim.’
DOOR HUN OGEN gezien krijgt zelfs Haarlem iets exotisch. We dwalen door de zonnige straatjes van hun beider woonplaats en eten opgerolde Turkse pizza’s uit het vuistje. Hakim houdt stil bij de fruitstalletjes op de markt en koopt tassen vol meloenen, pruimen, bananen. Voortdurend zwermen er kinderen om hem heen: 'Hé, u bent toch van Sesamstraat?’
Even later poseren de broers dicht tegen elkaar aangedrukt voor de fotograaf, giechelend dat ze zo net 'islamietjes’ zijn.
Karim, later, serieus: 'Emotioneel gezien leven Hakim en ik in een luxe situatie. Twee broers met dezelfde geschiedenis. Wij zien elkaar bijna iedere dag. Als wij heimwee hebben, praten we over onze tijd in Besbes. Dan heb je een moment dat je weer Algerijn bent.’
Hakim: 'En als we eens een conflict hebben gaat het om echt belangrijke dingen, om ideeën.’
Karim: 'Dan heeft hij meestal gelijk, dus ik probeer dat niet meer te winnen.’
Hakim: 'Het is niet een kwestie van winnen! Wij hebben maar één band, er is geen reserveband, dus zorgen we ervoor dat hij nooit kapot gaat. Een broer blijft altijd een broer in onze cultuur. Als mensen in Nederland een broer hebben die ze niet bevalt, zeggen ze: ik wil niets met jou te maken hebben. Dat is bij ons ondenkbaar. De familie is zo belangrijk. Je accepteert elkaar helemaal en steunt elkaar - ik zou willen dat dat in Nederland ook zo was.’
Karim: 'Twee jaar geleden was ik op vakantie in Zuid-Frankrijk. Hakim kwam een week langs en ging toen weg. Die hele avond moest ik huilen. Ik heb gebeld naar de camping waar hij zat, honderdvijftig kilometer verderop. Hij is teruggekomen en heeft mij en mijn gezin meegenomen.’
'Soms denkt hij dat hij mij meer nodig heeft dan ik hem, maar dat is niet zo’, verzekert Hakim. Zijn broer zegt: 'Met Hakim heb ik een andere communicatie dan met mijn vrouw. Ik weet bij hem precies met welke intensiteit, met welke gevoeligheid er naar me wordt geluisterd. Het is een schatkist voor ons, ook artistiek. Wij hebben samen een boek geschreven, De zandkroon, en dat was fantastisch.’
Hakim: 'We zijn van oorsprong vertellers, en we doen dat ieder op onze manier.’
KARIM SCHRIJFT - scenario’s, en nu een roman - en hij filmt, regisseert. Hakim vertelde eerst geluidloos, als mimespeler in de Leidsestraat. Van de Leidsestraat ging het naar Sesamstraat, en ook maakt hij theaterprogramma’s voor kinderen. Het maakt niet uit, denken de Traïdia’s, of je vertelt voor volwassenen of voor kinderen. 'Je moet vertellen alsof je op de markt staat terwijl er volwassenen en kinderen staan te luisteren’, zegt Hakim. 'Sprookjes zijn niet voor niets een bron van inspiratie voor veel grote schrijvers. En de bijbel of de koran staat vol met simpele, bijna simplistische verhalen. Een goed verhaal raakt aan het kind in ieder mens.’
'Ik voel altijd een drang om verhalen te vertellen’, zegt Karim. 'Ik ook’, zegt Hakim. 'Ik verdien nu toevallig mijn brood ermee in het theater, maar als ik een bouwvakker was geworden had ik verhalen zitten vertellen op de steiger.’
Het zal wel door de orale traditie komen; door duizend-en-één-nacht; door de manier waarop Noord-Afrikanen met elkaar praten: honderd zijwegen inslaan en de draad weer oppakken. Ze zullen het ook wel van hun vader hebben, die na de scheiding van hun moeder jaren als een kluizenaar leefde met een blinde hond die alleen maar fruit at - waarschijnlijk de enige vegetarische hond ter wereld. Hakim, grijnzend: 'Vader vertelt graag een lang verhaal met aan het slot een moraal: een boot ligt het veiligst in de haven, maar daar is hij niet voor gebouwd.’ Karim: 'Of: maak je geen zorgen als de boot wegdrijft in de storm, zolang je het touw vasthoudt kun je hem altijd weer naar je toetrekken. Die metafoor is nu erg toepasselijk, want we hebben nog wel een eindje van het koord vast, maar Algerije drijft sinds 1962 weg. Er is sindsdien zoveel gebeurd, dat je je zelfs kunt afvragen of het nog wel dezelfde boot is waar je aan trekt.’
ZE WILLEN GEEN Algerije-woordvoerders zijn. Hakim organiseerde weliswaar in februari dit jaar een vredesmars voor de kinderen van Algerije, en samen richtten ze de Stichting voor Algerijnse Intellectuelen in Amsterdam (SAIA) op. Ze voelen zich sterk betrokken, natuurlijk, maar ze zijn kunstenaars, geen politici. En ze zijn er al zolang weg. Toen zij daar leefden woedde er nog een heel andere oorlog: die tegen de Franse overheerser. Zij begrijpen óók niet hoe het zo ver heeft kunnen komen in hun land.
'Als ik Algerije verdedig’, zegt Hakim, 'verdedig ik het Algerije van mijn jeugd, van mijn familie en oude vrienden.’ Karim, triest: 'Hij heeft dat stukje Algerije van vroeger meegenomen; ik heb het daar laten liggen. Ik herinner me alles veel minder goed. Hakim is zeven jaar jonger maar hij kan zich bijna alles herinneren. Pas als hij erover begint te vertellen zie ik de beelden ook weer.’
Hakim: 'Algerije is voor mij een gesloten boek, maar ik heb het altijd bij me. Als ik wil, kan ik erin bladeren.’
Karim: 'Als ik nostalgisch word, ga ik naar hem toe, dan moet hij mij eruit voorlezen.’
Er is een heel vervelend hoofdstuk bij gekomen.
Hakim: 'Ja, maar niet in mijn boek. Het hoofdstuk van het geweld is een hoofdstuk apart. Het hoort bij Algerije, maar niet bij mijn Algerije.’
Karim knikt en zegt: 'Als ik aan Algerije denk, denk ik aan de tijd dat daar nog zo veel vreugde, liefde, gastvrijheid was. Alles was simpel, toen. Het was wel een dictatuur, maar toch was er genoeg liefde. Nu is er al die haat. Ik kan dat soms nog altijd niet geloven, en ik wil ook niet accepteren dat het zo radicaal is veranderd.’
Hoe verklaar je dat die liefde plaats heeft gemaakt voor haat?
'Er is veel frustratie ontstaan bij het Algerijnse volk vanaf 1962. De regering heeft er vanaf de onafhankelijkheid een puinhoop van gemaakt. De corruptie, de vriendjespolitiek heeft het volk boos gemaakt. En de onrechtvaardigheid. Wij woonden met z'n zessen in anderhalve kamer, terwijl ze verderop in enorme villa’s leefden.’
'Het was onvermijdelijk’, zegt Hakim, 'dat er een opstand zou komen. Maar dat het zo lang zou duren en zo bloedig zou worden… Er had één keer een flinke storm moeten woeden die het land schoonblies, maar dit sleept nu al zes, zeven jaar. Dat doet mij zo'n pijn.’
Karim: 'Ik begrijp de mensen die voor het Fis hebben gestemd heel goed. Die droomden, in ieder geval in het begin, echt van rechtvaardigheid, van eerlijk delen. De islam is een religie van gelijkheid, van gastvrijheid. Er zou meer rechtvaardigheid komen als Algerije een islamitische staat werd. Dat had ook gekund, maar nu blijkt dat de mensen die dat beloofden gewoon op macht uit waren. Maar de regering, niet die van dit moment maar alle regeringen vanaf 1962, is de hoofdschuldige. Die heeft er de grootste rotzooi van gemaakt.’
VERLANGEN JULLIE ondanks alles nog terug naar Algerije?
Het is lang stil. 'Ja’, zegt Karim dan. 'Maar ik ben bang om er naartoe te gaan omdat Algerije nu zo anders is. Ik schaam me dat ik bang ben, want ik heb daar geen vijanden. Ik kan gewoon gaan, ik wil ook wel, maar ik twijfel nog steeds.’
'Weet je’, zegt Hakim abrupt, 'ik ben helemaal niet nostalgisch. Dat ben ik kwijtgeraakt. De enige nostalgie die ik nog voel is die voor het Algerije van vroeger. En dat Algerije zal ik nooit meer terugvinden, behalve in mijn hoofd. Met nostalgie moet je oppassen, omdat het de humor doodt. En je kunt beter humoristisch zijn dan serieus, want dan ben je minder kwetsbaar.’
Waarop Karim, de serieuze, toegeeft dat hij kwetsbaarder is dan Hakim, de clown. 'Hakim is zo sterk, hij lacht en hij wil-wil-wil en praat over ik-ik-ik. Ik ben minder sterk dan hij. Hij zoekt in zijn leven en in zijn werk de humor, ik de poëzie.’
'Maar’, zegt hij met een hoofdknik naar zijn jongere broer: 'Hij is ook serieuzer geworden als het hierover gaat. e kúnt ook niet anders dan het heel ernstig nemen, alles wat er de laatste jaren in Algerije is gebeurd. Dat is te groot voor humor.’