Cox Habbema 21 maart 1944 — 18 april 2016

‘Strahlende Natürlichkeit, kecke Angriffslust, kluge Souveränität’ – zo karakteriseerde de krant Neues Deutschland Cox Habbema, de dag na haar dood. De complimenten betroffen haar acteren, maar zeker ook haar persoonlijkheid.

Tijdens het drukbezochte afscheid op Zorgvlied verwoordde vriendin Carla Delfos de ‘brutale vechtlust’ en ‘soevereine wijsheid’ van Cox Habbema aldus: ‘Ze heeft een enorm avontuurlijk en afwisselend leven voor zichzelf georganiseerd. En vergis je niet, ze had de regie stevig in handen.’ Die zelfregie begon al vrij snel na de toneelschool. Na haar debuut en een stel rollen bij Toneelgroep Centrum, waar ze onder meer meespeelde in de interactieve thriller Centrum vermoordt pianiste en in de klassieke komedie De Smoeshaan, vertrok ze in 1969 naar Oost-Berlijn, waar ze twee jaar eerder al eens met haar toneelschoolklas op studiereis was geweest. Ze ging er toneelregie studeren. En koos als leermeester de Zwitserse regisseur en Brecht-leerling Benno Besson (1922-2006), op dat moment huisregisseur en later ook artistiek directeur van de Volksbühne.

Cox Habbema is er twintig jaar gebleven, vond in de acteur Eberhard Esche (1933-2006) een grote liefde, en kreeg een vast contract bij het Deutsches Theater, een van de Berlijnse stadstheaters in de beste klassieke tradities van het Duitse toneel. Ze heeft er het vak geleerd en is van de stad gaan houden. Een liefde die nooit over ging en die ze heeft beschreven in het boek Mijn koffer in Berlijn (2002). Habbema heeft er tevens kennisgemaakt met het reëel bestaande staatssocialisme van Walter Ulbricht en Erich Honecker. Toen in 1976 de zanger/dichter Wolf Biermann na een tournee in West-Duitsland de ddr niet meer in mocht, ondertekenden Habbema en haar man een protestbrief die tot een feitelijk beroepsverbod leidde.

Midden jaren tachtig keerde ze terug naar Nederland. Ze presenteerde (met Cees van Ede) het nos-kunstprogramma Nederland C, waarvoor ze een aantal sterke interviews maakte. In 1986 werd ze directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg, een functie die ze tien jaar zou bekleden. En daar begon tevens het Mokumse gelazer in de glazen. In hetzelfde jaar werd theatermaker Gerardjan Rijnders namelijk artistiek directeur van Toneelgroep Amsterdam (TA), een spiksplinternieuw fusiegezelschap dat was ontstaan uit Toneelgroep Centrum, waar Habbema ooit debuteerde als actrice, en het Publiekstheater, waar Rijnders dat jaar een spraakmakende Hamlet maakte met Pierre Bokma.

Het was eigenlijk meteen oorlog tussen de regisseur en de directeur. Rijnders was van mening dat regisseren anno 1986 wel wat meer was dan ‘het overschreeuwen van een negentiende-eeuwse toneelarchitectuur’. Hij wilde de bonbonnière aan het Leidseplein grondig verbouwen. Cox Habbema wilde dat stiekem misschien eigenlijk ook wel, maar ze wist niet alleen de welstandscommissies tegenover zich, maar voelde zich ook verwant aan een schouwburg als tweede huid voor een rijke toneelspeeltraditie. ‘Haar’ Deutsches Theater in Oost-Berlijn is immers een van de grootste bonbonnières van West-Europa, en dat heeft vernieuwing en herijking van het toneel daar nooit in de weg gezeten. Zie de door Heiner Müller geregisseerde voorstelling van Hamlet, Die Hamletmaschine, die in het Deutsches Theater in het jaar van de val van de Berlijnse Muur tot stand kwam.

Verder vond Cox Habbema Gerardjan Rijnders als regisseur eigenlijk een prutser, die met voorstellingen als Bakeliet en Titus Geen Shakespeare vooral het publiek de schouwburgen uit joeg. Rijnders betrok met zijn gezelschap een ruimte elders in de stad, in een oude hal van het Gemeentelijk Energiebedrijf op het Westergasterrein, om daar de voorstellingen te maken die hij ook wilde maken, en die in de schouwburg (die hij overigens intensief blijft bespelen) zijns inziens niet konden staan. Bedenk daarbij: die mooie zwarte doos die nu de Rabo-zaal is, bestond toen nog niet. De shakespeareaanse toneeloorlog tussen Habbema en Rijnders heeft waarschijnlijk in de geesten van kunstenaars, cultuurpolitici en ambtenaren de grond bouwrijp gemaakt voor die verrijking van de schouwburg. We mogen die twee wel dankbaar zijn voor hun discours.

Dat de geschiedenis van dat boeiende proces nog grondig moet worden geschreven, ‘bewijzen’ de rare misverstanden en feitelijke fouten in de herdenkingsartikelen die na de dood van Cox Habbema werden gepubliceerd. Overigens vooral geschreven door mannen, vol met vochtige mannendromen. Want Cox Habbema was ook een ‘mannenfantasie’. Wat hartsvriendin Carla Delfos aan het begin van de afscheidsbijeenkomst op Zorgvlied de volgende anekdote ontlokte: ‘Aan het begin van een speech die ze ergens hield in een zaal met voornamelijk mannelijk publiek stopte ze opeens, stapte van het spreekgestoelte af, ging voor op het toneel staan, draaide elegant rond als een volleerde mannequin en zei: “Kijkt u maar even goed, heren, zo ziet een vrouw er dus uit, dan hebben we dat tenminste gehad.”’

Ze vond Gerardjan Rijnders als regisseur eigenlijk een prutser

Toen ze klaar was in de schouwburg werd Cox Habbema weer een ‘gewone mevrouw’, die mensendingen met mensenkunst voor elkaar kreeg, omdat ze dat eenvoudigweg niet laten kon. Ze hielp in Almere een stadsgezelschap in de grondverf te zetten, en in Assen een schouwburg te hervormen, met een in de regio gewortelde toneelvoorziening. En ze keerde regelmatig terug naar Berlijn. Waar ze in een hofje bij de Prenzlauer Allee een kleine theatertje stichtte dat haar naam droeg, ‘das HABBEMA’, de Habbema. Waar haar favoriete schrijver uit de ddr, Peter Hacks, geëerd, gelezen en gespeeld, en Brecht gezongen werd. Tot het op was, en gedaan, en genoeg ook. Tot Heinrich Heine, haar lievelingsdichter, die ook haar rouwadvertentie sierde, het licht uitdeed.

Die letzte Lampe ächzt und zischt

Verzweiflungsvoll, und sie erlischt.

Das arme Licht war meine Seele.

Cox Habbema is 72 jaar geworden.


Beeld: 1986 (Ruud Hoff / ANP)