Over Ripley’s Game

Creatief verontrustend schrijven

PATRICIA HIGHSMITH
RIPLEY’S GAME
Penguin 1960. In het Nederlands verschenen als Ripley’s game, Sirene 2003, vertaald door Aris J. van Braam (herdruk van Ripley’s methode, Bert Bakker 1979)

Onlangs schoot in Blacksburg, Virginia, een student 33 medestudenten dood. In de dagen daarna kwamen er steeds meer details naar buiten, achtergronden over het karakter van de moordenaar vooral. We zagen hem op foto’s en op een zelfgemaakte video: de student was boos, en ook eenzaam.
Er zat iets voorspelbaars in die beelden, of we het allemaal al eerder hadden gezien. Verlegen jongen met pukkels kan geen meisje krijgen. Verlegen jongen schrijft zich in op de sportschool, koopt een motorfiets of een pistool. Maar de meisjes zien hem nog steeds niet staan. Ze vinden hem ‘raar’, en zelfs een beetje eng.
Echt nieuw was dit keer alleen de docente creatief schrijven. De verhalen die de student bij haar had ingeleverd waren ‘verontrustend’, verklaarde ze. Moeten wij nu nieuwsgierig worden naar die verhalen? Een beetje wel. Aan de andere kant kunnen we eigenlijk wel raden wat de inhoud zo ‘verontrustend’ zal maken. Belangrijker is dus de vraag of de verhalen goed geschreven waren. Met andere woorden: durft de docente creatief schrijven ook nu nog te zeggen wat voor cijfers zij de student gegeven heeft?
En dan nog iets anders: hoeveel studenten creatief schrijven schrijven ‘verontrustende’ verhalen? Eén op de tien? Of zijn dat er veel meer? Welke gevolgen heeft dit voor de toekomst van het ‘verontrustende’ verhaal? Of anders gezegd: hoeveel studenten creatief schrijven zullen er de komende jaren voor verhoor op het politiebureau worden uitgenodigd, uitsluitend en alleen omdat ze een verhaal hebben geschreven waarin een of meer personen met geweld om het leven worden gebracht?
Verontrustend… Goedbeschouwd is het een uitnodigend woord. Op de achterflap van een boek zou het een aanbeveling zijn om het betreffende boek te kopen. Er is één ding dat zeker is: wanneer de docente creatief schrijven aan de Technische School van Blacksburg Patricia Highsmith als studente in de klas had gehad, zou ze de schrijfster hebben aangeraden om professionele psychische bijstand in te roepen.
Waarschijnlijker is echter dat de docente na het lezen van This Sweet Sickness, Strangers on a Train en The Talented Mr Ripley zich voor de zekerheid in verbinding zou hebben gesteld met de politie in haar woonplaats.
Het was begin jaren tachtig toen ik voor het eerst een boek van Patricia Highsmith opensloeg. Dat was Ripley’s Game. In een paar jaar tijd heb ik daarna al haar boeken gelezen, dat waren er destijds een stuk of zeventien. Ik herinner me nog hoe jammer ik het vond dat ik het einde naderde, dat er een tijd zou aanbreken waarin ik ‘alles’ uit had, en, net als iedereen, geduldig op het verschijnen van een nieuwe Highsmith zou moeten wachten.
De boeken van Patricia Highsmith zijn stuk voor stuk verontrustend in de beste betekenis van het woord. Een man leest in de krant over iemand die zijn vrouw heeft vermoord, hij besluit deze moord zo exact mogelijk te kopiëren: op zijn eigen vrouw. Uiteindelijk wordt hij zelf omgebracht door de moordenaar uit het krantenbericht.
Een man bedenkt om als spelletje voor de buren net te doen of hij zijn vrouw heeft vermoord. Hij begraaft zelfs een opgerold tapijt in de tuin, in de wetenschap dat zijn buren door een verrekijker naar hem staan te loeren. Maar dan verdwijnt zijn vrouw echt.
Het zijn geen thrillers, en al helemaal geen ‘detectives’, er komt aan het eind geen vriendelijke Columbo of commissaris Maigret op de proppen om de moordenaar in te rekenen. In het gunstigste geval wordt de moordenaar zelf vermoord of ziet hij bij ontdekking geen andere uitweg dan zich van elfhoog uit het raam te werpen.
Maar meestal komt de moordenaar gewoon weg met zijn moord. Zoals Tom Ripley, die eerst met een roeispaan een verwend rijkeluiszoontje afmaakt en vervolgens diens identiteit aanneemt. Van het begin tot het eind ligt de sympathie van de lezer bij de moordenaar. Ook in de volgende vier delen met Tom Ripley als hoofdpersoon worden er mensen omgebracht: en altijd volkomen terecht.
Ik herinner me vooral een scène waarin iemand bij Ripley aanbelt en dreigt hem te ontmaskeren. Ripley bewoont inmiddels een prachtig huis op het Franse platteland, hij heeft een leuke vrouw, Héloïse, en een huishoudster, Mme Annette. We hebben al gelezen hoe lief Tom voor zijn vrouw is, wat een heerlijke gerechten ze samen eten en welke voortreffelijke wijn ze daarbij drinken. Een normale, romantische avond, binnen een normaal leven. Dan gaat de bel. Wij, als lezer, vinden dit luiden van de bel al net zo’n hinderlijke onderbreking als Tom Ripley.
De man die roet in dit mooie leven dreigt te gooien is gewoon een vervelende bemoeial, een zeurpiet die door Ripley wordt uitgenodigd om de wijnkelder te bezichtigen. Daar slaat hij hem eerst met een fles wijn bewusteloos om het karwei vervolgens met een koevoet af te maken. Het is helaas een dure wijn. Zonde van zo’n mooie wijn, overpeinst Ripley.
Zo gaat het met al zijn slachtoffers. Patricia Highsmith geeft ze een aantal onaangename, minderwaardige trekjes mee – verwend, onterecht rijk, saai, lelijk – waardoor wij er uitsluitend begrip voor kunnen opbrengen dat Ripley geen andere keuze heeft dan zich van hen te ontdoen.
Als het niet zo goed was bedacht en opgeschreven, zou het alleen maar verontrustend zijn.