Menno Hurenkamp

Creativiteit

Creativiteit is zo cool dat het een cliché is. Amsterdam, Zwolle, Bolsward en Venlo zijn creatieve steden. Ze hebben een creatieve klasse en natuurlijk ook een creatieve economie. Het woordje ‘creatief’ duikt met zo’n regelmaat op in de stadspolitiek dat de nota’s industrieel geproduceerd schijnen. Creatief moet, anders vernieuw je niet, anders kun je niet concurreren. En creatief, dat slaat op kunstenaars, ontwerpers, muzikanten, fotografen en beeldhouwers, maar volgens de beleidsnota’s meestal ook op architecten, schrijvers, programmeurs, wetenschappers, adviseurs, koks en verder zo’n beetje op iedereen die zijn eigen gang gaat in de uren dat hij werkt. Creatief, dat zijn de mensen die anderen voor hun hobby laten betalen.

Wat de bedoeling van deze creativiteit exact is, blijft vaak onduidelijk. Vaak is de veronderstelling dat creatieve plekken zakenlui en toeristen aantrekken. Voorbijgangers en bewoners vinden een plein met gekke restaurantjes en ateliers of een opgeknapt schoolgebouw met bloemetjesbehang aan de buitenkant prettig om te zien. Mannen met pak en zonder eigen smaak willen graag in een creatieve buurt wonen. Verliefde stelletjes uit Frankfurt beginnen met geld te smijten zodra ze een stel halve garen in de weer zien met schilderijen. De creativiteit is dan eigenlijk door de politiek bedoeld om te zorgen voor meer consumptie en productie in de stad. En niet voor meer, zeg, inspiratie of onderlinge verbondenheid. Dat is niet erg, zeggen de enthousiaste politici, want waar creativiteit is volgen verbondenheid, dialoog en uitwisseling tussen oude en nieuwe culturen vanzelf. Lees bijvoorbeeld de nieuwe nota Cultuur van de Amsterdamse wethouder Carolien Gehrels. Creativiteit en solidariteit gaan er hand in hand.

Maar het idee dat creativiteit mensen verbindt is een fictie.

In Amsterdam bestaan veel ‘broedplaatsen’: oude hallen, gebouwen of fabrieksterreinen waar creatieven tegen beperkte kosten hun ambacht kunnen uitoefenen. Ze zijn ontstaan toen de gemeente Amsterdam kraakpanden begon te ontruimen en toch een alternatief wilde bieden aan de mensen die in die kraakpanden veelal creatieve werkzaamheden verrichtten. Ik ben onlangs op twee van die plekken eens wat langer gaan rondkijken. De broedplaatsen of culturele werkplaatsen zijn mooi of licht bizar, en de mensen die er werken zijn geïnspireerd en gedreven. Maar wat me trof was de homogeniteit van deze creatieve plekken. De leden van deze culturele gemeenschappen zijn allemaal mensen zoals ik, wit en goedgebekt. (In jargon: ze hebben veel ‘sociaal kapitaal’.) Ze zijn creatief in hun werk, niet in wie ze toelaten. Naar Marokkaanse of Turkse creatieven kon ik lang zoeken. Tot op grote hoogte logisch, want creatieve mensen willen hun tijd gebruiken om te scheppen, en ingewikkelde confrontaties die daar niet aan bijdragen gaan ze liever uit de weg.

Creativiteit is een mooi ding. Ik ben er voor. Ik denk zelfs dat niemand er tegen is. Maar creativiteit is geen cultuur. Het is een kenmerk van individuen, die niet zelden iets minder sociaal zijn dan de gemiddelde mens. En die graag ruimte maken voor dialoog en verbinding met andere mensen – mits hun eigen werk daarbij centraal staat.

Creativiteit betekent lang niet altijd openheid en tolerantie. Het betekent in de praktijk regelmatig precies het tegenovergestelde: je lang opsluiten om met een onverdraagzaam betoog te voorschijn te komen. Creatieve mensen zorgen voor uiterlijke diversiteit: de stad ziet er prettiger uit dankzij de afwisseling die hun aanwezigheid oplevert. Dat is goed – maar met solidariteit heeft het weinig te maken.