Mitt Romney, de corporatist

Credo: creatieve destructie

Als zakenman heeft hij laten zien dat hij weet hoe je een economie uit het slop haalt, zo redeneert de gedoodverfde Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney. ‘Bedrijven zijn mensen, mijn vriend.’

SINDS 3 MAART VAN dit jaar opent de website van de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney met de button Meet Mitt, die doorverwijst naar een biografie van de kandidaat en de video A Love Story, mogelijk het meest cheesy audiovisuele product ooit gemaakt. In dit vier minuten durende filmpje legt Mitts vrouw Ann de kijker uit wat de crux is van ‘de zwaarste baan ter wereld’. ‘Je kunt nooit voorspellen wat voor moeilijke beslissingen de president voor zich zal krijgen’, stelt ze. ‘Maar je moet erop kunnen vertrouwen dat diegene zal doen wat juist is – en misschien de moeilijkste keuze maakt, niet de populairste.’ Ze vervolgt: ‘Als je echt wilt weten hoe iemand als president zal opereren, kijk dan hoe hij zijn leven heeft geleid.’ Met andere woorden: beoordeel mijn man op zijn daden.

Een goed advies, voor welke kandidaat voor welke positie dan ook, maar helemaal voor die van president van Amerika. Het is ook een advies dat wellicht sommige progressieve kiezers betreuren niet in 2008 te hebben opgevolgd. Hadden ze bijvoorbeeld enkele uren het stemverleden van Barack Obama in de Amerikaanse Senaat bestudeerd, waarin hij sinds 2005 namens de staat Illinois een zetel had, dan hadden ze gezien dat hij in die jaren gewoon braaf met de Democratische fractie had mee­gestemd. Dan hadden ze waarschijnlijk ook geconcludeerd dat ondanks alle verwijzingen naar sociaal activisme – Yes we can! I’m fired up and ready to go! – en ondanks alle gepraat over hoop en verandering – Change we can believe in! – Obama niet oprecht geïnteresseerd was in structurele verandering. Dat hij eerder een klassieke conservatief is, zoals inmiddels is gebleken, die zich in alle bochten wringt om de status-quo in stand te houden.

Wat tijdens Amerikaanse verkiezingscampagnes wordt geroepen, verdient sowieso niet de klakkeloze aandacht die het krijgt. In het Amerikaanse tweepartijenstelsel bevinden kandidaten zich in een aanhoudende spagaat: ze zijn constant op zoek naar retoriek die de eigen politieke basis enthousiast houdt en tegelijkertijd de zwevende kiezer uit het midden naar hun kamp trekt. Dus beloven beide kandidaten bijvoorbeeld meer banen en economische groei, maar verbindt Obama die belofte – heel voorzichtig – aan ‘sociale rechtvaardigheid’, terwijl Romney die aan ‘economische vrijheid’ verbindt. Maar kom bij geen van beiden om een gedetailleerd plan van aanpak. Wel zal in beider speeches zelden een verwijzing naar de Amerikaanse droom ontbreken.

Voor Romney is deze spagaat nog wat dieper omdat binnen zijn Republikeinse Partij, mede onder invloed van de Tea Party en christelijk rechts, voorheen extreme opvattingen gemeengoed zijn geworden. Dus zag Romney zich tijdens de primaries (voorverkiezingen) gedwongen de wetenschap over klimaatverandering in twijfel te trekken, belastingverhogingen in alle gevallen af te zweren en zich uit te spreken voor harde bezuinigingen op de welvaartsstaat. Hij ging zelfs zo ver om de onlangs door de Republikein Paul Ryan ingediende begroting ‘prachtig’ te noemen. In deze begroting – goedgekeurd door het Republikeinse Huis van Afgevaardigden, maar weggestemd in de Democratische Senaat – moet alles wijken voor fiscale discipline. Niks en niemand wordt ontzien, ook de ouderen en armen niet, behalve het defensie­apparaat, dat er geld bij krijgt. Wel zijn er nieuwe belasting­verlagingen voor de hogere inkomensgroepen; die zorgen immers voor nieuwe groei.

Meent Romney dat allemaal? Vermoedelijk niet. Kijk bijvoorbeeld naar zijn team van economische adviseurs, dat gedomineerd wordt door keynesianen als Glenn Hubbard van Columbia University en Gregory Mankiw van Harvard, economen die zeker in een stagnerende economie een rol zien voor de overheid als aanjager van economische groei en stimulator van innovatie. Maar zeker weten doen we het niet.

Extra reden om eens te kijken naar hoe Romney ‘zijn leven heeft geleid’ – en dan in het bijzonder naar zijn zakelijke carrière. Want op dat verleden baseert hij zijn voornaamste aanspraak op het Amerikaanse presidentschap: als succesvol zakenman heeft Romney laten zien dat hij weet hoe je een economie uit het slop haalt.

IN AUGUSTUS 2011 gaf Romney een toespraak voor een paar honderd mensen in de staat Iowa. Ietwat verveeld verkondigde hij dat het gedaan is met de tijden dat er meer wordt uitgegeven dan er binnenkomt – dat het, kortom, tijd wordt voor een sluitende begroting. ‘Dat kun je op verschillende manieren doen’, zei Romney. ‘We zouden mensen bijvoorbeeld meer belasting kunnen laten betalen…’ Hier werd hij onder­broken. ‘Of bedrijven!’ riep een man in het publiek. ‘Bedrijven!’ riep een ander.

Romney grijnsde. ‘Bedrijven zijn mensen, mijn vriend’, zei hij, zonder met de ogen te knipperen. Romney wilde zijn praatje hervatten, maar daarvoor kreeg hij niet de kans. Overal klonken bezwaren, kreten van ongeloof. Nu raakte Romney zowaar geïnteresseerd in de interactie met het publiek.

‘Natuurlijk zijn bedrijven mensen’, zei hij. ‘Alles wat bedrijven verdienen gaat uiteindelijk naar mensen, dus…’ Opnieuw werd hij onderbroken, ditmaal door ostentatief gelach, duidelijk bedoeld om Romney’s logica belachelijk te maken. Hij gooide het over een andere boeg. ‘Waar denkt u dan dat hun winst heen gaat?’

‘Naar hun zakken!’ riep iemand.

‘Wiens zakken?’ vroeg Romney triomfantelijk. ‘De zakken van mensen, mijn vriend!’

En zo, in deze korte schermutseling, waarvan Romney ongetwijfeld vond dat hij deze glorieus had gewonnen, gaf de kandidaat zowaar een deel van zijn denken bloot. Voor Romney personifieert de onderneming, het bedrijf, een zeker idealisme. Zo’n beetje zijn hele volwassen leven heeft in het teken gestaan van het perfectioneren van bedrijven. Dat deed hij door ze net zo lang te ontdoen van hun inefficiënties totdat ze functioneerden als geoliede economische eenheden – eerst als business consultant bij Boston Consultancy en Bain & Company, later als ceo van _venture capital-_firma Bain Capital.

In 1975, toen Romney afstudeerde bij de top-vijf-procent van zijn lichting aan Harvard Business School, was consulting nog een relatief nieuw vakgebied. De toen al meest prestigieuze consultancybureaus – McKinsey, de Boston Consulting Group en Bain & Company – waren ervan overtuigd dat ze met hun geraffineerde, kwantitatieve theorieën en technieken het Amerikaanse bedrijfsleven konden helpen moderniseren. In een tijd dat de knapste koppen doorgaans nog arts of advocaat werden, beschouwden deze consultants van het eerste uur zichzelf als de intellectuelen van de zakenwereld. De bureaus betaalden destijds ook beter dan wie ook, zelfs beter dan Wall Street. De jonge Romney maakte dus in die tijd een logische carrièrekeuze: hij werd consultant bij de Boston Consulting Group (in 2010 had diezelfde Romney vermoedelijk voor Goldman Sachs gekozen). Drie jaar later, in 1978, stapte hij over naar Bain & Company.

De Bain Way, zoals de sterk analytische en door data gedreven werkwijze van Bain genoemd werd, lag Romney goed. Zo goed dat hij in 1983, hoewel pas 36 jaar oud, door de Bain-partners werd voorgedragen als ceo van een nieuwe spin-off: Bain Capital. Het idee was dat Bain Capital zou gaan investeren in bestaande bedrijven, bij voorkeur in strubbelende ondernemingen met groeiperspectief. Zodra de bedrijven, mede dankzij het sublieme management-advies van de Bainies, weer winstgevend waren, zou Bain Capital haar aandeel verkopen. De Bain-partners investeerden in eerste aanleg zestien miljoen dollar van hun eigen geld in de nieuwe onderneming, van Romney werd verwacht dat hij dit met tientallen miljoenen van investeerders buiten Bain zou aanvullen. Tegenwoordig werken duizenden private equity- en venture capital-bedrijven volgens dit concept, maar destijds was het nieuw, uitdagend, spannend.

Onder Romney’s vijftienjarige leiding werd Bain Capital zeer winstgevend. Zo berekende Deutsche Bank dat Bain Capital in de Romney-jaren bijna elk jaar de inleg van haar investeerders verdubbelde – een krankzinnig hoog rendement. Het maakte ook Romney, wiens vermogen wordt geschat op 250 miljoen dollar. en de andere partners stinkend rijk.

Het eerste echte succesjaar was 1986. Het begon met de investering van een luttele 2,5 miljoen dollar in een lokale groothandel in kantoorbenodigdheden, die uiteindelijk zou uitgroeien tot de landelijke keten Staples. Drie jaar later verkocht Bain Capital haar aandeel voor dertien miljoen dollar. Het was een klapper in die tijd, die in latere jaren echter zou verbleken bij de honderden miljoenen die per deal verdiend zouden worden. 1986 was namelijk ook het jaar dat Romney en de zijnen zich waagden aan hun eerste zogenaamde leveraged buyout (lbo), hetgeen erop neerkwam dat Bain met geleend geld bedrijven opkocht, deze snel efficiënter maakte door flink in de kosten en banen te snijden, waarop ze weer snel verkocht werden. ‘Leverage up’, noemde Romney de praktijk in zijn autobiografie Turnaround (2004), waarbij met relatief weinig eigen geld op tafel enorme winsten konden worden geboekt. Dat de aldus opgekochte ondernemingen vaak met een enorme schuld achterbleven die ze wellicht nooit konden terugbetalen, deerde Bain Capital niet. Soms werkte de strategie ook niet, bijvoorbeeld wanneer de overgenomen onderneming niet winstgevend kon worden gemaakt voordat de schuldenlast te zwaar op de balans begon te drukken. Maar per saldo werd met de grote lbo’s het grote geld verdiend. Al met al investeerde Bain Capital in de Romney-jaren 260 miljoen dollar in haar tien grootste lbo-deals. De winst die dit opleverde was bijna drie miljard – ongeveer driekwart van de totale winst die geboekt werd op de ongeveer honderd deals uit die jaren.

Romney heeft meermalen van zichzelf gezegd dat hij gedreven wordt door het economische credo van ‘creatieve destructie’, zoals dit werd geïntroduceerd door de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter. Volgens dit credo verandert een bloeiende economie van binnenuit, zo schreef Schumpeter in Capitalism, Socialism and Democracy (1942), ‘door continu de oude te vernietigen, continu een nieuwe te creëren’.

Romney vergelijkt de vruchten van creatieve vernietiging – economische groei, meer welvaart – bij voorkeur met de misère in socialistische staten als de voormalige Sovjet-Unie of Cuba, waar behoud van banen ten koste ging van de productiviteit en het concurrentievermogen. Overheden doen er beter aan om niet in te grijpen als ‘de creatieve destructie haar werk doet in een vrije economie’, zo schreef hij bijvoorbeeld in No Apology: The Case for American Greatness (2010). In 2008 waarschuwde Romney in een opiniestuk in The New York Times tegen overheidsingrijpen in de kwakkelende auto-­industrie – ‘you can kiss the American automotive industry goodbye’, waarschuwde hij. Die voorspelling is ondanks ingrijpen door de regering-Obama niet uitgekomen.

NET ALS ZIJN VADER George, die na een succesvolle carrière als onder meer bestuursvoorzitter van American Motors (in 1983 overgenomen door Renault) gouverneur van de staat Michigan (1963-1969) werd, maakte Romney op enig moment de stap naar het openbare bestuur. Na een mislukte poging, in 1994, om in de Amerikaanse Senaat te geraken – hij verloor overigens niet van de minste: de legendarische Democraat Ted Kennedy, de jongste broer van jfk – werd hij in 2002 gekozen tot gouverneur van de staat Massachusetts.

Een van Romney’s adviseurs in zijn eerste jaar als gouverneur was Tom Stemberg, de oprichter van Staples. Stemberg was (en is nu nog) commissaris van het Massachusetts General Hospital, waardoor hij uit de eerste hand wist dat het grootste probleem van dit ziekenhuis het enorme aantal onverzekerden was dat de eerstehulpafdeling platliep. Het ziekenhuis was wettelijk verplicht deze mensen te helpen, ook als ze hun rekening niet konden betalen. De kosten daarvan werden, opnieuw een gevolg van wettelijke regels, afgewenteld op zorgverzekeraars. De verzekeraars rekenden deze kosten vervolgens door in de premies van bestaande verzekeringspolissen. Het was een krankzinnig systeem: zolang de onverzekerden verstoken bleven van preventieve zorg werd het systeem voor alle betrokkenen zowel almaar onpraktischer als duurder. Stemberg adviseerde zijn baas dan ook een efficiënter zorgstelsel te introduceren. Dat advies sprak Romney uiteraard aan. Meteen zette hij zijn medewerkers, waaronder veel voormalige Bain-consultants, aan het werk. Na veel rekenen introduceerde Romney voor Massachusetts een universeel zorgstelsel dat opmerkelijk veel lijkt op de Affordable Health Care Act (‘Obamacare’ in de volksmond) die president Obama begin 2010 tekende. Burgers werden verplicht een verzekering op de private markt te kopen; wie zich dat niet kon veroorloven, kreeg subsidie. Alleen was Obama’s plan ingegeven door de diepe wens om alle Amerikanen een zorgverzekering te geven. Na te hebben afgewogen wat politiek haalbaar was, nam hij genoegen met Obamacare. Romney’s plan was daarentegen niet meer dan het koele resultaat van de berekening van een consultant die een probleem wilde oplossen. Idealisme of ideologie kwam er niet aan te pas.

Bovenstaande reconstructie is opgetekend in de onlangs verschenen biografie The Real Romney, van Michael Kranish en Scott Helman. In datzelfde boek vertelt een stafmedewerker dat Romney zelfs filosofische kwesties als abortus op een dergelijk abstracte wijze benadert. Hij heeft geen oog voor principes, maar begint bij verschillende hypothetische casussen, bijvoorbeeld een abortus in een laat stadium. Door dat probleem te ontleden, bij voorkeur met behulp van data, werkt hij naar een politieke oplossing toe.

Dat doet vermoeden dat Romney zich als president niet zou laten leiden door de beginselen van de Mormoonse kerk, waarvan hij net als de Romneys twee generaties voor hem vanaf zijn geboorte lid is – en waarin hij in Boston in de jaren zeventig en tachtig een leidende rol speelde. Mormonen keuren abortus af en gedogen het alleen onder bijzondere omstandigheden (incest, verkrachting, gevaar voor de gezondheid van de moeder), hoewel de leden ook dan geadviseerd wordt ervan af te zien. Ook Romney heeft als kerkelijk leider in Boston meermalen zwangere vrouwen een abortus ontraden. Om één geval is het nodige te doen geweest. Een vrouw overwoog abortus om verschillende redenen: na vijf eerdere kinderen was een nieuwe zwangerschap ongewenst en er waren gevaarlijke bloedstolsels in haar baarmoeder ontdekt, waardoor artsen de overlevingskansen van haar vrucht op vijftig procent schatten. Romney was onvermurwbaar. Na het consult met hem verliet ze definitief de kerk.

Het is echter zo goed als uitgesloten dat Romney, die al decennia geen leidersrol in de Mormoonse kerk meer vervult, als president ooit in een dergelijke situatie zou geraken. Amerikaanse presidenten bemoeien zich überhaupt zelden met culturele kwesties, ook al zou je op basis van de verkiezingscampagnes denken dat dit wel zo is. Zelfs de evangelist George W. Bush liet het bakkeleien over abortus aan het parlement en de rechtbanken.

Een stuk realistischer is het om een voorstelling te maken van een Witte Huis dat onder president Romney gevuld is met oud-collega’s van Bain en kopstukken uit de bestuurskamers van corporate America. De wollige intellectuele discussies die er naar verluidt onder leiding van een oneindig veel vragende stellende president Obama plaatsvinden, maken plaats voor powerpointpresentaties en 80-20-jargon. In een dergelijk Witte Huis is besluitvorming ontkoppeld van ideologie en zijn de morele consequenties van de aldus genomen beslissingen irrelevant. Wie bedrijven gelijkstelt aan mensen zal immers onherroepelijk vergeten dat mensen geen bedrijven zijn.


Consultant zonder ideologie

12 mrt 1947 Geboren in Detroit, Michigan

1965 Aanvang studie Engels aan Stanford University

1966-1969 Missionaris in Frankrijk voor de Mormoonse kerk

1969 Huwelijk met Ann Romney (geboren: Davies)

1969 Hervatting studie Engels, nu aan Brigham Young University

1970 Eerste van vijf zonen geboren

1971 Afgestudeerd met highest honors

1971 Aanvang MBA-studie aan Harvard

1975 Afgestudeerd cum laude

1975 Consultant bij Boston Consulting Group

1977 Consultant bij Bain & Company

1984-1998 Mede-oprichter en CEO Bain Capital

1991-1992 CEO Bain & Company

1994 Verliezende kandidaat om Senaats-zetel namens Massachusetts

1999-2002 CEO Olympische Winterspelen in Salt Lake City

2003-2007 Gouverneur van de staat Massachusetts

2008 Verliezende kandidaat voor de Republikeinse presidentsnominatie

2012 Republikeinse genomineerde voor het presidentschap