Criminaliteit en xenofobie

Met de strijd tegen de criminaliteit is het al net zo gesteld als met de bestrijding van de werkloosheid het wil maar niet vlotten. Maar ook voor de criminaliteitsbestrijders betekent dat niet dat bescheidenheid en nuance de boventoon voeren. Integendeel, de rondtoerende politici schuiven honderden miljoenen in de richting van politie en justitie om de kiezers tevreden te stellen. Onveiligheidsgevoelens hebben namelijk sinds kort de zorg voor het milieu naar de tweede plaats op de ranglijst van nationale kopzorgen verdreven.

De redactie van het Tijdschrift voor Criminologie zag deze bui aankomen en vroeg een twintigtal vooraanstaande criminologen naar hun mening over ‘oorzaken en oplossingen van criminaliteitsproblemen’. Het resultaat werd vorige week gepubliceerd in een themanummer, waarin weinig heel blijft van de hang naar repressie die in politiek Den Haag gemeengoed lijkt te zijn geworden.
De criminaliteitscijfers spreken allerminst heldere taal in 1992 lag het percentage slachtoffers van zestien veel voorkomende misdrijven bijvoorbeeld nog onder dat van 1982. Men spreekt te vaak in algemeenheden waar het om specifieke problemen (drugs) of specifieke groepen (kansarme jongeren) gaat. Men predikt een oplossing (meer politie, meer cellen) die volgens geen enkele criminoloog werkt. Men begint een war on drugs (Hirsch Ballin) die alleen maar kan worden verloren. Men gelooft, kortom, in een mythe.
De criminoloog Kommer zegt het ’t scherpst: 'De criminaliteit is niet zozeer een politiek probleem als wel een oplossing voor het probleem van de politiek uit de jaren tachtig: het tegelijkertijd steeds meer fragmenteren van de samenleving en het geleidelijk wegvallen van een externe vijand. Door “de crimineel” aan te wijzen als de vijand en de bestrijding van de criminaliteit als het doel waarnaar wij allen streven, kon in dit gemis worden voorzien en tegelijkertijd de aandacht worden afgeleid van lastige verdelingsvraagstukken.’ Kommer voegt eraan toe dat hier geen sprake is van een complot, maar van een min of meer onontkoombare samenloop van omstandigheden.
Dat zal zeker waar zijn, maar dat maakt de politieke consensus die over de criminaliteitsbestrijding is ontstaan, er niet minder griezelig om en het is jammer dat geen enkele criminoloog in dit nummer oog heeft voor die gevaren. In dezelfde samenloop van omstandigheden waar Kommer het over heeft, dienen zich immers ook steeds meer gevoelens van vreemdelingenhaat aan. Onveiligheidsgevoelens en xenofobie raken niet alleen aan elkaar, ze gaan ook vloeiend in elkaar over. Daarin schuilt ook het grote gevaar van het in ogenschijnlijk neutrale en algemene termen spreken over dit onderwerp. Wie zonder nuance hamert op de strijd tegen onveiligheid, is namelijk evenzeer schuldig aan het aanwakkeren van vreemdelingenhaat als zij die bewust het verband leggen tussen de aanwezigheid van buitenlanders en de toenemende criminaliteit. Waarbij dat laatste verband nog als voordeel heeft dat de uitspraak als onjuist kan worden bestreden. Met mythen is dat veel moeilijker.