Het Duitse inflatietrauma

Crisis + geldregen ≠ Hitler

De Europese Centrale Bank bemoeit zich steeds actiever met de eurocrisis, tot ergernis van Duitsland. Die Duitse houding wordt vaak aan het nationale trauma geweten: de hyperinflatie in het interbellum. Maar economisch én historisch blijkt dat nonsens.

Zelfs voor Bild waren de chocoladeletters op de voorpagina van 11 mei ongewoon groot. ‘Inflatie-alarm’ kopte de invloedrijke boulevardkrant. ‘Miljoenen Duitsers zijn bezorgd: de inflatie keert terug!’ heette het verderop in het artikel. En: ‘Hoe snel wordt ons geld nu opgevreten?’

Het antwoord is simpel: niet. Nou ja, hooguit in slakkentempo. Aanleiding voor de paniek bij Bild was namelijk de opmerking van een Bundesbank-medewerker dat de geldontwaarding in Duitsland ‘iets boven het gemiddelde in de Europese Monetaire Unie’ kan komen te liggen. Een ander teken aan de wand zou volgens Bild de opwaartse bijstelling van het inflatie­cijfer zijn – met 0,1 procent. Voorwaar geen reden tot zorg. Inmiddels is de Duitse inflatie met 1,7 procent zelfs nog lager dan vorig jaar.

Je zou kunnen lachen om die rare inflatie­reflex, ware het niet dat de Duitse angst een cruciale rol speelt in de eurocrisis. Uit vrees voor een iets minder harde euro blokkeren de Duitsers alle mogelijke maatregelen. Nieuwe obligatieaankopen door de Europese Centrale Bank (ecb)? De Duitse regering en de Bundesbank hebben er maandenlang tegen te hoop gelopen. Grootschalige investeringen om de Zuid-­Europese economieën te stimuleren? Geen denken aan. Eurobonds? Berlijn krijgt al hartkloppingen bij het idee. Ondertussen naderen Spanje en Italië steeds dichter de afgrond. Het inflatiespook, kortom, gijzelt Europa.

Ter rechtvaardiging wijzen Duitse politici en media vaak op het verleden. Het land zou koste wat het kost een hyperinflatie als in de Weimarrepubliek willen voorkomen. Niet op de laatste plaats vanwege de politieke instabiliteit en radicalisering die dat met zich meebracht. ‘Het is alsof ’s lands hyperinflatie gisteren plaatsvond en niet negentig jaar geleden’, merkte het Handelsblatt onlangs op.

De Duitse vrees voor inflatie wordt in het buitenland dan ook allerminst overdreven, zegt Carsten Brzeski, als econoom en ‘ecb-watcher’ werkzaam voor ing. Tot op zekere hoogte heeft hij begrip voor dat sentiment. Duitsers hebben volgens Brzeski een direct financieel belang bij een lage inflatie. ‘Duitsland is een relatief oud land. Er zijn veel gepensioneerden. Die willen natuurlijk graag een stabiel pensioen. En er wordt massaal gespaard. Zelfs jonge Duitsers die een huis kopen, doen dat voor een groot deel met eigen geld.’

Maar zulke nuchtere financiële overwegingen kunnen de heftigheid van de inflatieangst niet verklaren. Als Duitser die jarenlang in Nederland heeft gewoond en tegenwoordig in Brussel werkt, kan Brzeski er met de blik van een buitenstaander naar kijken. ‘Het wordt er met de paplepel ingegoten. Neem zoiets als inflatiecijfers; die zijn in Duitsland altijd een item in het journaal. En in elke familie zijn er verhalen van grootouders die geld hebben verloren door de hyperinflatie. Zo bezien is het een nationaal trauma.’

De kiem daarvan werd in de Eerste Wereldoorlog gezaaid. Het Duitse keizerrijk financierde zijn militaire inspanningen niet alleen door geld te lenen van zijn onderdanen, het liet ook massaal bankbiljetten bijdrukken. In 1914 stond 1 dollar nog gelijk aan 4,20 mark. In de jaren daarop verloor de Duitse munt snel aan waarde. In 1923 volgde de doodsteek. Na een conflict over uitblijvende herstelbetalingen bezetten honderdduizend Franse soldaten het Roer­gebied. Daardoor werd het hart van de Duitse industrie lamgelegd en stortte de economie in. Op het hoogtepunt van de crisis, in november van dat jaar, stond 1 dollar gelijk aan 4,2 biljoen mark.

Over die periode doen de meest wilde verhalen de ronde. Dat het gebruikelijk was twee bier te bestellen, omdat de prijs voor de tweede tegen de tijd dat je daaraan toe kwam al de hoogte in was gegaan. Over de familie die haar huis verkocht om naar Amerika te emigreren. Bij aankomst in Hamburg bleek de opbrengst onvoldoende om de overtocht van te betalen – zelfs een treinkaartje terug zat er niet meer in. Of over de oude vrouw met de kruiwagen vol bankbiljetten. Toen ze even niet oplette, was de kruiwagen gestolen. Het geld niet – zo waardeloos was die berg papier.

Los van hoeveel waarheid dergelijke anekdotes bevatten, is het een feit dat de hyper­inflatie haar weerslag had op de Duitse mentaliteit. Steden en grote bedrijven begonnen hun eigen valuta te drukken. Mensen leefden noodgedwongen bij de dag. Als er loon werd uitbetaald, wisten ze niet hoe snel ze het weer moesten uitgeven, ook aan de minder fundamentele behoeften. De drank vloeide rijkelijk, er was cocaïne en nieuwe stripteasebars openden de deuren.

Anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten zit de uit die tijd stammende afkeer van inflatie ook bij links diep. De geldontwaarding trof de verschillende sociale klassen namelijk niet in gelijke mate. Voor diep in het rood staande grootgrondbezitters en industriëlen was ze een zegen. Zij konden zonder pijn hun schulden terugbetalen – bij wijze van spreken met één postzegel. Hun bezittingen – vastgoed, fabrieken, goud – waren ondertussen redelijk inflatie_-proof_. Dat gold niet voor de spaarcenten van gewone burgers. Wie in loondienst was, zag bovendien de koopkracht van zijn inkomen kelderen.

Het vertrouwen van doodgewone burgers in de staat, de democratie, ja zelfs in de toekomst kreeg hierdoor een geweldige knauw. Angst en cynisme waren het gevolg. ‘De hyperinflatie heeft de stabiliteit in de Duitse maatschappij op alle mogelijke manieren ondermijnd’, vertelt Harold James vanaf zijn vakantieadres in Andorra. James is hoogleraar aan Princeton en geldt internationaal als een autoriteit op het gebied van de Duitse economische geschiedenis. ‘Als het geld zo snel in waarde afneemt, gaan mensen denken dat jan en alleman ze probeert op te lichten. De winkelier bijvoorbeeld. En die op zijn beurt vertrouwt zijn klanten niet langer.’

In het debat over de eurocrisis is er dan ook meermaals op gewezen dat de opmars van de nationaal-socialisten begon met de hyper­inflatie van 1923. En winnen in onze tijd, als gevolg van de crisis, door heel Europa niet ook de politieke flanken aan kracht? Van de opmars van de neonazistische Gouden Dageraad in Griekenland tot de succesvolle linkse presidentskandidaat Jean-Luc Mélenchon in Frankrijk en de SP in Nederland – in de ogen van de brave Duitse burgerij is het één pot nat. ‘Is de terugkeer van wereldcrisis plus Linkspartei een voorafspiegeling van het late Weimar?’ vroeg opiniemaker Frank Schirrmacher, mede-uitgever van de conservatieve Frankfurter Allgemeine Zeitung, zich al in 2008 af. Je kunt de vergelijking ook iets algemener stellen. Crisis + inflatie = Hitler.

Er is één probleem met dat rekensommetje. Zelfs met de beste wil ter wereld valt op dit moment geen inflatie te bekennen. Al sinds 2008 staan de monetaire sluizen wagenwijd open. De ecb heeft net als andere centrale banken veel extra geld uitgeleend aan banken tegen zeer lage rentes. Ook eerdere acties waarbij obligaties van crisislanden als Spanje en Italië werden opgekocht, hebben de geldhoeveelheid verruimd. Maar van inflatie ontbreekt nog steeds ieder spoor.

De economen die inflatie als het grootst denkbare gevaar beschouwen, zoals in Nederland de Tilburgse economentandem Sylvester Eijffinger/Edin Mujagic, laten zich daardoor niet van de wijs brengen. Bild kwam zelfs met de originele term ‘ketchupinflatie’. Je houdt de fles op de kop en er gebeurt niets. Maar net als je denk dat dat het was, krijg je de volle lading.

Hoe leuk dat ook bedacht is, zolang er in de cijfers niets van terug is te zien, blijft het een zwaktebod. ‘Alles Quatsch’, oordeelt Herbert Schui, emeritus hoogleraar economie in Hamburg en tot voor kort parlementariër voor Die Linke. Volgens hem heerst ten onrechte het idee dat zodra de geldhoeveelheid wordt verruimd, zoals in de kredietcrisis gebeurt, de prijzen stijgen. Dat klopt niet, legt Schui uit in een telefonisch interview. Er ontstaat pas inflatie als het bedrijfsleven de stijgende vraag naar producten en diensten niet langer kan bijbenen. ‘Dat overkwam de Duitsers in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. De bezetting van het Roergebied in 1923 door de Fransen en de daaropvolgende stakingen droegen verder bij aan die tekortschietende productie. Dan stijgen de prijzen natuurlijk.’ Maar anno 2012 heeft Europa niet bepaald last van productietekorten of een consumptieoverschot: ‘Er is juist te weinig vraag. De economie van de eurozone dreigt te krimpen.’

Economisch bezien raken de Duitse bezwaren tegen ecb-ingrijpen dus kant noch wal. Minder bekend is dat ook het historische argument tekortschiet. Want waarom gaat het in de huidige crisis steeds over de hyperinflatie van 1923? In plaats van inflatie dreigt eerder het omgekeerde: deflatie. En laat dat nou net zijn waar Duitsland enkele jaren later, aan de vooravond van Hitlers machtsovername, mee kampte. Econoom Paul Krugman beschuldigde de Duitsers in een interview met Der Spiegel dan ook van een vertekend geschiedbeeld. ‘Iedereen herinnert zich 1923, Weimar, de hyperinflatie. Maar niemand denkt aan 1932, aan rijks­kanselier Brüning, aan de depressie en de massa­werkloosheid.’

Dat is een interessante vergelijking, een die meer bruikbaars oplevert dan de bekende inflatieparallel, bevestigt historicus Harold James. Zo was begin jaren dertig sprake van een bankencrisis. Net als nu. Ook toen klaagden linkse partijen over de onterechte ‘socialisering van de verliezen’. En ook toen liep de bankencrisis naadloos over in een schuldencrisis van nationale staten, vertelt James. ‘Ierland is bijvoorbeeld iets soortgelijks overkomen als Oostenrijk in het interbellum. Beide staten hadden voor de crisis geen noemenswaardige schulden. Maar toen in Oostenrijk in 1931 een grote bank, de Kreditanstalt, gered moest worden, was er ineens een enorm budgettair probleem. Net als in Ierland, dat haar probleembanken heeft genationaliseerd.’

Maar het boeiendste vindt James hoe overheden zich tijdens de Grote Depressie klem bleken te hebben gemanoeuvreerd. Duitsland was met handen en voeten gebonden aan de Gouden Standaard. Met als gevolg dat er geen makkelijke weg – een devaluatie van de munt – uit de crisis leidde. ‘De laatste geheel parlementaire regering van de Weimarrepubliek was al in maart 1930 ten onder gegaan onder het politieke gewicht van een onmogelijk dilemma’, schreef James hier eerder over in een opiniestuk. ‘De uitgaven terugsnoeien vervreemdde de linkse partijen, belastingverhogingen maakten rechts boos.’

‘De Duitse regering had niet veel te kiezen toen’, licht James desgevraagd toe. ‘Er was geen ruimte om de economie te stimuleren – net als nu in Griekenland en Spanje. De Europese Monetaire Unie is ook wel eens vergeleken met een milde vorm van de Gouden Standaard.’

Om een einde te maken aan de politieke impasse kreeg de conservatieve rijkskanselier Heinrich Brüning buitengewone bevoegd­heden. Daarmee was de democratie grotendeels buiten werking gesteld – al enkele jaren vóór Hitler dus. Anno 2012 klinkt eenzelfde roep om de democratie in te perken, ten gunste van de technocraten. Betekent dit dat Mario Monti een 21ste-eeuwse Brüning is? James aarzelt, om daarna tot een voorzichtig ‘nee’ te komen. ‘Anders dan Monti was Brüning wel degelijk een politicus. Maar het is inderdaad zo dat politieke partijen zich in zulke lastige situaties vaak populistischer opstellen. Ze proberen impopulaire maatregelen te delegeren naar de een of andere bad boy. Dat kan Europa zijn of het imf, maar ook een partijloze expert natuurlijk.’

De overeenkomsten met de depressie van begin jaren dertig zijn talrijk. Waarom blijven Duitse politici, economen en andere opinie­makers desondanks zo hardnekkig hameren op de heel wat minder overtuigende parallellen met de hyperinflatie van 1923?

Eén verklaring is dat die vergelijking politiek beter uitkomt. Dreigende inflatie legitimeert een crisisaanpak van harde bezuinigingen. Dat sluit naadloos aan bij bondkanselier Merkels politieke voorkeuren. Wordt daarentegen de depressie van eind jaren twintig, begin jaren dertig gebruikt als referentiekader, dan zou dat Merkel dwingen tot een drastische koerswijziging. Deflatie bestrijd je immers niet door de overheid in te krimpen en de centrale bank in te tomen. Daarvoor moet de economie gestimuleerd worden.

Zulke politieke overwegingen verklaren echter niet waarom zo weinig Duitsers, van links tot rechts, vraagtekens plaatsen bij het inflatiespook. De angst hiervoor moet dieper zitten. ing-man Brzeski noemde de Duitse inflatieangst een nationaal trauma. Econoom Herbert Schui gaat nog een stap verder. ‘Het is een mythe’, stelt hij onomwonden. ‘Prometheus gaf de mensen het vuur. Ludwig Erhard (na de oorlog minister van Economische Zaken onder Adenauer en later bondskanselier – kh) schonk de Duitsers de D-mark.’

Inderdaad hebben sommige historici de harde, naoorlogse D-mark omschreven als een krachtig West-Duits nationaal symbool. Vóór haar ontstaan in 1948 was het armoe troef. Met de D-mark begon in de Duitse verbeelding het Wirtschaftswunder, lagen de winkels vol en kreeg elke Duitser een auto waarmee hij of zij ieder jaar op vakantie kon gaan. Als hoeder van die D-mark heeft de Bundesbank een nauwelijks minder mythologische status. ‘Niet alle Duitsers geloven in God, maar iedereen gelooft in de Bundesbank’, luidt een gezegde.

Die naoorlogse mythe kon op haar beurt weer aanhaken bij een Duitse mentaliteit van spaarzaamheid die veel verder teruggaat. Symbool hiervan is de Schwabische huisvrouw. Dit fictieve personage uit het zuidwesten van het land werkt snoeihard, maakt geen schulden en legt vlijtig geld opzij voor de toekomst. En dan zou dat zuurverdiende geld tegen die tijd, als gevolg van onbesuisde steunaankopen van de ecb, niets meer waard zijn? Dat botst met de Duitse moraal, ja zelfs met de hele set normen en waarden die Max Weber tot de protestantse ethiek van het kapitalisme heeft gedoopt. ‘De innerlijke protestantse ascese (…) beteugelt de consumptie’, schrijft Weber. Het resultaat: ‘ascetische spaardwang’.

Met zulke ideeën zijn de Duitsers groot­gebracht. Ook de economen. Wie van hen een nuchterder kijk op de zaken verwacht, vergist zich. ‘Er wordt heel veel dogma ingestampt’, meent Brzeski. ‘Over de onafhankelijkheid van de nationale bank, prijsstabiliteit, en dat in elke hoek het inflatiespook loert.’

‘De Duitse economische wetenschap heeft de originaliteit van een kopieerapparaat’, grapt Schui. ‘Na de oorlog is de Duitse economie gedomineerd door de ordoliberalen, zeg maar een soort vroege neoliberalen. Een echte alternatieve stroming, zoals de neo-keynesianen, is er anders dan in de Verenigde Staten of Groot-Brittannië eigenlijk niet.’

De inflatieangst als trauma dus, als mythe misschien wel, die onderdeel is geworden van de Duitse nationale identiteit. Maar in hoeverre kan Europa het zich permitteren om daar rekening mee te houden als zijn economische toekomst op het spel staat? Dat kan het niet, vindt Schui uiteraard. Maar met dat standpunt staat hij in eigen land behoorlijk alleen. ‘Ik zeg altijd maar zo: als je niet bereid bent op alle mogelijke manieren de euro te redden – dus ook door de drukpers aan te zetten – ben je straks je geld ook kwijt. Niet door inflatie, maar letterlijk: dan bestaat er geen euro meer.’