Crisis op z’n Italiaans

Rome – Goed, het is crisis met een hoofdletter, maar dat betekent niet dat je je plezier moeten laten bederven. Je bent een Italiaan of je bent het niet. Dan maar niet naar het restaurant aan zee of aan het meer, en dan maar geen uitstapjes richting alle wonderen van Italië. Het is trouwens toch veel te warm.

In het kleine steegje is deze avond een lange tafel gedekt. Op het bijeen gescharrelde tuinmeubilair zit twintig man aan een heerlijke maaltijd. Uit de ramen hangen de buren die ook waren uitgenodigd en die ons nog wat bestanddelen van hun eigen maaltijd toewerpen. De lappen vlees sudderen op de barbecue, een voor dit doel geleende kruiwagen. Hij werkt prima. Een vracht houtskool erin, roostertje erop en braden maar. Eigengemaakte pasti, salades, stukken watermeloen, waterflessen met wijn erin worden doorgegeven; wie maakt ons wat?

De sfeer is geanimeerd totdat Lino het woord neemt. Lino is een gemankeerde linkse revolutionair die zich grommend heeft geschikt in zijn lot. Hij heeft een kantoorbaan bij de politie – eigenlijk de vijand – maar een vaste baan is een vaste baan. ‘En toch ga ik niet’, declameert Lino terwijl hij zijn plastic bekertje nog eens laat bijvullen, ‘voor die lullige vijftienhonderd euro per maand als een gek naar Rome rijden omdat er anders niemand aan het bureau zit. Jammer dan, het is ook voor mij vakantie.’

In de stilte die hierop volgt neemt de Albanese buurman, die om humanitaire redenen samen met zijn zwangere vrouw is uitgenodigd aan de kruiwagen-barbecue, het woord. ‘Ik vier keer naar Italië zijn gekomen met de boot’, zegt hij in zijn moeizame Italiaans. ‘Vier keer op-neer. Eerst sliep ik onder brug. Later hier huis gevonden.’ De provocatie van Lino is prompt vergeten. Men kijkt elkaar ongemakkelijk aan. ‘Dat moet warm zijn geweest, vier keer zo’n bootreis’, zegt de vriendelijke vrouw naast me, een gepensioneerde onderwijzeres van de lagere school. ‘Warm, ha!’ hoont de Albanees: ‘Willen jullie misschien voor een tientje per maand werken? Nou, kom dan maar naar Albanië. Plaats zat!’