Klimaatverandering

Crisis van de verbeelding

Waarom zijn we toch maar niet in staat om grip te krijgen op de overweldigende klimaatcrisis? Volgens de Indiase schrijver Amitav Ghosh is dat het grote vraagstuk van onze tijd.

Medium pervasive ice retreat in west antarctica  credit nasa earth observatory images by jesse allen
IJsafkalving in West-Antartica © Jesse Allen/Nasa Earth Observatory

Tegen het einde van de eeuw is de aarde nagenoeg onbewoonbaar geworden. Rond de evenaar is het te warm om te overleven, een paar uur in de benauwde hitte en het menselijk lichaam begeeft het. In New York piekt het kwik geregeld boven de veertig graden, waardoor mensen zelfs in hun slaap overlijden aan hyperthermie (als de stijgende zeespiegel de stad niet al onder water heeft gezet). Zuid-Europa is verworden tot een dorre woestenij, net als het Midden-Oosten en grote delen van Australië, Afrika, China en Zuid-Amerika. Door een tekort aan vruchtbare landbouwgrond sterven mensen massaal van de honger. Uit het smeltende permafrost zijn dodelijke epidemieën ontsnapt die miljoenen jaren lagen opgeslagen in het poolijs. Omdat we zoveel CO2 en fijnstof in de atmosfeer hebben gepompt, is de lucht op veel plekken verstikkend. En o ja, er woeden onafgebroken oorlogen en de wereldeconomie is volledig ingestort.

Medium omslag amitav gosh
Amitav Ghosh, The Great Derangement: Climate Change and the Unthinkable

Dat is althans het pikzwarte beeld dat journalist David Wallace-Wells onlangs schetste in New York Magazine. Met gevoel voor drama had hij de allerslechtste scenario’s uit de klimaatwetenschap uitgetekend, om zo in beangstigend detail te tonen wat voor rampspoed ons te wachten staat als we op dezelfde voet verder gaan. Het is onwaarschijnlijk dat we het daadwerkelijk zo ver laten komen, erkent Wallace-Wells, maar toch: zijn boodschap komt aan als een stomp in de maag. ‘Het maakt niet uit hoe goed geïnformeerd je bent, je bent niet bang genoeg’, schrijft hij.

Het artikel ontketende een vurige discussie onder klimaatjournalisten, die zich afvroegen welk nut zo’n alarmerend stuk nu eigenlijk heeft. Critici serveerden het artikel af als ‘klimaatporno’: lezers smullen weliswaar van dit soort apocalyptische verhalen, maar zulke angstzaaierij zou eerder verlammend dan motiverend werken. Anderen zagen het als een broodnodige wake-up call. Klimaatverandering ís nu eenmaal angstaanjagend, dat mogen mensen best weten. De vragen die achter de controverse schuilgaan zijn eigenlijk psychologische: hoe moeten we communiceren over zoiets overweldigends als klimaatverandering? En waarom krijgen we maar geen grip op wat je gerust de grootste kwestie van onze tijd mag noemen?

Exact deze vragen probeert de Indiase auteur Amitav Ghosh te beantwoorden in The Great Derangement, zijn nieuwste essay-in-boekvorm. ‘Dit is misschien wel het belangrijkste vraagstuk waarmee onze cultuur, in de breedste zin, wordt geconfronteerd’, schrijft hij. ‘Want vergis je niet: de klimaatcrisis is een crisis van cultuur en dus van de verbeelding.’ We denken dat onze (klein)kinderen een wereld zullen bewonen die niet veel verschilt van de onze, simpelweg omdat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat de comfortabele klimatologische omstandigheden van de laatste tienduizend jaar drastisch kunnen veranderen. Toekomstbeelden zoals in het Doomsday-artikel van Wallace-Wells hebben zo’n hoog sciencefictiongehalte dat we het niet voor mogelijk houden dat dit reële, zij het onwaarschijnlijke, scenario’s zijn.

Met de overwinning van Trump gaat de aandacht volop uit naar de klimaatontkenners, degenen die simpelweg weigeren te geloven dat de aarde überhaupt warmer wordt. Maar nadat je Ghosh’s boek hebt gelezen weet je: zij zijn het probleem niet. Zij zijn niet degenen die permanent in een cognitieve dissonantie leven. Dat is de rest van ons, het overgrote merendeel dat wél op de expertise van klimaatwetenschappers vertrouwt, weet dat onze acties ervoor zorgen dat de aarde opwarmt, maar niet in staat is om een antwoord te formuleren dat recht doet aan de ernst van de situatie.

Het Parijs-­akkoord is volgens Ghosh illustratief voor ons onvermogen om een andere wereld voor te stellen

Als romanschrijver heeft Amitav Ghosh (1956) nooit echt grip gekregen op het thema. In zijn boeken (acht in totaal) komen overstromingen en stormen voor, maar tot zijn eigen frustratie slaagt hij er niet in om de essentie van klimaatverandering te vangen in fictie. Dat terwijl hij, van kinds af aan, diep doordrongen is van de roofbouw die de mens pleegt op de planeet. Ghosh groeide op in Calcutta en woonde jarenlang in Delhi, plekken waar de grilligheid van de natuur tastbaar was. Hij beschrijft hoe hij als jonge student werd overvallen door een tornado. Het was een doordeweekse voorjaarsdag, Ghosh was aan het werk in de bibliotheek en besloot vanwege het onheilspellende weer eerder te vertrekken. Hij nam een route die hij niet eerder had gelopen. En precies door die straat, terwijl Ghosh school onder een afdakje, kwam de wervelwind gedenderd. Het maakte diepe indruk, vooral omdat het voorval zo ongelooflijk onwaarschijnlijk was. Het was een meteorologisch freak event, want tornado’s kwamen normaal gesproken niet voor in dat jaargetijde.

Naderhand verzamelde Ghosh alle informatie die hij kon vinden over de voorjaarsstorm en bewaarde het in zijn archief, vastberaden om het ooit een plek te geven in een roman. Tot op heden is het er niet van gekomen. Dat komt, analyseert hij, doordat het zó’n onwaarschijnlijk voorval was dat het compleet ongeloofwaardig over zou komen in een fictief verhaal. Het was too strange for fiction. Zo is het ook met klimaatverandering, stelt hij. Een van de hoogste geboden in de moderne literatuur is dat het realistisch moet zijn, een verhaal waarin ‘het verhullen van uitzonderlijke momenten dient als de motor van het narratief’, aldus Ghosh. Daarom worden speculatieve klimaatromans met een apocalyptisch sausje niet beschouwd als ‘serieuze literatuur’. Zij krijgen een apart label: ‘cli-fi’ (ook een vorm van klimaatporno?).

Natuurlijk zijn ze er wel: ‘serieuze’ romans die, al dan niet expliciet, over de opwarming van de aarde gaan. Maar zelfs deze welwillende schrijvers lukt het vaak niet om de ‘crisis van de verbeeldingskracht’ te overstijgen. Wat dat betreft is de recent verschenen debuutroman van Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens, een mooi voorbeeld van wat Ghosh bedoelt. De hoofdpersoon, Ida, is een klimaatwetenschapper die ’s nachts wakker ligt van het lot van de wereld. Deze ik-figuur confronteert de lezer met bespiegelingen over de destructieve kracht van de mens en met onze onkunde om zulke vraagstukken te bevatten. Eigenlijk precies de thema’s waar ook Ghosh op reflecteert.

Toch is dit niet het soort geëngageerde literatuur dat hij voor ogen heeft. Het is zelfs eerder een illustratie van zijn punt over de beperkingen van de dominante stijl in de hedendaagse letteren, waarin de individuele ervaring centraal staat. Klimaatverandering vormt in Marsmans roman vooral de achtergrond waartegen zich een liefdesverhaal afspeelt (al doe ik Marsmans debuut met deze beknopte beschrijving te kort, het is een origineel en intrigerend boek). Het ‘klimaatdecor’ wordt opgebouwd door uitgebreide citaten van denkers als de onderzoeker-slash-activiste Naomi Klein of de filosoof Timothy Morton. Inderdaad: non-fictie-auteurs.

De wortels van de literaire impotentie zijn volgens Ghosh terug te voeren op de Verlichting. Dat was het tijdperk waarin de hoogmoedige mens begon te geloven dat hij de natuur moest overheersen, waarin we de wereld opdeelden in rationeel behapbare brokken waardoor we het zicht op het geheel verloren en waarin het cartesiaanse dualisme een scheiding aanbracht tussen mens en dier. De erfenis daarvan klinkt niet alleen door in de letteren, maar evenzeer in de politiek. Ook daar domineert het individualistische perspectief, constateert Ghosh. Het tegengaan van de opwarming van de aarde wordt vaak voorgesteld als de verantwoordelijkheid van de bewuste consument, die, als hij de wereld wil redden, een elektrische auto moet aanschaffen of spaarlampen kan indraaien. ‘Precies op het moment dat duidelijk wordt dat klimaatverandering in ieder opzicht een collectief probleem is, verkeert de mensheid in de greep van een cultuur waarin het idee van het collectief verbannen is uit de politiek, economie en literatuur’, schrijft Ghosh.

Wat weinig politici openlijk onderkennen, maar waar volgens Ghosh de crux zit, is dat de klimaatcrisis samenhangt met een ongelijke verdeling van macht en kapitaal. Daarmee toont hij zich een bondgenoot van al die activisten die ijveren voor ‘klimaatrechtvaardigheid’ door het huidige economische stelsel te bevechten. De beste manier om grip te krijgen op de overweldigende klimaatcrisis is dan ook niet door doemscenario’s te schetsen, zoals Wallace-Wells deed in New York Magazine, of door de boekhoudkundige aanpak van overheden die steggelen over CO2-reductiepercentages, maar door een appèl te doen op mensen als burgers, in plaats van consumenten, en collectief de heersende paradigma’s in Frage te stellen. Als bewonderenswaardig voorbeeld noemt Ghosh Laudato Si’, de encycliek van paus Franciscus. In dat religieuze traktaat betoogt de kerkvader dat onze obsessie met eindeloze economische groei en de uitbuiting van de planeet ons op dit punt van klimatologische ontwrichting hebben gebracht. Vergelijk dat eens, schrijft Ghosh, met de technocratische benadering van het Parijs-akkoord, waarin zelfs wordt vertrouwd op een miraculeuze interventie in de vorm van technologische doorbraken. Het is illustratief voor ons onvermogen om een andere wereld voor te stellen.

De boodschap van Ghosh dat de mensheid is ontspoord, is natuurlijk niet geheel nieuw. Dat het kapitalisme daar een belangrijk aandeel in heeft, hebben andere auteurs overtuigender betoogd. En in zijn kritiek op de moderniteit dreigt hij in de bekende valkuilen te lopen: een eenzijdig negatieve lezing van de Verlichting en de romantisering van een pre-modern tijdperk waarin de mens nog in harmonie met de natuur zou leven. Maar Ghosh’s essay is een oprechte en boeiende zoektocht naar een uitweg, naar een manier om de verbeeldingskracht te prikkelen, of dat nu gaat via de literatuur of de politiek. En wellicht – hopelijk – is dit essay het noodzakelijke voorwerk voor de grote klimaatroman die Ghosh zelf nog in de pen heeft.