Ger Groot

Criticus

Guido van Heulendonk was het beu: met de regelmaat van de klok een prachtboek af te leveren en dan door de kritiek te worden lastiggevallen met aanmerkingen en gevit. In het in maart verschenen themanummer Homo criticus van het Vlaamse tijdschrift Deus ex machina spuwt hij zijn gal. Kritiek is nutteloos, want «het boek in kwestie zal niet worden herschreven» en een auteur leest bij het opzetten van een nieuw werk niet eerst nog zijn verzamelde recensies na.

«Afschaffen dus, literaire kritiek?» vraagt Van Heulendonk. «Natuurlijk niet. Een boek waarvan niemand weet dat het bestaat is een dood boek.» Recensies dienen voor de naamsbekendheid van schrijver en product. «Lees je recensies niet, meet ze», moet Van Heulendonks tante Kaat ooit hebben gezegd.

Er heerst geen liefde tussen schrijvers en critici. Dat geen kind ooit zegt: «Als ik groot ben wil ik recensent worden» geeft de minderwaardigheid van het beroep feilloos aan, heeft Hugo Claus ooit opgemerkt. Komrij omschreef boekbesprekers als «zure, slecht in het pak zittende tobbers», en Mulisch noemde ze «mensen die zelf niets kunnen en het allemaal zo goed weten». Het niveau van de uitdrukking valt samen met dat van de opinie.

Want schrijvers vergissen zich wanneer ze denken dat de kritiek er voor hen is en niet voor de krantenlezers, wier bediening volgens Van Heulendonk haar «secundaire, oneigenlijke functie» vormt. Wellicht is gebelgdheid opnieuw de reden van die zelfoverschatting. Niets belet een schrijver mee te lezen wat een recensent over hem te melden heeft, en één slechte bespreking — zo klaagt Van Heulendonk — kan het effect van een handvol juichende tenietdoen.

Het zit in het literatuurbedrijf, net als in het leven zelf, nu eenmaal niet altijd mee. Wat doet een mens dan? Hij slikt even en leeft verder. Alleen een paranoïcus denkt daarom dat de hele schepping het op hem gemunt heeft, en mokt, zoals Van Heulendonk: waar haalt zo’n zelfbenoemde bet weter het recht vandaan de schrijver na jaren van geploeter te bevoogden?

Helaas hebben lezers aan al dat geploeter weinig boodschap. Wat telt is het boek dat in de etalage ligt en te midden van vele andere om aandacht schreeuwt. De eerste die zich publiekelijk opdringt is de schrijver zelf, die ongevraagd — en soms, maar niet altijd, tot diens genoegen — de lezer lastigvalt. Hij is de kaatser die de bal verwachten moet. Kan hij dat niet — vanwege een tere huid, zoals Van Heulendonk schrijft —, dan is de publieke ruimte misschien niet zijn beste habitat. Wil hij het niet, dan is hij een zeur met fortuyneske trekken.

In werkelijkheid houden critici helemaal niet van afkraken. Ze schrijven het liefst over boeken die hen enthousiasmeren, merkt Elsbeth Etty in Deus ex machina op.

Voor een deel steunt dat enthousiasme — net als het afwijzende oordeel — op de ervaring, kennis en eruditie waarvan de recensie iets aan de lezer probeert door te geven. Voor een ander deel op onberedeneerbare smaak, waarvan de lezer iets moet weten om de bespreking naar waarde te kunnen schatten.

«Ook een recensent bouwt aan een oeu vre», schrijft Frank Albers (chef van de Standaard der Letteren) dan ook elders in het nummer. Door gestaag voort te schrijven krijgt hij niet alleen een gezicht maar ook autoriteit. Van boekbespreker wordt hij — in de woorden van Frans Boenders — een echte criticus en bewijst hij zich als zelfbenoemde rechter met twijfelachtige papieren proefondervindelijk tegenover zijn lezers. Zijn gezag berust op wat hij reeds geschreven heeft en wat duurzaam en betrouwbaar gebleken is.

En waar doet de criticus het voor? Niet ter wille van macht of aanzien. Wie sexy wil zijn, moet schrijver worden — daarin heeft Claus gelijk. En rijk wordt hij er al helemaal niet van.

Het geluk van de bespreker ligt in het voorrecht van het mateloze lezen, het onverwacht ontdekken van een meesterwerk en een enkele keer in de weerklank die hij terughoort bij een lezer, soms pas na jaren. «In een tweedehands boekhandel valt er wel eens een zorgvuldig bewaard en vergeeld krantenknipsel uit een boek», schrijft Dirk Leyman, recensent van De Morgen, in Deus ex machina: «Een (niet weggegooide) recensie.»