Profiel: Hugo Young

Criticus der politieke elite

Negentien jaar lang schreef Hugo Young op dinsdag en zaterdag een column van twaalfhonderd woorden over macht en politiek voor de links liberale ochtendkrant The Guardian. De column werd gespeld door ministers en parlementariërs. Maar niet alleen in het Verenigd Koninkrijk. Ook vooraanstaande Europese regenten als Prodi en Delors, of de hoofdredacteur van The New York Times, volgden Young op de voet. Toch waakte Young ervoor een intellectuele hofnar van de politieke elite te worden. Hij schreef helder en logisch. In prachtig Engels. De buitenlandse lezer moest soms even naar het woordenboek grijpen, omdat Young wel eens een niet alledaags begrip kon hanteren waarmee hij zonder grof geschut de onkunde van een politicus typeerde.

De dood van de 64-jarige Hugo Young vorige week was een mokerslag. Hij leed al twee jaar aan leukemie. Pas in december vorig jaar viel dat op. Zijn column verscheen plotseling niet meer. Maar op dinsdag 25 maart, midden in de Irak-oorlog, was Young er weer. «Er valt weinig te vertellen over een lang verblijf in het ziekenhuis tijdens een van de heftigste internationale crises van onze tijd, maar voor een columnist is opgelegde stilte een kwelling», schreef hij in zijn openingszin.

Tussen maart en die dag in september waarop zijn allerlaatste column verscheen, concentreerde Young zich voornamelijk op het verbond van Bush en Blair. Voortdurend verplaatste hij zich in hun dilemma’s, maar telkens beargumenteerde hij met grote kennis van zaken waarom de oorlog in Irak een uitzichtloze zaak aan het worden was. De ergernis spatte van zijn commentaren af, vooral omdat Blair volgens hem in de ban was geraakt van een uitgekiende lobby van Amerikaanse haviken als Wolfowitz en Perle, de ideologen van het Pentagon. De Engelse premier had geen matigende invloed op Bush. «Eigenlijk», legde Young omstandig uit, «lijken Blair en Bush op elkaar, zozeer zelfs dat Blair het makkelijker vindt met Bush zaken te doen dan met Clinton».

Natuurlijk nuanceerde Young: Blair is beter opgeleid en een betere spreker dan de Amerikaanse president, maar geen van beiden is intellectueel. «Ze zijn alle twee pragmatisch en tamelijk argeloos.» Dat laatste verontrustte Young hevig. Hij begon zich voor het eerst af te vragen of Blair nog geschikt was voor zijn functie. Die vraag had vooral morele betekenis. Young was een moralist. Hij vond dat hij als commentator tot taak had in de pragmatische en alledaagse politiek vooral de morele en ethische vragen te definiëren.

Zo was Hugo Young ook opgevoed, in Sheffield, in een rooms-katholiek gezin. Zijn vader had een handelsfirma en was lord-luitenant, een lokale hofheer van de koningin. Young bezocht Ampleforth, een beroemde katholieke school waar Basil Hume — jaren later de populaire kardinaal — zijn godsdienstleraar was. Vervolgens studeerde Young rechten in Oxford. Hij ging naar Amerika waar hij stage liep bij een lid van het Huis van Afgevaardigden. Eenmaal terug in Engeland wist hij precies wat hij wilde: journalistiek.

Hij leerde het vak bij The Yorkshire Post in Leeds. Daar vielen zijn analyses op. In 1968 werd hij een van de commentatoren van The Sunday Times. Onder leiding van hoofdredacteur Harold Evans liep The Sunday Times voorop in de journalistieke vernieuwing die toen in Engeland gestalte kreeg met de introductie van magazines en een persoonlijker schrijfstijl. De krant was niet langer één meneer, maar kende verscheidene persoonlijkheden die zichtbaar naar voren traden. Young kreeg op de achter pagina een eigen politieke column, die snel furore maakte omdat hij zijn beschouwingen lardeerde met opzienbarende inside information. Een mengeling van irritatie en bewondering over de scherpte en geïnformeerdheid van Young deed de conservatieve leider Edward Heath zich hardop afvragen of Young soms maoïst was.

Toen de Fleetstreet-familie Thomson het Times-concern verkocht aan Rupert Murdoch kwam Young in het nauw. Op een ochtend kreeg hij via een mededeling op het prikbord te horen dat hij zijn functie van adjunct-hoofd redacteur voortaan moest delen met een paladijn van Murdoch. Na een conflict over een hoofdartikel waarin de Amerikaanse invasie van Grenada werd gesteund, schreef Young zijn afscheidscolumn. «The Sunday Times mag dan misschien winst maken, haar invloed doet er steeds minder toe», schreef hij. Woedend waren ze bij The Sunday Times, maar de column werd wel geplaatst.

Young kon direct terecht bij The Guardian, een van oudsher liberale krant waar niemand ooit heeft kunnen ontdekken aan welke politieke partij Young uiteindelijk de voorkeur gaf. Hij had sympathie voor de verlichte pro-Europa-vleugel van de Tories, hechtte grote waarde aan de oerbeginselen van de democratische rechtsstaat, die de meeste bescherming genieten van de liberalen en was gefascineerd door de hervormingsambities van New Labour.

In zijn column voor The Guardian bracht hij verslag uit over zijn tussentijdse bevindingen, die gebaseerd waren op lange gesprekken met politici. «Om als een outsider te kunnen oordelen, moet je als een insider verkenningen doen.» Als een detective bleef Young op zoek naar nieuwe ideologische misstappen of nieuwe inzichten. «Daartoe moet je souperen met de duivel.» De gesprekspartners vonden dat meestal een genoegen. Zijn humor en kennis maakten hem tot een populaire sparringpartner. Ondanks de zware kritiek van Young hechtte Tony Blair grote betekenis aan hun ontmoetingen, die uren konden duren.

De pragmaticus Blair en de moralist Young boeiden elkaar ook om andere redenen. Young was zeer geïnteresseerd in de techniek van de macht. In timing, toeval en improvisatie: al die aspecten die dwalingen en chaos veroorzaken. Young behandelde dat bij herhaling en verklaarde waarom eeuwenoude machtsmechanismen vaak de doorslag geven waardoor politici hun greep op hun eigen koers kwijtraken. Zo beschreef hij in zijn befaamde biografie One of Us de opkomst van Thatcher en voorspelde hij hoe haar bejubelde polarisatiekunde haar uiteindelijk zou opbreken. Net zoals hij in het boek This Blessed Spot het onvermogen hekelde van de opeenvolgende Britse politieke leiders om een eind te maken aan de halfhartige opstelling inzake Europa.

Dat laatste was ook zijn grootste verwijt aan Blair: de Labour-leider was een klassieke machtspoliticus geworden, omdat hij geen risico durfde te nemen door een referendum over Europa uit te schrijven. «Een echte vernieuwer», schreef Young, «durft macht weg te geven om echte invloed te behouden.»

Vanaf zijn ziekbed had Young scherper waargenomen wat hij al intuïtief voorvoelde: Blair kon niet meer relativeren. Het ontbrak hem aan de geestelijke en morele bagage om de limieten van zijn macht goed in te schatten. Op 8 juli schreef Young een genadeloze column waarin hij Blair opriep af te zien van een derde termijn. «Blair is het spoor kwijt.» Wederom was Young iedereen voor. Het was zeventien dagen voordat de wapenexpert Kelly zelfmoord pleegde.

Young repte niet over de kleine misstappen, die horen nu eenmaal bij de macht. Nee, hij legde minutieus uit waarom na zes jaar een leidend politicus het zicht op zijn rol begint kwijt te raken. Daarom prees Young de Spaanse premier Aznar, die bewust heeft afgezien van een derde termijn omdat hij zich te goed bewust is van de corruptie en chaos die onvermijdelijk gaan op treden als je te lang aan de macht bent. Dat de leiding van Labour op het partijcongres deze week in Bournemouth geen serieuze discussie over de Irak-oorlog heeft willen toestaan, is een postuum bewijs voor de stelling van Young.

Er is een groot verschil tussen politici en hun commentatoren. De laatsten zijn voornamelijk afhankelijk van een deadline en kunnen in alle vrijheid denken en studeren voordat ze hun kritiek formuleren. Politici daarentegen beschikken over steeds minder tijd om de morele en ideologische betekenis van hun daden zorgvuldig in te schatten. De druk is immens, de belangen zijn gigantisch en er is geen gelegenheid voor denkpauzes.

Daarom moeten de ouderwetse media, de kranten dus, hun politieke columnisten en commentatoren koesteren. Ze spelen een eminente rol in meningsvorming. Hugo Young kende een prettig bescheiden engelenarrogantie. Hij had de illusie dat hij met zijn columns een serieuze rol speelde in het grote spel van bestuur en macht. Na zijn dood werd dat met droefheid bevestigd.