Criticus, hou er toch mee op

Uw rubriek bestaat nu bijna tien jaar. Tien jaar schrijven op het breukvlak van beeldende kunst en beeldcultuur. Tien jaar schrijven als chroniqueur over persoonlijke ontmoetingen met ‘beelden’. Wat heeft het eigenlijk opgeleverd?

U blijft maar denken dat u moet bemiddelen, uitleggen, ondersteunen, aanvallen en verdedigen. U blijft maar geloven in uw rol. Laat ik het u onmiddellijk heel duidelijk maken. Uw rol is uitgespeeld.
Ik zal het u uitleggen. Nooit heeft het schrijven over beeldende kunst in zo'n kwaad daglicht gestaan als nu. Er is een massieve consensus ontstaan over de onbegrijpelijkheid en hoogmoedigheid van de kunstkritiek. Zij heeft haar laatste krediet verspeeld en teert nog slechts op het geduld van haar lezers. Zoals bekend is zo'n bron van inkomsten snel opgedroogd.
In feite is het al zo ver. De stem van het ongeduld wordt steeds luider. Steeds scheller klinken de geluiden over ‘de rubberen taalgymnastiek’ der kunstscribenten; steeds voelbaarder wordt de irritatie over de 'exaltische krompraat’; steeds opstandiger wordt het journaille tegenover de 'dogmatische kaste’ die kunstwereld heet.
Na jaren van censuur kunnen we gelukkig eindelijk weer echt goede analyses lezen. Die van Diederik Kraaijpoel en Riki Simons. Lange tijd was het recht op kritiekkritiek voorbehouden aan virtuoze buitenstaanders als Gerrit Komrij, die hun onbeholpen gehoor geselden met de ene prachtige stijlfiguur na de andere. Nu rukt het ongeduld bij mensen in de kunstwereld zelf ook op. Weg met het idioom van de tempel, leve de taal des volks.
Ach, dit alles is maar een detail van een veel grotere omwenteling. Het zijn niet zozeer de woorden over kunst die niet meer deugen, het is de hele moderne beeldende kunst zelf die op het randje van de overbodigheid is gekomen. Het is natuurlijk aardig om te speculeren over de onbegrijpelijke verbale evenwichtskunst die nodig is om op dit randje te blijven balanceren, maar belangrijker is het om u af te vragen wat er zich in de afgrond bevindt. Kunt u maar niet beter gewoon springen? Ik denk het wel…
Ga maar na. De beeldende kunst is definitief in het stadium gekomen waarin zij op geen enkele wijze meer te beoordelen is. In tegenstelling tot een musicus, een schrijver of een architect hoeft een beeldend kunstenaar niets meer bij voorbaat te kunnen om als kunstenaar erkend te worden. Andersom komt hij of zij met allerlei vreemde kunstjes wel hoog op de carrièreladder. De eigen woonkamer als expositie; bedrijfsdiefstal uit een galerie; een café beginnen; een logboekje van de achtervolging van een kunstpaus; een lichaamsverbouwing; een schokkerig filmpje met een handycam; een website ontwerpen. Allemaal beeldende kunst. Allemaal unready made.
In een paginagroot essay voor NRC Handelsblad noemde een kunstcriticus zijn eigen jarenlang geliefde onderwerp een 'vergaarbak’. Hier spreekt iemand van binnenuit over 'diepzinnige vaagheden van de kunstfilosofen’ en 'verminkte wetenschapstermen’; over een kunstpraktijk waarin je hoger ogen gooit wanneer je met een 'wigwam van groente-, fruit- en tuinafval’ getuigt van een 'groter bewijs van beeldende intelligentie’, dan met een 'kant en klaar schilderij’. Er zijn geen regels en dus ook geen fouten. 'Misschien maakt de beeldende kunst wel alléén maar fouten.’ Dat nooit, dan liever de lucht in. Wacht niet tot ze u over de rand duwen. Spring zelf. Luister naar dit advies. Liever dood dan idioot.