Hans Goedkoop, Een verhaal dat het leven moet veranderen

Criticus op kousenvoeten

Van recensent Hans Goedkoop verscheen onlangs ‹Een verhaal dat het leven moet veranderen›, een bespiegeling over literatuur en literatuurkritiek. Het boek zat Marja Pruis niet lekker, en zij toog naar huize Goedkoop.

Soms blijft een boek, ook nadat je er een bespreking aan hebt gewijd, in je hoofd zitten. Dat kan te maken hebben met de inhoud van het boek, maar ook met de manier waarop je erover hebt geschreven. Het schrijven van een recensie vereist dat je naar een slot oordeel toewerkt, terwijl een dergelijk oordeel niet altijd op even natuurlijke wijze tot stand komt. Af en toe, zo’n keer of vier per jaar, tik ik de laatste zinnen van een bespreking en weet ik als ik het stuk wegzend dat ik er spijt van ga krijgen. Een stuk moet nu eenmaal rond en duidelijk zijn, en dat gaat ten koste van twijfel, ambivalentie, enerzijds en anderzijds.

«Ik heb altijd als laatste check bij een bespreking: mocht ik de auteur van het door mij besproken boek op straat tegenkomen, durf ik hem onder ogen te komen of ontwijk ik hem», zegt Hans Goedkoop (41), literatuurcriticus van NRC Handelsblad, presentator van het historische televisieprogramma Andere tijden en auteur van het onlangs verschenen Een verhaal dat het leven moet veranderen. Zijn boek, een recapitulatie van het bestaan als criticus en een bespiegeling over literatuur en literatuurkritiek, werd door mij kort na verschijnen besproken (in De Groene Amsterdammer van 8 september).

Íets aan dit boek irriteerde mij enorm, waarvan ik op getergde wijze verslag deed. Dat had vooral te maken met de manier waarop Goedkoop afstand neemt van het literaire bedrijf. Is het lezen van literatuur bij hem al angst – met je boekje in een hoekje en laat de wereld aan mij voorbijgaan – schrijven óver literatuur is ongeveer het kwadraat van angst: lekker over een ander oordelen zonder dat je zelf beoordeeld wordt. En dus schetst hij de wereld van de critici als een wereld bevolkt door bange mannen. Voor mij – bang noch man – aanleiding flink van leer te trekken. Zijn pleidooi een boek zo blanco mogelijk te lezen, op je in te laten werken en de straat op te gaan om te kijken of je blik op de wereld erdoor is veranderd, leek mij een teken van overspannen narcisme. Verder vond ik dat hij zelf helemaal geen blijk geeft van ontvankelijkheid voor schrijvers en hun boeken, maar eerder van het projecteren van eigen preoccupaties. Waarom heb ik ooit gedacht dat hij diepzinnige stukken schreef? Zo ongeveer eindigde mijn bespreking.

Ondertussen knaagde er iets aangaande het boek en mijn reactie erop. Het beeld dat Goedkoop oproept van de recensent, zich worstelend door de constante aanvoer van romans en ondertussen zijn onbevangenheid proberend te bewaren, kwam mij maar al te bekend voor. Tegelijkertijd riep het agressie op: jij dacht zeker te kunnen ontkomen aan het armzalig letterknechtenbestaan!

Of ik de auteur nog onder ogen zou durven komen had ik me niet bewust afgevraagd, maar nu zit ik hier in huize Goedkoop. Snorrende poezen, een pot thee en een collega-criticus op kousenvoeten. Hij wilde wel een debat, ik niet. Debat, dat klinkt naar ferme standpunten. Gaat het om concrete boeken en schrijvers, dan grossier ik erin, maar komt het op de grote verbanden in de literatuur en literatuurkritiek aan, dan begin ik te stotteren.

Van gestotter heeft hij geen last. Hij is gretig, nieuwsgierig, ongeduldig.

Hans Goedkoop: «Naar mijn gevoel vraagt het boek om een reactie. Het is een heel rationeel denkend boek, maar er zit een ondertoon in die minder ratio neel is en niet zo makkelijk te vangen. Daar zit misschien boosheid in, deels tegen mezelf. Toen ik het schreef dacht ik: hier krijg ik ontzettend gezeur mee. Critici die boeken schrijven worden sowieso niet aardig onthaald. Collega’s hebben allemaal zo hun eigen manier van doen en verkiezen die boven een andere. Ik kwam terug van vakantie toen het boek uitkwam en dacht: nu ga ik het krijgen. Van Max Pam stond een stuk in HP/De Tijd. ‹Lees het maar niet›, zeiden ze bij de uitgeverij, ‹het is té flauw.› Maar ik merkte opeens dat er iets van me afviel. Ik dacht: wat kan het me eigenlijk schelen. Dat was een enorme bevrijding. Uit dit gesticht ben ik ontsnapt.»

Een van de prikkelende punten in het boek, opvallend uit de pen van de man die door velen gezien wordt als de beste literaire criticus van Nederland en die dus voldaan achterover zou kunnen leunen, is de weerzin jegens het recensentenbestaan en het wantrouwen jegens het recensentendom. Volgens Goedkoop zijn veel critici niet voor niets criticus geworden: «Het is natuurlijk heel verleidelijk om boven in het kraaiennest in de mast te gaan zitten waar niemand bij je kan en waar je alles en iedereen kunt overzien, en kunt roepen naar iedereen wat je overal van vindt zonder dat mensen in de gelegenheid zijn terug te roepen. Ik voelde die verleiding ook.»

De veilige positie van recensent ervoer hij echter in toenemende mate als een valstrik, en het verliteratuurde leven als ongezond. «Ik heb heel lang een soort vervangend leven geleid. Gelezen in plaats van geleefd. Niet dat ik altijd maar in mijn werkkamer zat, maar wel dat ik mijn meest wezenlijke ervaringen, en datgene waardoor ik me het meest liet raken, uit literatuur haalde. Op zich is dat prachtig, maar het is niet genoeg om die ervaringen alleen maar in jezelf op te slaan en er vervolgens niets mee te doen.»

In zijn boek beschrijft hij de generatie schrijvers die sinds de vroege jaren tachtig opkwam als een generatie die te kampen kreeg met een verlies aan traditie, zich in het eigen schrijvershoofd terugtrok en de greep op de werkelijkheid kwijt raakte. In feite afscheid nam van de maatschappelijke rol van literatuur.

Goedkoop: «In de klassieke roman heb je het individu tegenover de buitenwereld. In moderne romans staat het individu tegenover iets volstrekts onbenoembaars, misschien wel tegenover alles of tegenover niks. Kellendonk vertegenwoordigt voor mij een breekpunt daarin. Hij komt uit een kring van schrijvers die hun personages alleen maar achter een raam laten zitten. Hij zei: dit is niet houdbaar. Mensen die in een positie zijn gebracht waarin ze geen enkele ervaring meer opdoen, zijn geen mensen meer. Die leven niet meer. Kellendonk was voor mij het beginpunt om literatuur weer betekenisvol voor de werkelijkheid te maken.»

In dat licht bespreekt hij in zijn boek ook de oeuvres van een aantal moderne Nederlandse auteurs. Die besprekingen pakken in mijn ogen nogal «finaal-analytisch» uit: dossier gesloten, pa tiënt overleden. Zo zou A.F.Th. met zijn oneindige cyclus de ijdele hoop hebben te kunnen ontsnappen aan het menselijk gewemel, maar zich in feite in een doodlopende steeg bevinden. Zwagerman zou in zijn werk tot het uiterste gaan om maar nooit het volledige leven te hoeven omarmen. Giphart durft de sprong niet aan van sensaties naar ervaring. Rosenboom werpt met zijn geconstrueerde romans een barrière op tegen de onbegrijpelijke werkelijkheid.

Goedkoop: «Je moet niet vergeten: de schrijvers die in mijn boek aan bod komen, vind ik stuk voor stuk heel interessant. Het lastige van recensies vind ik dat je moet uitkomen op een oordeel. Duim omhoog of duim omlaag. Maar uiteindelijk vind ik dat het minst interessant. Toen ik dit boek ging maken, heb ik dat idee van oordelen losgelaten. Ik ben alleen maar vragen blijven stellen. Hoe zit het nou, en waarom, doorvragen, steeds verder het boek in, en in jezelf. Dan pluis je iemands levens houding zo tot het einde toe uit dat je onherroepelijk uitkomt bij de beperkingen ervan. Die heeft elke levens houding. Maar die beperkingen, het falen zo je wilt, vind ik ook nog interessant. Ik denk echter dat ik heb onderschat hoe oordelend dat leest. Aan de andere kant: ik zet ook het mes in mezelf. Zeker in het laatste stuk, waarin ik min of meer laat gebeuren wat ik ook bij de anderen laat gebeuren, en de beperkingen laat zien van een houding waarmee je via de literatuur probeert te leven. Ik heb me opgesloten in de literatuur zonder me dat bewust te worden. Ik denk graag van mezelf dat ik introspectief ben ingesteld en dat ik die dingen van mezelf aardig door heb. Maar ik merkte pas dat ik te ver was gegaan toen de treinen door mijn hoofd begonnen te rijden. Ik had een werk kamertje met aan drie zijden boeken en aan de raamkant stonden onder het raam nog boeken. Zo zag mijn leven er concreet uit. Ik ging steeds harder werken, manisch, altijd maar door.»

De gerieflijke positie van «belangrijkste criticus» was in de praktijk voornamelijk beklemmend. Hans Goedkoop: «Steeds vaker moest ik schrijven over boeken waarvan ik dacht: je kunt het doen, maar je kunt het ook niet doen. Dan probeer je er desondanks iets in te leggen, met als gevolg dat ik het gevoel kreeg mezelf te vervalsen. Dat ik in de geest van mezelf een stuk probeerde te schrijven over een boek waarmee ik niet zo veel had.»

Daarnaast merkte hij dat hij zich schaamde voor zijn beroepsgroep als hij de boeken van mensen die hij hoog achtte besproken zag. De huidige generatie critici heeft volgens hem in tegenstelling tot haar voorgangers slechts één gereedschap voor handen, zichzelf, en maakt daar op een nogal beperkte wijze gebruik van. «De vorige generatie critici groeide op met duidelijk onderscheiden groepen en stromingen, met bijbehorende criteria. Anthony Mertens, Jaap Goedegebuure, Carel Peeters en Aad Nuis hadden allemaal hun eigen positie, zo tussen 1970 en midden jaren tachtig. Daarna is dat ideologische tijdperk verpulverd en boetten zij aan betekenis in. Ook in de literatuur zijn we naar een samenleving onder Paars toe gegroeid, waarin de uitersten elkaar troffen en nauwelijks meer te onderscheiden waren.»

Inmiddels dreigt volgens hem de situatie waarin de criticus niet meer de boeken naar de lezer brengt, maar het boek gebruikt om zichzelf bij de lezer te brengen.

«Er gaat een soort doem uit van heren die hun eigen macht en gezag willen laten gelden ten koste van de schrijvers die ze bespreken. Dat is de wereld van de bange mannen. Je voelt het in hun benadering van literatuur en in de angst die ze om zich heen creëren. Arjan Peters en Jeroen Vullings zitten op posities die traditioneel gezien tot de belangrijkste in de Nederlandse literatuurkritiek behoren. Posities zijn echter pas echt belangrijk als je ze ook op een belangwekkende manier invult. En daarin schieten ze te kort.»

Collega’s die hebben opgeroepen tot een kwaliteitsverhoging van de literaire kritiek, zoals dezelfde Arjan Peters en Jeroen Vullings, maar ook Maarten Doorman, hebben volgens Goedkoop geen van allen criteria weten te formuleren. «Als je het zoekt in zoiets als stijl, dan kom je niet zo ver. Wat is het criterium voor een goede stijl? Hermans is misschien de grootste schrijver van de twintigste eeuw, maar hij schrijft hier en daar ongelooflijk krukkige zinnen. Toch klopt die onafheid met de bijtende en zagende geest van die man. Op televisie heb je mensen die het niet kunnen en toch goed zijn. Van Sonja Barend bijvoorbeeld kun je zeggen: ze maakt haar zinnen niet af, waardeloos. Interessanter is dat het toch werkt, en je af te vragen hóe. Dan kom je bij iets veel raadselachtigers.»

Volgens Goedkoop is uiteindelijk het enige waar wij criteria aan kunnen ontlenen onze eigen ervaring en de wereld buiten de literatuur. Maar dat moet je dan wel durven. En kunnen. «Gerrit Krol heeft wel eens gezegd: er is geen goeie stijl, de enige stijl die goed is, is de stijl die goed is voor de inhoud. En wat goed is voor de inhoud, meet je af aan hoe die verwijst naar onze wereld. Je moet van een boek als het ware een destillaat maken, waar het particuliere is uitgehaald. Het moet een poos gisten en fermenteren, voordat je én persoonlijk bent én toch relevant blijft voor de lezer, en je ook nog kunt verantwoorden. Dat is een ontzettend ingewikkeld proces. Als een boek niet het vermogen heeft in te grijpen op je leven, dan is het eigenlijk alleen maar iets wat je een paar uur uit de wereld tilt. En dan is het amusement. Als je wilt geloven dat er zoiets als literatuur bestaat, dan zul je moeten geloven dat in sommige gevallen literatuur het vermogen heeft werkelijk iets bij je teweeg te brengen. Naar mijn gevoel is dat het enige heldere criterium voor wat literatuur is, en wat literatuur onderscheidt van niet-literatuur.»

Goedkoop heeft de openingsregel van De strategie, de debuutroman van Kees Ouwens uit 1968, gebruikt voor de titel van het slothoofdstuk van zijn boek: «Ik leg mijn pen neer en begeef me naar buiten.» Grote literatuur maakt in zijn ogen een dergelijke dubbele beweging: terwijl je naar binnen gaat, het boek in, ga je ook naar buiten, de wereld in. Goedkoop: «Er zijn niet zo veel romans die dat bewerkstelligen. Er zijn ook niet zo veel lezers die daarin slagen. Het stelt hoge eisen aan beide.»

Al vond hij het aanvankelijk lastig zijn positie bij de krant op te geven, met het schrijven van dit boek heeft hij zich losgemaakt van de wereld van de literatuur. Voorgoed?

Goedkoop: «Ik heb een nieuw beginpunt nodig om weer een beetje argeloos met literatuur bezig te kunnen zijn. Ik denk dat er potentieel niets is wat zo goed kan laten zien hoe het is om in onze wereld te staan als literatuur. Ik ben helemaal niet van plan om dat los te laten, ik zoek alleen een manier om dat te gaan doen, en toch ook genoeg de pen los te kunnen laten. Sinds ik het laatste hoofdstuk heb geschreven, is er veel gebeurd: ik heb een huis gekocht, ik heb poezen in huis genomen, ik heb een kind gekregen. Ik ben veel meer uit mijn kamertje gekomen. Maar dat betekent niet dat ik er helemaal niet meer in wil. De kunst is om die twee kanten met elkaar te verbinden.»

Met hernieuwde kracht werkend aan de biografie van Renate Rubinstein, die hij al enige jaren onder handen heeft, valt hem op dat zij dat goed kon: in haar werkkamer zitten schrijven, maar ook er weer uit komen: «Die twee zitten elkaar niet in de weg, maar voeden elkaar juist. Ik vraag me af: hoe kan het dat zij dat kon? Hoe werkt dat?»

Hans Goedkoop

Een verhaal dat het leven moet veranderen

Augustus, 288 blz., € 17,95

Op 13 december organiseert de Balie in Amsterdam een discussie, met medewerking van Hans Goedkoop en onder anderen Doeschka Meijsing en Dirk van Weelden.