Paul Franco, Roy Tseng, terry Nardin

Criticus van de Verlichting

Paul Franco

Michael Oakeshott: An Introduction

Yale University Press, 209 blz., € 33,90

Roy Tseng

The Sceptical Idealist: Michael Oakeshott as a Critic of the Enlightenment

Imprint Academic, 302 blz., € 42,-

Terry Nardin

The Philosophy of Michael Oakeshott

Pennsylvania State University Press, 241 blz., € 31,64

In hun strijd tegen de «linkse kerk» en de vermeende hegemonie van progressieve, geseculariseerde en materialistische intellectuelen zijn de nieuwe conservatieven driftig op zoek naar intellectuele boegbeelden, naar grote denkers die kunnen worden gezien als de grond leggers van de solide en beproefde ideologie die het conservatisme zo graag wil zijn. Je kunt vrijwel geen artikel of boek over de Amerikaanse neoconservatieven opslaan of je stuit op de naam van Leo Strauss. Dit is vrij opmerkelijk omdat Strauss’ geschriften hoogst academisch en zelfs abstract zijn en hij bovendien een fervent voorstander van gematigdheid was: «Gematigdheid zal ons beschermen tegen het dubbele gevaar van visionaire verwachtingen ten aanzien van de politiek en eerloze minachting voor de politiek.» Een waarschuwing die trouwens niet alleen de regering-Bush ter harte zou moeten nemen, maar ook gericht lijkt tegen ogenschijnlijk keurige Nederlandse conservatieven die menen een verbond te moeten aangaan met hen die door middel van het op drift geraakte populisme aan de macht willen komen.

Een andere naam die ook dikwijls valt, is die van de Britse filosoof Michael Oakeshott (1901-1990). In zijn Lof van het conservatisme (2003) noemt Bart Jan Spruyt, directeur van de Edmund Burke Stichting, hem als een typisch Britse vertegenwoordiger van een conservatisme dat in de eerste plaats een bepaalde manier van denken is, en dat in Nederland vooral werd gerepresenteerd door iemand als J.L. Heldring. Om dit conservatisme te typeren citeert Spruyt, overigens wat al te vrij en onvolledig, een veel aangehaalde passage uit Oakeshotts bekende, in 1956 geschreven, essay On Being Conservative: «Conservatief zijn betekent dus dat men de voorkeur geeft aan het bekende boven het onbekende, aan het beproefde boven het onbeproefde, het feit boven het mysterie, dat wat voorhanden is boven het mogelijke, het beperkte boven het grenzeloze, het nabije boven dat wat in de verte is, dat wat volstaat boven het overvloedige, het geschikte boven het volmaakte, plezier op dit moment boven utopische gelukzaligheid.»

Hoe bedaagd en vooral verstandig dit ook klinkt, voor conservatieve activisten als Spruyt dient zich hier een probleem aan. Dit conservatisme van Oakeshott en Heldring is vooral een houding, een denktrant die wan trouwig is ten opzichte van alle grootse visioenen en politieke blauwdrukken, maar het is geen ideologie. In hetzelfde essay schrijft Oakeshott dat de politiek zich vooral moet richten «op het ritueel, niet op godsdienst of filosofie; op de geneugten van ordelijk en vreedzaam gedrag, niet op het zoeken naar waarheid of perfectie».

In zijn uiterst leesbare inleiding tot het werk van Oakeshott wijst Paul Franco erop dat On Being Conservative een subtiele maar belangrijke omslag in het politieke denken van Oakeshott markeerde, en dat hij sindsdien de tegenwoordig veelgeprezen Edmund Burke afwees als gids voor het moderne conservatisme. Het probleem met Burke en diens moderne volgelingen was volgens Oakeshott dat zij het conservatisme trachtten te onderbouwen met een metafysisch of religieus geloof in het natuurrecht of een van God gegeven orde. In de ogen van Oakeshott was dat overbodig. In de huidige situatie, die wordt gekenmerkt door een radicaal individualisme en grote diversiteit, is het als conservatief voldoende om te erkennen dat het beter is dat de politiek zich bezighoudt met een beperkt aantal specifieke taken in plaats van dat zij tracht een alomvattend idee van het algemeen belang op te leggen. In dat verband schreef hij al eerder dat het «absoluut niet inconsistent is om in politiek opzicht conservatief te zijn, terwijl men ten opzichte van vrijwel alle andere menselijke activiteiten radicaal is». Het zal dan ook niet verbazen dat Irving Kristol weigerde On Being Conservative te publiceren in zijn tijdschrift Encounter, dat probeerde een uitgewerkte neoconservatieve ideologie te formuleren. In die kringen voelde men veel meer voor Leo Strauss’ pogingen de moderniteit te bestrijden op basis van het antieke natuurrecht en de metafysica.

Het laatste citaat van Oakeshott was afkomstig uit een ander beroemd essay, het uit 1947 daterende Rationalism in Politics. Deze aanval op het blauwdrukdenken en de grootse visioenen paste in een golf van publicaties die gericht waren tegen allerlei varianten van socia lisme die het politieke en intellectuele debat domineerden. Andere stemmen in dit koor waren die van Friedrich Hayek, Isaiah Berlin, Karl Popper, Jacob Talmon, Leo Strauss, Hannah Arendt en Raymond Aron. Toch bestonden er tussen denkers enorme verschillen en was Oakeshotts essay onder meer bedoeld als aanval op het juist door Amerikaanse conservatieven bejubelde The Road to Serfdom (1944) van Friedrich Hayek, dat vaak wordt gezien als openlijke oorlogsverklaring aan het etatistische socialisme. Michael Oakeshott schreef: «Een plan als verdediging tegen elke vorm van planning mag dan beter zijn dan het tegenovergestelde, maar het behoort tot dezelfde politieke stijl.» Het was juist het ideologische karakter van de ideeën van Hayek, wiens politieke geloofsbelijdenis overigens getiteld was Why I Am Not a Conservative, dat Oakeshott zo tegenstond.

Oakeshott keerde zich tegen rationalistische politiek omdat het «politiek volgens het boekje» was en slechts gebaseerd op wat hij «technische kennis» noemde, die enkel bestond uit regels, principes en maximen. Waar het rationalisme geen aandacht aan besteedde, was praktische of traditionele kennis, de kennis die voortkomt uit de ervaring en die zich niet laat vastleggen in regels en formules. Een kookboek bevat technische kennis, maar louter op basis van de daarin beschreven recepten valt er geen smakelijke maaltijd te bereiden. Daarvoor is datgene nodig wat Oakeshott afwisselend aanduidt als «stijl», «artisticiteit», «connaisseurschap» en «oordeelsvermogen». Het maakt dus niet uit of de politieke rationalisten nu een socialistische of een zogenaamd conservatieve agenda nastreven. Zodra ze proberen de maatschappij te vertimmeren aan de hand van enkele eenvoudige principes en formules vinden ze Oakeshott tegenover zich.

Dit klinkt militanter dan in het geval van Oakeshott gepast is. Het kenmerk van zijn politieke filosofie is namelijk dat hij helemaal geen praktische aanwijzingen wilde geven en dat hij van mening was dat politieke filosofie per definitie nutteloos was. Vandaar dat er de afgelopen jaren veel pogingen zijn ondernomen om hem te redden uit de benauwende greep van de politieke theorie en hem te presenteren als een veelzijdiger en relevanter filosoof, die inzicht biedt in tal van terreinen van het menselijk gedrag. Dat is de inzet van zowel Ted Nardin als Paul Franco, die hem beiden plaatsen in de traditie van het Britse idealisme en die laten zien wat hij te melden had op het gebied van godsdienstfilosofie, esthetica, filosofie van de geschiedenis en het onderwijs.

De boeken van Nardin en Franco zijn bedoeld als inleidingen op het werk van Oakeshott. De Taiwanese politiek-filosoof Roy Tseng daarentegen concentreert zich op Oakeshott als tegenstander van het filosofisch modernisme, dat zou inhouden dat de filosofie de discipline is die het fundament kan en moet leggen voor alle andere wetenschappen en die kan resulteren in een universele ratio. Hiermee zou Oakeshott een van de belangrijkste critici van de Verlichting zijn. Terwijl Franco hem ziet als een denker aan wie niet alleen conservatieven maar vooral ook liberalen schatplichtig zijn, levert hij volgens Tseng uitsluitend ammunitie voor het antiliberalisme. Hierdoor hebben ze een tegenovergestelde visie op Oake shotts theorie van «civil association», een begrip dat hij had ontleend aan het werk van Hobbes.

Wat overigens opvalt, is dat beide auteurs Oakeshotts opmerkingen over Hobbes for granted nemen. Ze zijn zeer goed ingevoerd in het werk van Oakeshott, gebruiken veel secundaire literatuur, maar hebben zich niet verdiept in het werk van Hobbes. Hierdoor komen ze niet met een bevredigend antwoord op de vraag hoe het mogelijk was dat Oakeshott zich in zijn kritiek op Locke en Burke uitgerekend beriep op de politieke rationalist bij uitnemendheid, Thomas Hobbes. In het decembernummer van 2001 van Political Theory deed Ted H. Miller dat wel, om tot de conclusie te komen dat Oakeshott, evenals Leo Strauss, Hobbes wel heel erg selectief heeft gelezen en naar zijn hand heeft gezet.

De afgelopen jaren is door met name Quentin Skinner, Richard Tuck en Noel Malcolm veel onderzoek gedaan naar de «historische» Hobbes. Dat wil zeggen dat niet alleen al zijn geschriften, en niet alleen Leviathan en De Cive nauwgezet zijn onderzocht, maar dat die bovendien in hun historische context zijn geplaatst. Het beeld dat uit hun werk naar voren komt wijkt sterk af van de Hobbes-interpretaties die door allerlei politiek-filosofen en ideologen in stelling zijn gebracht. Het zal niet verbazen wanneer over enkele decennia blijkt dat de «historische» Oakeshott evenmin gemakkelijk voor het een of andere ideologische karretje te spannen valt.