Culturele doodklap

Rick van der Ploeg heeft met zijn cultuurnota veel onrust gezaaid in elitair kunstenland. Zijn beleid zou uitmonden in cultuurrelativisme en apartheid. Niets is minder waar. René Boomkens zet de achtergronden uiteen op grond waarvan Van der Ploegs nieuwe cultuurpolitiek verdedigd kan worden.

TE OORDELEN NAAR de storm aan boze en bange reacties en commentaren in de dag- en weekbladen heeft staatssecretaris Rick van der Ploeg een revolutionaire cultuurnota geschreven. Twee nota’s zelfs, want voor de echte nota met de omineuze titel Cultuur als confrontatie verscheen, had hij reeds vele artistieke zieltjes vertrapt met zijn Ruim baan voor culturele diversiteit, waarin de positie van de allochtone cultuur centraal staat. Cornel Bierens, Pieter Kottman, Michael Zeeman en vele anderen vielen in koor in NRC en Volkskrant over de ‘populist’ Van der Ploeg heen. Bierens herhaalde nog maar eens dat kunst per definitie elitair is, terwijl Zeeman niet schuwde het voorgestelde beleid ten aanzien van culturele minderheden van het stempel 'apartheid’ te voorzien. Sinds de afschaffing van de BKR is het niet meer zo onrustig geweest in Hollandse kunstenaarskringen. Gaat het hier om de zoveelste storm in een glas water? Integendeel. Van der Ploeg anticipeert zelf al op de voorspelbare protesten wanneer hij in de inleiding op de cultuurnota stelt dat bij de culturele elite in dit land al jaren sprake is van het misverstand 'dat het cultuurbeleid zo goed als “af” is, en dat de vierjaarlijkse cultuurnota-operatie bijgevolg weinig meer om het lijf heeft dan een routinematige onderhoudsbeurt. Mijn diagnose is echter een geheel andere. Het cultuurbeleid is alleen “af” voor degenen die er nu profijt van hebben.’ Dat is natuurlijk schrikken, en velen zijn er van de weeromstuit niet eens meer toe gekomen de nota echt goed te lezen. Als we één ding kunnen vaststellen na een paar weken onrust in artistieke kringen, dan wel dat de argumenten die zijn opponenten aandragen niet zijn opgewassen tegen de doortimmerde verantwoording die Van der Ploeg zelf in zijn nota levert. Voor één keer legt de elite van kunstenaars en intellectuelen het af tegen de politicus. Laat het duidelijk zijn: de nieuwe cultuurnota verdient een fel en diepgaand debat waarin de emoties hoog mogen oplaaien. Maar juist dat onderscheidt deze nota van haar voorgangers, die alle in de voor de polderpolitiek karakteristieke wolligheid ten onder gingen. Ook in die nota’s zijn de thema’s terug te vinden die Van der Ploeg nu centraal stelt: minderhedencultuur, jeugdcultuur, nieuwe media, de erosie van de kloof tussen hoge en lage cultuur, cultuureducatie en de publieksfunctie van de kunsten. Maar op de een of andere manier is Van der Ploeg erin geslaagd die thema’s te agenderen op een manier die door de betrokken belangengroepen ogenblikkelijk is herkend als nieuw, anders en dus ook bedreigend. En inderdaad, het bijzondere aan deze nota is dat zij anders dan de vorige nota’s niet defensief is maar uitgesproken offensief. Van der Ploeg wil zijn beleid niet bij voorbaat afhankelijk maken van bestaande coalities en geldende normen in kunstenland. Daarentegen begint hij met vrijwel iedereen die daar enig aanzien en invloed heeft, hard op de tenen te trappen. De Raad voor de Kunst is een ingeslapen adviesorgaan dat bovendien uiterst eenzijdig is samengesteld: te weinig jongere en vrouwelijke leden, te veel autochtone leden. De gesubsidieerde sector lijdt aan verregaande vormen van inteelt en zelfbevlekking, en bekommert zich nauwelijks om het publiek, dat er dan ook niet is. Aldus Van der Ploeg, die geweten moet hebben dat je zo geen vrienden maakt. Hij moet het gevoel hebben gehad dat hij werkelijk iets (nieuws) te verdedigen had. Ik denk dat dat klopt. Ik wil hier geen poging doen al zijn beleidsvoornemens te bespreken of te beoordelen, maar zal trachten de achtergronden uiteen te zetten op basis waarvan Van der Ploegs pogingen tot een nieuw cultuurbeleid verdedigd kunnen worden tegen de protesten en bezwaren van onze culturele elite. Die elite is terecht bang. Hun angst is bijna een vorm van doodsangst, maar gelukkig post mortem: de artistieke elite is eigenlijk al een tijdje zo dood als een pier. Het enige dat Van der Ploeg op dit punt voorstelt is verdere pogingen tot reanimatie achterwege te laten. IF YOU CAN’T beat them, join them? Twee jaar geleden stond het Theaterfestival in het teken van de noise. De organisatoren hadden een groeiende kloof gesignaleerd tussen een theatertraditie waarin het gesproken woord de absolute hoofdrol speelt en een relatief nieuwe cultuur die wordt gedomineerd door niet-talige elementen: muziek, geluid, liedjes waarin de woorden er niet zo toe doen, de toon daarentegen des te meer, en lawaai. Al die niet-talige geluiden bleken een zeggingskracht te hebben die de traditionele toneeltaal niet langer had. Toch bleek de noise intussen diep in de wereld van het toneel zelf te zijn doorgedrongen. En juist dat toneel bleek uiterst succesvol. Een van de grote hits was de voorstelling Bernadetje van theatergroep Victoria uit Gent. Bernadetje is een laattwintigste-eeuwse, grootstedelijke versie van het verhaal van Bernadette van Lourdes, geheel gesitueerd rond en op een botsautootjesbaan van een Vlaamse kermis, waar de dialogen voortdurend worden overstemd door harde kermis- en housemuziek, en zo nu en dan door Bach. De 'taal’ van het stuk dat een navrant portret schildert van Vlaamse plebejers, uitschot, junkies, emigrés en dromende jongeren, deels gespeeld door jonge amateurs, is de taal van de muziek, van de botsauto’s en vooral van de lichamen van de acteurs die samen met de botsauto’s door de choreograaf worden meegesleept in een ballet vol moderne melancholie en dromen. Bernadetje is geen minderhedencultuur en maakt geen gebruik van nieuwe media. Maar Bernadetje 'rockt’. De taal van Bernadetje is onderbuiktaal, lichaamstaal, grof, lawaaiig, volks, direct en ongeremd. Het stuk is geen aanklacht en al helemaal geen heiliging of verheerlijking van banale of volkscultuur. Het is theater, muziektheater en ballet tegelijk, op basis van de erotiserende lichaamstaal van de acteurs, het popmuzikale lawaai en een soort carnavaleske humor waarin precies taal en lichaam centraal staan. Bernadetje is een belangrijk stuk omdat het erin slaagt het toneelpubliek op een fysieke manier bij het stuk te betrekken die voor de nieuwe media in principe onhaalbaar is. Het stuk voelt aan als een live popconcert. Veel theater is zonder al te veel verlies aan intensiteit ook op televisie te beleven, Bernadetje niet. Het stuk toont aan dat ook middenin het universum van de virtualiteit, de glasvezelkabel en de tv-soaps de toneelkunst een levensvatbaar artistiek genre kan zijn. BERNADETJE IS EEN ideale case in het debat tussen Van der Ploeg en zijn opponenten. Wat zijn tegenstanders telkens weer pogen aan te tonen is dat de staatssecretaris een zuiver geval van cultuurrelativisme vertegenwoordigt. Dat blijkt vooral uit de keer op keer herhaalde stelling dat kunst altijd een elitaire aangelegenheid is. Kunst is niet zomaar cultuur, is niet zomaar gelijk te stellen met al wat ons dagelijkse leven betekenis geeft. Kunst gaat nu juist het alledaagse te buiten en te boven. Kunst draait niet om herkenning, niet om plezier of lol, maar juist om de schok die je uit het alledaagse tilt, kunst maakt wakker, troost niet, maar confronteert, kunst doet met andere woorden pijn. In deze opvatting moet kunst zich juist verre houden van de alledaagse cultuur, die troost en lol verschaft. Historisch is dit artistiek elitisme gestoeld op twee zeer verschillende bronnen: enerzijds op het klassieke onderscheid dat Plato maakte tussen 'ware ideeën’ en 'meningen’, anderzijds op een door het marxisme geïnspireerd avantgardisme dat de kunst inzette tegen een 'valse’ kapitalistische cultuur. Die curieuze combinatie van platonisme en marxisme is met name terug te vinden in het werk van de Zwitsers-Britse classicus en essayist George Steiner, die een soort goeroe-status heeft verworven bij de Nederlandse artistieke elite. Platoons aan Steiners standpunt is dat hij van mening is dat wij tegenwoordig in een post-cultuur leven die geen onderscheid meer maakt tussen waarheid en willekeurige meningen. Alles is even waar. Marxistisch aan zijn positie is dat hij de ware artistieke expressie situeert in een soort ultiem verzet tegen onderdrukking en geweld. Kunst zet zich per definitie tegen een onderdrukkende, valse werkelijkheid. Deze combinatie van artistieke eigenschappen plaatst de kunst en de kunstenaar in een uitzonderlijke en in menig opzicht ook geïsoleerde positie ten opzichte van de rest van de wereld, en preciezer ook ten opzichte van het publiek. In zowel de platoonse als de avantgardistische opvatting is het publiek uiteindelijk secundair. Wat telt is de artistieke expressie: zij dient waar (Plato) en bevrijdend (avantgarde) te zijn. De criteria daarvoor lijken ontleend te worden aan de artistieke praktijk zelf, maar blijken bij nader inzien niet veel meer te zijn dan het eenvoudige tegendeel van de toestand waarin de cultuur in bredere zin, c.q. het publiek, zich bevindt: daar heerst het regime van 'de meningen’ (Plato) of de 'vervreemding’ (avantgarde), die in de hand wordt gewerkt door de 'nivellerende werking’ van 'de media’ (dertig jaar eerder, in de tale Adorno’s, heette dat nog de cultuurindustrie). Van der Ploeg is op dit punt zeer duidelijk: zijn cultuurnota gaat over 'cultuur in engere zin’, en dus in het geheel niet over 'al wat ons leven en samenleven betekenis geeft’, over de alledaagse cultuur van de braderie en de kermis tot de oranje tompoezen tijdens het WK Voetbal en de taaitaaipoppen bij de Sinterklaasviering. Dat is 'cultuur’ in de meest algemene zin van het woord. Daar bevinden zich ook al die meningen waarover Plato het ooit had, zoals het geroddel over de heg met de buurvrouw en het geklets over het weer van gisteren. En daar vind je ook de 'vervreemding’ waarover Marx en de avantgardes het hadden, dat wil zeggen al die hoogstpersoonlijke en uiterst lokale verklaringen die mensen in het voorbijgaan ontwikkelen over zaken die het persoonlijke en lokale niveau te boven gaan: de politiek, het buitenland, wereldrampen, oorlogen en andere gesprekken bij de kapper. Wie de kunst reduceert tot díe werkelijkheid mag gerust een cultuurrelativist genoemd worden. En dat verwijt treft Van der Ploeg regelmatig: hij zou kunst tot cultuur reduceren. Hij zou bovendien met zijn stimulering van culturele diversiteit (ten gunste van culturele minderheden) algeheel cultuurrelativisme in de hand werken. Of erger: zijn beleid ten gunste van culturele minderheden zou uitmonden in culturele apartheid. Het tegendeel is waar. Van der Ploeg pleit (als eerste staatssecretaris) voor een opvatting van kunst en cultuur als confrontatie tussen diverse culturele opinies of posities, en dus voor een rol van de kunst in en niet tegenover de wereld der 'meningen’, en voor een artistieke praktijk die haar publiek serieus neemt (als uitgangspunt) en niet langer als aanhangsel van de eigen hoogstinteressante bezigheden. Daarmee schopt hij in één beweging twee heilige koeien van de Hollandse cultuurpolitiek het slachthuis in: de heilige koe van het multiculturalisme én de nog heiliger koe van de autonomie van de artistieke avantgarde. VAN DER PLOEGS TWEELING, de cultuurnota en de nota over culturele diversiteit, biedt een geweldig panorama op een nieuw polderlandschap vol debatten en confrontaties, een hoop gescheld en gevloek en onoplosbare tegenstellingen, zo niet totaal uit de hand gelopen meningsverschillen tussen individuen en tussen sociale, culturele of etnische groeperingen. Ruzie. Op de een of andere manier riekt zijn nota naar ruzie. 'Niet-gewelddadige confrontaties’ heet dat in de nota zelf. De eerste ruzie schept Van der Ploeg zelf, en wel met de zich alom pantserende culturele elites, die het gevoel hebben dat ze dankzij de nieuwe cultuurpolitiek als het ware 'naar Siberië’ gezonden worden. Hun vanzelfsprekende bestaan wordt radicaal ter discussie gesteld. En nergens heeft Van der Ploeg meer gelijk dan juist hier; nergens overheerst de onbewezen 'dringende noodzaak’ van eigen aanwezigheid sterker dan onder de meest 'avantgardistische’ facties van de artistieke elite. Hier heerst het platoons-marxisme in een variant die zich beroept op een voortgaande sociaal-culturele strijd die zijn wortels vindt in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en sindsdien al het wereldleed bij voortduring op de agenda had. Of het toont zich juist, bij gebrek aan begrip, als een uiterst abstracte en anticommunicatieve vorm van kunst die zich in alle opzichten verre wenst te houden van de meningen, de houdingen en de klanken van 'de massa’s’. Het leuke is nu dat Van der Ploeg dit soort atavistische pogingen tot cultureel avantgardisme niet wil afschaffen, maar ze juist (en voor henzelf voor het eerst) de confrontatie wil laten aangaan met geheel andere artistieke uitingen en uitingsvormen. Konrad Boehmer in concert with Junkie XL en Def P. Niet om het even, maar vanwege de confrontatie zelf! Wekte Van der Ploeg in zijn vorig jaar uitgesproken 'state of the arts’-toespraak bij de opening van het Theaterfestival nog de indruk de gesubsidieerde sector als zodanig uit te leveren aan de werking van de markt, in de cultuurnota is hij een stuk subtieler. Hij wil slechts af van het automatisme van de aanbodsubsidie. Kunst, kunstenaars en kunstprojecten kunnen op uiteenlopende gronden voor subsidie in aanmerking komen en daarbij laat Van der Ploeg het aanboren van nieuwe publieksgroepen (jongeren, minderheden, lager opgeleiden) en het gebruik van nieuwe media nadrukkelijk zwaarder wegen dan voorheen het geval was. Ook cultuureducatie speelt een voorname rol in de nota. Maar anders dan zijn opponenten suggereren, kan ook het artistieke experiment en daarmee die kunstpraktijk die grotere moeite zal hebben een breed publiek te trekken, wel degelijk op overheidssteun rekenen. Hier lijkt de pijn voor de huidige artistieke en intellectuele elites het grootst. Afgaand op Cornel Bierens en een heel scala aan andere auteurs gaat de ware kunst dankzij het populisme van de staatssecretaris definitief teloor. Het voornaamste argument dat tegen Van der Ploeg in stelling wordt gebracht, en dat zeker enige overweging verdient, luidt dat kunst per definitie elitair is. Dit argument kan twee dingen betekenen. Allereerst: kunst, opgevat als praktijk die 'het schone’ of 'het sublieme’ representeert of tot uitdrukking brengt, of opgevat als praktijk die nieuwe, verrassende, confronterende perspectieven biedt op ons gangbare werkelijkheidsbesef, kan haast per definitie alleen door een kleine elite worden voortgebracht. Deze definitie is even waar als tautologisch: uitzonderlijke uitingen worden door uitzonderlijke praktijken of uitzonderlijke persoonlijkheden voortgebracht. De tweede betekenis heeft een heel andere impact, en juist die wordt door de opponenten van de cultuurnota ten onrechte in stelling gebracht: zij luidt dat ware kunst alleen door een kleine elite begrepen kan worden. Met dit argument laat zich de bestaande situatie van een haast publieksloze, geïsoleerde artistieke avantgarde makkelijk rechtvaardigen, maar meer dan een oratio pro domo is het niet. Het argument is in wezen een vervalsing of hypostasering van het simpele ervaringsgegeven dat artistieke vernieuwingen in hun eerste fase doorgaans door een klein deel van het publiek worden herkend en toegejuicht, waarna een grotere groep van het publiek geënthousiasmeerd wordt en de vernieuwing als het ware 'normaliseert’. Dat gebeurde in feite met vele kunstzinnige vernieuwingen in de moderne geschiedenis van de negentiende-eeuwse romankunst, het impressionisme en het expressionisme, stuk voor stuk inmiddels gerespecteerde kunststromingen. Het gold echter ook voor totaal nieuwe genres als de detectiveroman, de mystery novel en het sciencefiction-genre; drie vernieuwende genres die ruim een eeuw later een massapubliek hebben verworven maar nog steeds in de kwade reuk van halfkunst staan. Het gold ten slotte eveneens voor de fotografie en de filmkunst (toen 'nieuwe media’!), aanvankelijk beschouwd als respectievelijk antikunst en kermisvermaak, intussen uitgegroeid tot serieuze kunstvormen mét een vrij massaal publiek. Het mechanisme van kunstverbreiding via een smaakbepalende elite is kortom een geldig gegeven, maar alleenzaligmakend is het niet: sommige vernieuwende genres worden nooit tot 'kunst’, terwijl de praktijken en media die juist als non-kunst werden beschouwd en vooral te boek stonden als plat volksvermaak, jaren later plotseling als uiterst kunstzinnig kunnen gelden. Wat we hieruit ook kunnen opmaken, is dat bestaande culturele elites zeer gevoelig zijn voor vernieuwingen binnen het artistieke genre waarop de eigen elite-positie is gestoeld (de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de poëzie, de romankunst), maar over het algemeen uiterst ongevoelig, zo niet vijandig staan tegenover vernieuwingen die zich in andere, vooral nieuwere genres en media voordoen. Zo moest de succesvolle toneelschrijver Pirandello weinig hebben van de filmkunst en achtte de in de Duitse romantische en modernistische muziektraditie geschoolde Adorno de Amerikaanse jazzmuziek een uiting van zuivere anticultuur. Er is nog een zwaarwegende reden om het elite-argument te wantrouwen: het relatieve falen van de twintigste-eeuwse avantgardes. Minder dan hun negentiende-eeuwse voorgangers (impressionisme, expressionisme, vitalisme) zijn de avantgardes van deze eeuw, die alle in de eerste drie decennia opkwamen, erin geslaagd naar een breder publiek door te dringen. Dat is des te navranter aangezien juist deze nieuwe artistieke elites uiterst publieksgevoelig waren. Kubisten, surrealisten, dadaïsten, Stijl-kunstenaars, dodekafonisten, nieuw-zakelijken, modernisten in het algemeen - allen meenden een nieuwe artistieke taal te hebben ontwikkeld die zou doordringen in het dagelijkse leven van de moderne massamens: een moderne beeldtaal, een moderne muzikale taal, een moderne bouwstijl, een modern levensgevoel. Een deel ervan werd gemusealiseerd en dus heilig en tot kunst verklaard; een deel vergeten (vooral de muziek); en een deel werd onderdeel van onze alledaagse leefwereld: de gebouwen van de nieuwe zakelijkheid. Momenteel worden ze massaal afgebroken. Er is geen Nieuwe Mens gekomen, en ook geen Nieuwe Cultuur. In plaats daarvan kwamen meerdere culturen. En dat is de definitieve doodklap voor de hele idee van een artistieke elite als culturele voorhoede gebleken. DIE DOODKLAP wordt nu voor het eerst in beleid omgezet. Dat is pijnlijk voor de platoons-marxistische Super-Ego’s van de geprofessionaliseerde moderne avantgardes, die van mening zijn dat met hun werk De cultuur en De kunst als zodanig zullen verdwijnen. Het is pijnlijk voor de erfgenamen van de diverse avantgardes die op dit moment de diverse raden en commissies bevolken, die over overheidssubsidies aan de kunstensector moeten beslissen. Die erfgenamen zijn precies wat ze zijn: erfgenamen. Ze beheren een erfenis. Ze willen allang niet meer vernieuwen of verrassen, ze koesteren eenvoudigweg standaardopvattingen over 'vernieuwing’ en 'verrassing’, die uiteindelijk worden afgedekt met referenties aan vakmanschap of professionaliteit. Zo gaat het met alle elites en voorhoedes: ze raken geïnstitutionaliseerd, krijgen academies en opleidingsinstituten en na een paar decennia zijn ze niet meer weg te denken. Van der Ploeg dient hier een uiterst effectieve en tegelijk ook zachtaardige doodklap uit: hij stelt nadrukkelijk dat kwaliteit ook onder zijn regime het leidende subsidiecriterium zal blijven (waarmee elk verwijt van populisme is weggewuifd). Ik citeer: 'De overheid subsidieert wel iets van hoge kwaliteit, waar (nog) weinig publieke belangstelling voor bestaat, maar niet iets van weinig kwaliteit dat veel mensen bereikt. Dit betekent natuurlijk niet dat iets dat veel mensen bereikt, dus wel weinig kwaliteit zal hebben en dat iets dat weinig publiek trekt wel heel bijzonder zal zijn. Wat kwaliteit inhoudt, is betrekkelijk ongedefinieerd en misschien ook wel ondefinieerbaar.’ Vervolgens stelt hij vast dat voor kwaliteit doorgaans vakbekwaamheid of ambachtelijkheid wordt ingevuld, waarna hij opmerkt dat dat bij musici of acteurs nog wel enige steekhoudendheid heeft, maar bij beeldende kunstenaars zo goed als ongrijpbaar is geworden. Hij vervolgt: 'Toch is in veel gevallen wel iets te zeggen over kwaliteit. Kwaliteit is misschien niet te definiëren, maar wel te herkennen. Aan de emoties die worden aangesproken, aan de zinnen die worden geprikkeld of verzet, aan de mate waarin een ervaring beklijft, aan de uitstraling, de uniciteit, het internationale prestige.’ Hier is geen populist aan het woord, maar een uiterst gevoelige democraat, die tegenover de definitiemacht van een inerte en van nepotisme vergeven culturele elite de 'herkenningsmacht’ plaatst van het artistieke publiek, van uiteenlopende publieksgroepen, waarom het in de kunsten uiteindelijk draait. Die 'herkenningsmacht’ wordt door de huidige artistieke elites nog steeds niet (h)erkend, omdat zij ideologisch nog te sterk geworteld zijn in een radicaal avantgardistisch schema dat kunstzinnigheid hardnekkig blijft identificeren met antischoonheid, antigenot, antipubliek, antiburgerij, anti-bestaande orde, en uiteindelijk ook met antikunst. We zouden dit het schok-paradigma kunnen noemen: kunst dient te schokken. Zie dada, zie de surrealisten, zie het urinoir van Deschamps. Het tragische aan de huidige artistieke elite is dat zij meent nog steeds te schokken. Dat gold voor de pornoposes van Koons evengoed als voor de Dutroux-schilderijen of verkrachtingsscènes van recente Vlaamse en Nederlandse makelij. Maar na vijf of zes decennia antikunst, antischoonheid, antimuziek, antitheater et cetera, inclusief hun postmoderne vermommingen, is niet Het publiek, maar zijn de diverse publieken een beetje moe geworden. Waar velen vooral moe van zijn geworden is de instant-publieksvijandigheid van veel 'elitaire’ of 'avantgardistische’ kunstuitingen, wat iets geheel anders is dan een roep om meer 'gemakkelijke’ kunst. Het is eerder de bijna levensvijandige steilheid van vele quasi-avantgardisten die velen op de zenuwen is gaan werken. De architectuurcriticus Charles Jencks vergeleek de moderne avantgarde in de bouwkunst ooit met het calvinistische verzet tegen de katholieke kerk. Wij zitten inmiddels met de vierde generatie calvinisten in de kunsten opgescheept, de Rudi Fuchsen en consorten die in naam van een allang mislukte avantgardistische rebellie nog steeds de toon zetten in de wereld van kunst en cultuur. Het kan nog erger. De staatssecretaris wil ook nog eens andere culturen stimuleren. Hij wil allereerst meer vrouwen, jongeren en vertegenwoordigers van culturele minderheden in de diverse raden en commissies. Daarover hoor je niemand, want als je daar tegen bent ben je tegelijk politiek incorrect. Nee, de opponenten van Van der Ploeg spelen een heel ander spel. Ze roepen dat hij culturele apartheid in de hand werkt. Dat klinkt fier en correct tegelijk. Maar niets is minder waar. Van der Ploeg rekent slechts af met het Bolkestein-De Pinto-scenario van de totale integratie van etnische minderheden. Zijn nota zou om die reden ook zware discussiestof in het paarse kabinet moeten opleveren. We zullen het wel merken. In ieder geval rekent hij af met de al te simpele illusie dat wij in een multiculturele samenleving leven of daar snel naar op weg zijn. Integendeel: we leven in een dominant blank-christelijke samenleving waarin zich in toenemende mate andere, nieuwe culturele geluiden doen gelden. Van der Ploeg wil die nieuwe geluiden meer kracht geven en zo zijn ideaal van culturele confrontatie nader invullen. Niks integratie, niks multiculti, gewoon diversiteit en confrontatie. Over twintig jaar is eenderde tot de helft van de bevolking van de grote steden allochtoon van afkomst, nu is dat vijftien tot vijfentwintig procent. Van een duidelijk aanwezige allochtone culturele praktijk is intussen geen sprake. Van der Ploeg wil die eigen culturele praktijk stimuleren. Michael Zeeman begrijpt dat niet en roept 'apartheid’. Maar Zeeman was nog niet op de hoogte van de nieuwe kwaliteitscriteria van de cultuurnota. Die spreken immers van herkenning, prikkeling van de zinnen, emotionele aanspreking en dergelijke. Niet langer alleen van professionaliteit en 'verheffing des volkes’, die de standaardcriteria waren. Zeeman denkt dat als je moslimcultuur subsidieert omdat het moslimcultuur is, je dan automatisch apartheid schept. Hij denkt dat s niet wanneer Veluws reformatorisch theater wordt gesubsidieerd, of wanneer pervers-gewelddadig elitaire fotografie van plasseks bedrijvende individuen door de overheid wordt betaald. Hij denkt vooral dat het niet helpt om minderheden cultureel te ondersteunen. Maar Van der Ploeg wil helemaal niet helpen. Hij wil gewoon doen wat elke staatssecretaris van Cultuur in een pluriforme democratische samenleving zou moeten doen: op zo egalitair mogelijke wijze alle kunstuitingen ondersteunen die ertoe doen en steun behoeven. Met duidelijke nadruk op kwaliteit. En tegelijk met de aantekening dat kwaliteit geen eenduidig criterium is, maar inzet van debat en confrontatie. Van der Ploeg is tegen de al te gemakkelijke illusie van culturele integratie en kiest daarom voor een politiek van culturele confrontatie. Dat is, na een hele serie dwarsgebakken consensus-politici als Brinkman, d'Ancona en Nuis, zuivere winst. TE WEINIG LEZEN we in de cultuurnota over de popmuziek en de popcultuur. Veel te weinig. De enige werkelijk vernieuwende cultuursector van de laatste vier decennia mag het doen met een pleidooi voor 'meer cultuur voor jongeren’. En dat terwijl popmuziek allang geen exclusief 'jong’ publiek meer kent - de staatssecretaris zelf is product van de rock 'n’ roll-generatie. Popmuziek is vernieuwend geweest in de wereld van de film, de mode, de beeldende kunst en dankzij Bernadetje zelfs in het theater; popmuziek stond aan de wieg van de mondiale emancipatie van Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse en Aziatische muziektradities, en is daarom bij uitstek een medium dat past in Van der Ploegs strategie van culturele confrontaties en diversiteit. Popmuziek heeft bovendien als geen ander cultureel genre bewezen dat de uitersten van een massapubliek en artistieke vernieuwing elkaar niet uitsluiten, dat bovendien kunstzinnige 'verheffing’ en alledaags plezier geen elkaar uitsluitende zaken zijn. Popmuziek is met andere woorden het levende bewijs van de onmogelijkheid van één artistieke elite: de popmuziek zelf kent er tientallen, en zo is het ook in de andere kunsten. We zijn de avantgarde allang voorbij en de popmuziek is het beste bewijs. De Britse hoogleraar letteren Simon Frith, sinds jaren specialist in de popcultuur, wees er in een recente studie op dat alle kunst in de moderne, burgerlijke samenleving wordt verantwoord en gelegitimeerd met een beroep op een van de volgende drie scenario’s: het 'kunst’-scenario, het 'folk’-scenario of het 'pop’-scenario. Het kunst-scenario vertegenwoordigt doorgaans de dominante elite en legitimeert zichzelf door middel van bestaande academische instituties en beroepsopleidingen: kunst is dat wat door een professionele elite perfect wordt uitgevoerd. Het folk-scenario stelt traditie tegenover het vakmanschap van het kunst-scenario. Het pleit in zekere zin op kritische wijze voor een (her)waardering voor 'authentieke’ volkse tradities van ambachtelijk kunstenaarschap. Hier gaat het om de directe band tussen leven en kunst, en minder om gelegitimeerde vormen van professionaliteit. Spontaniteit is hier kwaliteitscriterium nummer één. Het pop-scenario verbindt artistieke expressie simpelweg met het lustprincipe (plezier, lol) en met de praktijken van een op een massaal publiek gerichte industrie, de massamedia en muziekindustrie. Wat uiteindelijk als 'kunst’ zal worden herkend is het resultaat van de werking van deze drie scenario’s, kortom van de invloed van academies en kunstopleidingen, van lokale en regionale artistieke tradities én van de massamedia en cultuurindustrie. Om die reden is Van der Ploegs open definitie van artistieke kwaliteit een enorme winst ten opzichte van de door de kunstenmaffia gedicteerde definities van zijn voorgangers. Dat hij de popcultuur desondanks nagenoeg verzwijgt, mag niet als een slecht teken gelden, aangezien de hele esthetica van de staatssecretaris op de wetten van diezelfde popcultuur is gestoeld: een esthetica van diversiteit en confrontatie tussen culturen, met diverse cross overs als resultaat, en een esthetica waarin schoonheid en 'verheffing’ op onproblematische wijze versmelten met lust, plezier en lol, maar ook met schuld, schaamte, woede, melancholie en zwaarmoedigheid. Die culturele 'winst’ had de econoom Van der Ploeg veel beter kunnen benutten. Een kwestie van Awopbopaloobopalopbamboom!